LS&R 2406
30 juni 2026
Uitspraak

HvJ EU: misleidende voedselinformatie kan ook onder Richtlijn oneerlijke handelspraktijken vallen

 
LS&R 2405
30 juni 2026
Uitspraak

CBb: intrekking azolenprotocol is geen besluit in de zin van de Awb

 
LS&R 2404
28 juni 2026
Uitspraak

Rb Amsterdam: journalistieke publicaties over Ozempic en Wegovy zijn verboden publieksreclame

 
LS&R 2406

HvJ EU: misleidende voedselinformatie kan ook onder Richtlijn oneerlijke handelspraktijken vallen

Hof van Justitie EU 30 jun 2026,, LS&R 2406; ECLI:EU:C:2026:357 (Lidl tegen AGCM), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/hvj-eu-misleidende-voedselinformatie-kan-ook-onder-richtlijn-oneerlijke-handelspraktijken-vallen

HvJ EU 30 april 2026, RB 4038; LS&R 2406; ECLI:EU:C:2026:357 (Lidl tegen AGCM). In deze zaak tussen Lidl Italia en de Italiaanse mededingings- en consumentenautoriteit (AGCM) staat de vraag centraal of een handelaar voor een misleidende voedselinformatiepraktijk zowel kan worden aangesproken op grond van de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken (Richtlijn 2005/29/EG) als op grond van Verordening (EU) nr. 1169/2011 betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan consumenten. Het Hof oordeelt dat beide regelingen naast elkaar kunnen worden toegepast, omdat zij elkaar aanvullen en niet met elkaar in conflict zijn. Aanleiding voor het geschil vormt een bestuurlijke boete van € 1 miljoen die de AGCM aan Lidl Italia heeft opgelegd wegens de verkoop van verschillende pastaproducten. Op de verpakking werd de Italiaanse herkomst van de pasta benadrukt en vermeld dat de tarwe in Italië was gemalen, terwijl de gebruikte durumtarwe afkomstig was uit een mengsel van tarwe uit de EU en van buiten de EU. Volgens de AGCM kon de verpakking bij consumenten de indruk wekken dat ook de grondstof volledig van Italiaanse oorsprong was. Omdat de buitenlandse herkomst van de gebruikte tarwe niet op een vergelijkbare wijze onder de aandacht werd gebracht, achtte de AGCM de verstrekte informatie onvolledig en misleidend ten aanzien van een wezenlijk kenmerk van het product, namelijk de herkomst van de grondstof. Bij de vaststelling van de boete woog de AGCM mee dat miljoenen verpakkingen waren verkocht en dat de praktijk meerdere jaren had voortgeduurd. Lidl betoogt dat uitsluitend Verordening (EU) nr. 1169/2011 van toepassing is op voedselinformatie en dat daarom geen sanctie mocht worden opgelegd op grond van de nationale regels waarmee de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken is omgezet. De verwijzende rechter vraagt het Hof daarom of artikel 3, lid 4, van de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken eraan in de weg staat dat dezelfde gedraging onder beide regelingen wordt gesanctioneerd. Het Hof stelt voorop dat de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken een algemene regeling bevat voor oneerlijke handelspraktijken die rechtstreeks verband houden met de verkoop en promotie van producten aan consumenten. Misleidende handelspraktijken omvatten onder meer situaties waarin de gemiddelde consument door de presentatie van informatie wordt misleid over essentiële kenmerken van een product, zoals de samenstelling of geografische herkomst, en daardoor een aankoopbeslissing neemt die hij anders niet zou hebben genomen.

