Medische hulpmiddel  

LS&R 2457

LUMC mocht namen van onderzoekers in contracten met leveranciers van medische hulpmiddelen afschermen

Raad van State 15 apr 2026,, LS&R 2457; ECLI:NL:RVS:2026:2096 (Het LUMC tegen [appellanten]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/lumc-mocht-namen-van-onderzoekers-in-contracten-met-leveranciers-van-medische-hulpmiddelen-afschermen

ABRvS 15 april 2026, IT 5495; LS&R 2457; ECLI:NL:RVS:2026:2096 (LUMC tegen [appellant sub 2]). In deze zaak tussen het LUMC en [appellant sub 2] staat een Wob-verzoek centraal over overeenkomsten tussen het ziekenhuis of daar werkzame zorgprofessionals en ondernemingen die medische hulpmiddelen produceren, verhandelen of daaraan gerelateerde diensten verrichten. Het verzoek ziet onder meer op consultancy-, dienstverlenings-, sprekers- en sponsorovereenkomsten en contracten zoals bedoeld in de Gedragscode Medische Hulpmiddelen. Het LUMC heeft twintig documenten gevonden en deze gedeeltelijk openbaar gemaakt. De rechtbank Midden-Nederland oordeelde eerder dat het LUMC onvoldoende had gemotiveerd waarom namen en specialisaties van medewerkers waren weggelakt. Volgens de rechtbank kon bij hoogleraren en gerenommeerde onderzoekers of wetenschappers ervan worden uitgegaan dat zij uit hoofde van hun functie naar buiten treden. Ook vond de rechtbank dat het LUMC verschillende andere passages te generiek had afgeschermd. Voor gegevens over specifiek te onderzoeken of ontwikkelen producten, onderzoeksmethoden en financiële gegevens achtte de rechtbank geheimhouding wel gerechtvaardigd. In hoger beroep voert het LUMC aan dat niet iedere hoogleraar of onderzoeker vanwege zijn functie in de openbaarheid treedt. Volgens het LUMC moet worden gekeken naar de concrete situatie en naar de vraag of een medewerker daadwerkelijk als vertegenwoordiger van het ziekenhuis optreedt. De Afdeling volgt dit standpunt.

LS&R 2455

Afslankbeugel kwalificeert als medisch hulpmiddel en had CE-certificering nodig

Rechtbank Den Haag 14 jan 2026,, LS&R 2455; ECLI:NL:RBDHA:2026:598 ([eiseres] tegen [gedaagden]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/afslankbeugel-kwalificeert-als-medisch-hulpmiddel-en-had-ce-certificering-nodig

Rb. Den Haag 14 januari 2026, LS&R 2455; ECLI:NL:RBDHA:2026:598 ([eiseres] tegen [gedaagden]). In deze schadestaatprocedure tussen [eiseres] en [gedaagden] staat de vraag centraal of [eiseres] schade heeft geleden als gevolg van een eerder vastgestelde tekortkoming en onrechtmatige daad rond de ontwikkeling en exploitatie van een afslankbeugel. In de hoofdprocedure was al vastgesteld dat [gedaagden sub 2] tekort was geschoten in de samenwerkingsovereenkomst en dat [gedaagden sub 1] de samenwerking onrechtmatig had gefrustreerd. In deze procedure moet worden vastgesteld of daaruit daadwerkelijk voor vergoeding in aanmerking komende schade is voortgevloeid. De rechtbank volgt het oordeel van de benoemde deskundigen dat [eiseres] geen schade heeft geleden. Volgens de deskundigen zou de onderneming ook in de hypothetische situatie waarin de vastgestelde tekortkoming en onrechtmatige daad worden weggedacht geen winst hebben behaald. Een belangrijke reden daarvoor is dat de afslankbeugel als geheel eerst CE-gecertificeerd had moeten worden voordat deze commercieel op de markt mocht worden gebracht. [eiseres] betoogt dat de deskundigen bij hun schadeberekening ervan hadden moeten uitgaan dat de afslankbeugel bij aanvang van de samenwerking al aan alle wettelijke eisen voldeed, waaronder een eventuele CE-certificering. De rechtbank volgt dat standpunt niet. In een schadestaatprocedure kunnen uitsluitend schadeposten aan de orde komen die voortvloeien uit een tekortkoming die in de hoofdprocedure daadwerkelijk is vastgesteld. Die tekortkoming zag uitsluitend op het feit dat het materiaal Dyneema Purity niet mocht worden gebruikt voor de spaken van de afslankbeugel. In de hoofdprocedure was niet vastgesteld dat [gedaagden sub 2] ook verplicht was ervoor te zorgen dat de afslankbeugel als geheel vanaf het begin CE-gecertificeerd was.