LS&R 2405

CBb: intrekking azolenprotocol is geen besluit in de zin van de Awb

College van Beroep voor het Bedrijfsleven 30 jun 2026,, LS&R 2405; ECLI:NL:CBB:2026:200 (vereniging tegen Ctgb), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/cbb-intrekking-azolenprotocol-is-geen-besluit-in-de-zin-van-de-awb

CBb 6 mei 2026, LS&R 2405; ECLI:NL:CBB:2026:200 (vereniging tegen Ctgb). In deze zaak tussen Vereniging [naam] en het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) staat de vraag centraal of het besluit van het Ctgb om het zogenoemde azolenprotocol in te trekken een besluit is in de zin van artikel Artikel 1:3 Algemene wet bestuursrecht waartegen bezwaar en beroep openstaan. Het College oordeelt dat dit niet het geval is, omdat de intrekking van het protocol zelf geen rechtsgevolg heeft. Het Ctgb had in 2021 het azolenprotocol verbonden aan de wettelijke gebruiksvoorschriften van gewasbeschermingsmiddelen op basis van azolen voor de bloembollen- en bloemknollenteelt. Het protocol bevatte voorschriften voor de opslag en verwerking van organisch restmateriaal om te voorkomen dat de schimmel Aspergillus fumigatus resistent zou worden tegen azolen. De naleving van het protocol was een voorwaarde voor het gebruik van de betrokken gewasbeschermingsmiddelen. In 2023 trok het Ctgb het protocol in, omdat uit onderzoek was gebleken dat het onvoldoende bijdroeg aan het voorkomen of beperken van azolenresistentie, een wereldwijd probleem waarvoor een bredere aanpak noodzakelijk is. Daarbij speelde voor het Ctgb mede dat de voorschriften uit het protocol in de praktijk onvoldoende handhaafbaar bleken. Tegelijkertijd wijzigde het Ctgb de wettelijke gebruiksvoorschriften van de betrokken gewasbeschermingsmiddelen door de verwijzing naar het protocol te verwijderen. De vereniging maakte bezwaar tegen de intrekking van het azolenprotocol. Volgens haar is het protocol een concretiserend besluit van algemene strekking (CBAS), omdat het de zorgplicht voor de verwerking van organisch restmateriaal nader invult. Daarnaast voert zij aan dat het intrekken van het protocol aanzienlijke gevolgen heeft voor milieu en volksgezondheid en daarom onder meer in het licht van het Verdrag van Aarhus niet zonder uitgebreide voorbereidingsprocedure had mogen plaatsvinden. Ook verzoekt zij het College prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie over de kwalificatie van het protocol als CBAS.

LS&R 2404

Rb Amsterdam: journalistieke publicaties over Ozempic en Wegovy zijn verboden publieksreclame

Rechtbank Amsterdam 29 jun 2026,, LS&R 2404; ECLI:NL:RBAMS:2026:5160 ((DPG Media tegen het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport)), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/rb-amsterdam-journalistieke-publicaties-over-ozempic-en-wegovy-zijn-verboden-publieksreclame

Rb. Amsterdam 10 april 2026, RB 4035; LS&R 2404; ECLI:NL:RBAMS:2026:5160 (DPG Media tegen het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport).  In deze zaak tussen DPG Media B.V. [eiseres] en het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport [verweerder] staat de vraag centraal of [verweerder] aan [eiseres] terecht twee bestuurlijke boetes heeft opgelegd wegens publieksreclame voor de receptgeneesmiddelen Ozempic en Wegovy. Volgens [verweerder] bevatten een publicatie in Flair en een online artikel van De Stentor verboden publieksreclame voor receptgeneesmiddelen en was de verstrekte informatie bovendien niet in overeenstemming met de officiële productkenmerken van de geneesmiddelen. [eiseres] betoogt dat sprake is van journalistieke berichtgeving die bedoeld is om het publiek te informeren over een maatschappelijk relevant onderwerp en niet van reclame. Aanleiding voor de procedure vormden twee onderzoeken van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd naar een artikel in de zomereditie van Flair over Ozempic en een online publicatie van De Stentor over Ozempic en Wegovy. De inspectie stelde vast dat beide publicaties in strijd waren met artikel 85 Geneesmiddelenwet, dat publieksreclame voor receptgeneesmiddelen verbiedt, en met artikel 84 lid 2 Geneesmiddelenwet, omdat de verstrekte informatie niet overeenkwam met de samenvatting van de productkenmerken. [verweerder] legde daarop twee bestuurlijke boetes op van in totaal € 48.450, op grond van artikel 101 Geneesmiddelenwet en de Beleidsregels bestuurlijke boete Ministerie Volksgezondheid, Welzijn en Sport 2019, waarin normbedragen van € 150.000 per overtreding zijn vastgesteld. Hoewel de beleidsregels uitgaan van aanzienlijk hogere normbedragen, werden de boetes met 80% gematigd vanwege de persvrijheid en de vrijheid van meningsuiting. De rechtbank stelt voorop dat het begrip reclame voor geneesmiddelen ruim moet worden uitgelegd. Doorslaggevend is niet of een publicatie objectieve informatie bevat of vanuit journalistieke motieven is geschreven, maar of de boodschap kennelijk tot doel heeft het voorschrijven of gebruik van een geneesmiddel te bevorderen. De rechtbank verwijst daarbij naar de wettelijke definities van reclame en publieksreclame in de Geneesmiddelenwet en naar vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en het Hof van Justitie van de Europese Unie (Merckle) over het ruime reclamebegrip in het licht van Richtlijn 2001/83/EG. Ten aanzien van de Flair-publicatie oordeelt de rechtbank dat de gekozen invalshoek – drie vrouwen die vertellen hoeveel gewicht zij dankzij Ozempic verloren – en de prominente koppen als "Wondermiddel" en "Voor mij is het een WONDERMIDDEL" een duidelijk wervend karakter hebben. Hoewel ook wordt vermeld dat Ozempic oorspronkelijk is ontwikkeld voor diabetes en dat bijwerkingen kunnen optreden, overheerst volgens de rechtbank een vrijwel uitsluitend positieve presentatie van het middel. Dat [eiseres] stelt een maatschappelijk debat te hebben willen voeren, doet volgens de rechtbank niet af aan het effect dat de publicatie op lezers kan hebben. Ook het ontbreken van een commercieel belang bij de verkoop van Ozempic maakt niet dat geen sprake is van reclame.