LS&R 2424

Geen btw-voordeel voor zonnebrandproducten zonder geneesmiddelenvergunning

Rechtbank Noord-Holland 25 mrt 2026,, LS&R 2424; ECLI:NL:RBNHO:2026:3615 ([eiseres] tegen de inspecteur van de Belastingdienst), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/geen-btw-voordeel-voor-zonnebrandproducten-zonder-geneesmiddelenvergunning

Rb. Noord-Holland 25 maart 2026, LS&R 2424; ECLI:NL:RBNHO:2026:3615 ([eiseres] tegen de inspecteur van de Belastingdienst). In deze zaak tussen [eiseres] en de inspecteur van de Belastingdienst staat de vraag centraal of op de levering van zonnebrandproducten het verlaagde btw-tarief voor geneesmiddelen van toepassing is. [eiseres] heeft over deze producten 21% btw voldaan, maar stelt dat zij als geneesmiddelen moeten worden aangemerkt en verzoekt om een aanvullende teruggaaf van € 122.395. Tussen partijen is niet in geschil dat de zonnebrandproducten volgens een arrest van de Hoge Raad uit 2016 op zichzelf als geneesmiddelen kunnen worden beschouwd. Sinds 1 januari 2018 geldt voor toepassing van het verlaagde tarief echter ook de eis dat voor het product een handelsvergunning op grond van de Geneesmiddelenwet is verleend, tenzij een wettelijke uitzondering geldt. Vaststaat dat [eiseres] niet over zo’n vergunning beschikt.

LS&R 2409

A-G HvJ EU: algemene meldplicht voor import van voedingssupplementen strijdig met Unierecht

Hof van Justitie EU 7 jul 2026,, LS&R 2409; ECLI:EU:C:2025:1004 (PRAGON s.r.o. tegen Státní zemědělská a potravinářská inspekce, Inspektorát v Praze), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/a-g-hvj-eu-algemene-meldplicht-voor-import-van-voedingssupplementen-strijdig-met-unierecht

HvJ EU 18 december 2025, RB 4044; LS&R 2409; ECLI:EU:C:2025:1004 (PRAGON s.r.o. tegen Státní zemědělská a potravinářská inspekce, Inspektorát v Praze). In deze zaak tussen PRAGON s.r.o. en de Tsjechische landbouw- en voedselinspectie staat de vraag centraal of een nationale regeling die importeurs van voedingssupplementen verplicht de bevoegde autoriteiten ten minste 24 uur vóór aankomst van de producten vanuit een andere lidstaat daarvan op de hoogte te stellen, verenigbaar is met Unierecht. De advocaat-generaal bespreekt met name de verhouding tussen het vrije verkeer van goederen en de volledig geharmoniseerde regels voor officiële controles op levensmiddelen in Verordening (EU) 2017/625. Volgens de conclusie verzet die verordening zich tegen een algemene en voortdurende meldplicht voor een gehele categorie levensmiddelen, zoals voedingssupplementen. PRAGON importeert voedingssupplementen uit andere lidstaten en verkoopt deze online en via fysieke winkels. Op grond van Tsjechische regelgeving moet iedere ontvangst van bepaalde levensmiddelen uit een andere lidstaat of uit een derde land uiterlijk 24 uur vóór aankomst worden gemeld aan de nationale voedselautoriteit. Daarbij moeten onder meer gegevens worden verstrekt over het soort product, de hoeveelheid, de herkomst, de ontvanger en het verwachte tijdstip van aankomst. PRAGON stelde dat deze verplichting ertoe leidt dat producten niet direct kunnen worden geleverd en daardoor een niet-tarifaire handelsbelemmering vormt. Bovendien geldt een dergelijke meldplicht niet voor vergelijkbare producten die zich reeds op Tsjechisch grondgebied bevinden, waardoor ingevoerde producten volgens PRAGON ongunstiger worden behandeld. De verwijzende Tsjechische rechter vraagt zich af of deze systematische meldplicht verenigbaar is met artikel 9 lid 7 van Verordening (EU) 2017/625. Daarbij wijst hij erop dat de regeling niet alleen extra administratieve lasten en kosten veroorzaakt, maar ook producenten en distributeurs kan ontmoedigen om voedingssupplementen op de Tsjechische markt aan te bieden. Daarnaast twijfelt de verwijzende rechter of een algemene meldplicht voor alle voedingssupplementen wel evenredig is, nu de risico's binnen deze productcategorie sterk uiteenlopen. De advocaat-generaal stelt allereerst vast dat de zaak moet worden beoordeeld aan de hand van Verordening (EU) 2017/625 en niet rechtstreeks aan de artikelen 34 en 36 VWEU. Volgens vaste rechtspraak worden nationale maatregelen immers uitsluitend getoetst aan de toepasselijke harmonisatieregels wanneer een terrein volledig door Unierecht is geharmoniseerd. De verordening vormt volgens de advocaat-generaal een volledig geharmoniseerd kader voor de organisatie van officiële controles op levensmiddelen. De nationale meldplicht moet daarom worden beoordeeld aan artikel 9 lid 7 van die verordening. Vervolgens bespreekt de advocaat-generaal de betekenis van artikel 9 lid 7. Uit de tekst, de systematiek en de doelstellingen van de verordening leidt hij af dat voorafgaande melding van goederen uit een andere lidstaat slechts bij uitzondering mag worden verlangd.

LS&R 2404

Rb Amsterdam: journalistieke publicaties over Ozempic en Wegovy zijn verboden publieksreclame

Rechtbank Amsterdam 29 jun 2026,, LS&R 2404; ECLI:NL:RBAMS:2026:5160 ((DPG Media tegen het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport)), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/rb-amsterdam-journalistieke-publicaties-over-ozempic-en-wegovy-zijn-verboden-publieksreclame

Rb. Amsterdam 10 april 2026, RB 4035; LS&R 2404; ECLI:NL:RBAMS:2026:5160 (DPG Media tegen het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport).  In deze zaak tussen DPG Media B.V. [eiseres] en het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport [verweerder] staat de vraag centraal of [verweerder] aan [eiseres] terecht twee bestuurlijke boetes heeft opgelegd wegens publieksreclame voor de receptgeneesmiddelen Ozempic en Wegovy. Volgens [verweerder] bevatten een publicatie in Flair en een online artikel van De Stentor verboden publieksreclame voor receptgeneesmiddelen en was de verstrekte informatie bovendien niet in overeenstemming met de officiële productkenmerken van de geneesmiddelen. [eiseres] betoogt dat sprake is van journalistieke berichtgeving die bedoeld is om het publiek te informeren over een maatschappelijk relevant onderwerp en niet van reclame. Aanleiding voor de procedure vormden twee onderzoeken van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd naar een artikel in de zomereditie van Flair over Ozempic en een online publicatie van De Stentor over Ozempic en Wegovy. De inspectie stelde vast dat beide publicaties in strijd waren met artikel 85 Geneesmiddelenwet, dat publieksreclame voor receptgeneesmiddelen verbiedt, en met artikel 84 lid 2 Geneesmiddelenwet, omdat de verstrekte informatie niet overeenkwam met de samenvatting van de productkenmerken. [verweerder] legde daarop twee bestuurlijke boetes op van in totaal € 48.450, op grond van artikel 101 Geneesmiddelenwet en de Beleidsregels bestuurlijke boete Ministerie Volksgezondheid, Welzijn en Sport 2019, waarin normbedragen van € 150.000 per overtreding zijn vastgesteld. Hoewel de beleidsregels uitgaan van aanzienlijk hogere normbedragen, werden de boetes met 80% gematigd vanwege de persvrijheid en de vrijheid van meningsuiting. De rechtbank stelt voorop dat het begrip reclame voor geneesmiddelen ruim moet worden uitgelegd. Doorslaggevend is niet of een publicatie objectieve informatie bevat of vanuit journalistieke motieven is geschreven, maar of de boodschap kennelijk tot doel heeft het voorschrijven of gebruik van een geneesmiddel te bevorderen. De rechtbank verwijst daarbij naar de wettelijke definities van reclame en publieksreclame in de Geneesmiddelenwet en naar vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en het Hof van Justitie van de Europese Unie (Merckle) over het ruime reclamebegrip in het licht van Richtlijn 2001/83/EG. Ten aanzien van de Flair-publicatie oordeelt de rechtbank dat de gekozen invalshoek – drie vrouwen die vertellen hoeveel gewicht zij dankzij Ozempic verloren – en de prominente koppen als "Wondermiddel" en "Voor mij is het een WONDERMIDDEL" een duidelijk wervend karakter hebben. Hoewel ook wordt vermeld dat Ozempic oorspronkelijk is ontwikkeld voor diabetes en dat bijwerkingen kunnen optreden, overheerst volgens de rechtbank een vrijwel uitsluitend positieve presentatie van het middel. Dat [eiseres] stelt een maatschappelijk debat te hebben willen voeren, doet volgens de rechtbank niet af aan het effect dat de publicatie op lezers kan hebben. Ook het ontbreken van een commercieel belang bij de verkoop van Ozempic maakt niet dat geen sprake is van reclame.

LS&R 2312

Artikel door Cécile van der Heijden, Axon Lawyers.