LS&R 2403

CBb: verlenging toelating Gazelle toegestaan ondanks nog niet uitgevoerde TRT‑beoordeling bij bijen

College van Beroep voor het Bedrijfsleven 29 jun 2026,, LS&R 2403; ECLI:NL:CBB:2026:248 ((De Bijenstichting tegen het Ctgb)), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/cbb-verlenging-toelating-gazelle-toegestaan-ondanks-nog-niet-uitgevoerde-trt-beoordeling-bij-bijen

CBb 4 juni 2026, LS&R 2403; ECLI:NL:CBB: 2026:248 (De Bijenstichting tegen het Ctgb). In deze zaak tussen De Bijenstichting en het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) staat de vraag centraal of het Ctgb de toelating van het gewasbeschermingsmiddel Gazelle mocht verlengen zonder een afzonderlijke beoordeling uit te voeren van de zogenoemde time-reinforced toxicity (TRT) voor bijen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om schorsing van het verlengingsbesluit af, omdat het Ctgb op dit moment voldoende heeft gemotiveerd waarom een TRT-beoordeling nog niet kon worden uitgevoerd. Daarbij benadrukt de voorzieningenrechter dat de voorlopige‑voorzieningenprocedure zich naar haar aard niet leent voor een integrale beoordeling van de rechtmatigheid van de inhoudelijk complexe toelatingsbesluiten en dat slechts wordt ingegrepen indien, zonder diepgaand onderzoek, ernstig moet worden betwijfeld dat het besluit in bezwaar in stand zal blijven. De Bijenstichting maakte bezwaar tegen de verlenging van de toelating van Gazelle, een gewasbeschermingsmiddel met als werkzame stof acetamiprid, en tegen enkele procedurele verlengingen van daaraan gekoppelde parallelle handelsvergunningen. Volgens De Bijenstichting had het Ctgb de toelating niet mogen verlengen, omdat uit recente wetenschappelijke inzichten volgt dat acetamiprid bij bijen kan leiden tot time-reinforced toxicity: een schadelijk effect dat toeneemt naarmate de blootstelling langer duurt. De European Food Safety Authority (EFSA) heeft hiervoor in 2023 een nieuw richtsnoer opgesteld, waarin een TRT-beoordeling is opgenomen en waarvoor een rekentool beschikbaar is gesteld. Nu het Ctgb deze beoordeling niet had uitgevoerd, zou volgens De Bijenstichting niet zijn voldaan aan de eisen van Verordening (EG) nr. 1107/2009 (de Gewasbeschermingsverordening), in het bijzonder de artikelen 4, 29 en 43. Daarbij wees zij op rechtspraak van het Hof van Justitie waaruit volgt dat nationale autoriteiten hun beoordeling moeten baseren op de meest actuele en betrouwbare wetenschappelijke en technische kennis. Het Ctgb voerde aan dat bij de beoordeling van de verlenging wel degelijk gebruik is gemaakt van de meest actuele wetenschappelijke kennis voor zover deze op dit moment betrouwbaar kan worden toegepast. De chronische toxiciteit voor bijen is beoordeeld aan de hand van de bestaande Europese richtsnoeren uit 2002 en – voor zover mogelijk – 2013. Het nieuwe EFSA-richtsnoer uit 2023 is echter nog niet geïmplementeerd en de daarbij ontwikkelde TRT-rekentool bevindt zich nog in een bètaversie. Volgens het Ctgb kan op basis van deze onvoltooide rekentool nog geen betrouwbare risicobeoordeling worden uitgevoerd.