Tussen patiëntveiligheid en algoritmische integriteit. De AI Act in klinisch onderzoek onder de MDR en IVDR


Artikel door Cécile van der Heijden; verschenen op AI-Forum. Klinisch onderzoek is essentieel voor het beschikbaar komen van nieuwe zorgvormen, zowel op productgebied (zowel medische hulpmiddelen als geneesmiddelen) als voor adoptie van nieuwe therapieën. AI speelt daarin een steeds belangrijkere rol in de vorm van bijvoorbeeld patiëntstratificatie (het indelen van patiënten in subgroepen op basis van relevante kenmerken) of als onderdeel van een medisch hulpmiddel dat onderzocht wordt in een studie.

Klinisch onderzoek draait traditioneel om veiligheid en prestaties van medische hulpmiddelen en geneesmiddelen. De AI Act (Verordening (EU) 2024/1689) ("AI Act") kijkt echter vanuit een totaal ander perspectief: algoritmes, bias en technische robuustheid. Waar de MDR en IVDR proefpersonen en de veiligheid en prestatie van het medisch hulpmiddel centraal stellen, richt de AI Act zich op datakwaliteit en modelvalidatie. Zodra een AI-systeem deel uitmaakt van een medisch hulpmiddel dat onderwerp van een klinisch onderzoek is of in klinisch onderzoek wordt ingezet, botsen die werelden.

LS&R 2201

Maskers Dieha Capital voldoen niet aan norm

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 26 jul 2023,, LS&R 2201; ECLI:NL:RBZWB:2023:5722 (Solmed Supplies/Dieha Capital), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/maskers-dieha-capital-voldoen-niet-aan-norm

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 26 juli 2023, LS&R 2201; ECLI:NL:RBZWB:2023:5722 (Solmed Supplies/Dieha Capital) In deze zaak oordeelt de rechtbank over mondmaskers die door Dieha Capital aan Solmed Supplies zijn geleverd. Deze zouden niet voldoen aan de EN 14683-norm. Solmed Supplies stelt dat hierdoor een wezenlijke tekortkoming in de nakoming bestaat, die ontbinding rechtvaardigt, wat Dieha Capital ontkent. Als Solmed Supplies ontbinding vordert, doet de rechtbank eerst een deskundigenbericht plaatsvinden. Uit dit bericht blijkt dat de mondmaskers niet voldoen aan de normen. Solmed Supplies vordert nog steeds ontbinding van de overeenkomsten tussen partijen en een schadevergoeding.

 

LS&R 2151

Richtlijn van toepassing op beide soorten geneesmiddelen

Hof van Justitie EU 19 jan 2023,, LS&R 2151; ecli:EU:C:2023:34 (Bundesrepublik Deutschland (Gouttes nasales)), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/richtlijn-van-toepassing-op-beide-soorten-geneesmiddelen

Hof van Justitie van de Europese Unie 19 januari 2023, LS&R 2151; ECLI:EU:C:2023:34 (L. GmbH en H. Ltd tegen Bundesrepublik Deutschland) De Duitse autoriteiten vereisen een vergunning voor neusdruppels als geneesmiddel. Het Bundesverwaltungsgericht vroeg het Hof van Justitie van de EU om uitspraak over de interpretatie van Europese richtlijnen voor medische hulpmiddelen en geneesmiddelen. Richtlijn 2001/83 is van toepassing op beide soorten geneesmiddelen. Een product wordt alleen als "medisch hulpmiddel" beschouwd als de hoofdbedoeling niet door farmacologische middelen wordt bereikt, maar de fabrikant moet dit aantonen. Artikel 2, lid 2 van richtlijn 2001/83 geldt voor beide "geneesmiddelen naar werking" en "geneesmiddelen naar aandiening." Een product waarvan het voornaamste werkingsmechanisme niet bekend is, kan niet als "medisch hulpmiddel" of "geneesmiddel" worden beschouwd.

LS&R 2057

Uitspraak ingezonden door Rogier de Vrey, CMS.

Slaafse nabootsing van medische hulpmiddelen toegewezen

Hof Den Haag 29 mrt 2022,, LS&R 2057; ECLI:NL:RBOT:2020:3961 (Fengh tegen Johnson & Johnson), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/slaafse-nabootsing-van-medische-hulpmiddelen-toegewezen

Hof Den Haag 29 maart 2022, IEF 20671, LS&R 2057; ECLI:NL:RBOT:2020:3961 (Fengh tegen Johnson & Johnson) Zie [IEF 19159]. Deze zaak gaat over de vraag of Fengh producten van Johnson & Johnson slaafs heeft nagebootst en daarnaast over de vraag of het door Fengh aanbieden van haar producten voor gebruik in combinatie met producten van Johnson & Johnson in strijd was met toepasselijke wet- en regelgeving over medische hulpmiddelen. Het hof oordeelt in dit arrest dat beide vragen bevestigend moeten worden beantwoord. Fengh is veroordeeld tot het betalen van schadevergoeding voor financiële schade en reputatieschade.