LS&R 2337

Volg deLex op LinkedIn

Volg onze LinkedIn-pagina’s om volledig op de hoogte te blijven van alles wat binnen ons vakgebied én bij onze activiteiten speelt.

Via de LinkedIn-pagina Uitgeverij deLex blijft u op de hoogte van de belangrijkste ontwikkelingen op het gebied van IE-, IT- en privacyrecht. Via deze pagina ontvangt u vakinhoudelijke updates over onder meer IE-, IT-, privacy- en mediarecht, inclusief nieuws rond publicaties, jurisprudentie en relevante ontwikkelingen voor de praktijk.

Via de LinkedIn-pagina IE-Forum volgt u actuele ontwikkelingen binnen het intellectuele-eigendomsrecht, waaronder rechtspraak, wetgeving, beleidsontwikkelingen en relevante signaleringen uit de IE-praktijk. Daarnaast vindt u hier bijdragen, nieuwsberichten en updates die van direct belang zijn voor professionals die het IE-recht op de voet volgen.

Op de LinkedIn-pagina deLex Media informeren wij u over nieuwe en actuele cursussen en congressen, recente en aankomende publicaties, en overige vakinhoudelijke activiteiten die voor uw praktijk van belang kunnen zijn. Daarnaast bieden wij een professioneel overzicht van onze evenementen en initiatieven, met tijdige aankondigingen zodat u relevante opleidings- en netwerkgelegenheden niet mist.

Bezoek onze pagina’s en kies voor ‘Volgen’ om onze berichten rechtstreeks in uw tijdlijn te ontvangen en onderdeel te worden van ons netwerk.

LS&R 2401

Rb Den Haag: thuiszorgorganisatie moet € 2,7 miljoen aan declaraties terugbetalen wegens ontbrekende indicaties

Rechtbank Den Haag 25 mrt 2026,, LS&R 2401; ECLI:NLRBDHA:2026:6710 ((Zilveren Kruis c.s. tegen Novum-Plus)), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/rb-den-haag-thuiszorgorganisatie-moet-2-7-miljoen-aan-declaraties-terugbetalen-wegens-ontbrekende-indicaties

Rb. Den Haag 25 maart 2026, LS&R 2401; ECLI:NLRBDHA:2026:6710 (Zilveren Kruis c.s. tegen Novum-Plus). In deze zaak tussen Zilveren Kruis c.s. en Novum-Plus staat de vraag centraal of zorgverzekeraars miljoenen euro's aan declaraties voor wijkverpleging mogen terugvorderen nadat uit een materiële controle en een daaropvolgend fraudeonderzoek is gebleken dat de thuiszorgorganisatie niet kon aantonen dat vooraf geldige indicaties waren gesteld. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend. Ook de reconventionele vorderingen van Novum-Plus, die zijn gebaseerd op vermeend onrechtmatig handelen van de zorgverzekeraars en op nietigheid van een overeengekomen cliëntenstop, worden afgewezen. Novum-Plus verleende thuiszorg aan verzekerden van Zilveren Kruis c.s. Op grond van tussen partijen gesloten overeenkomsten over de jaren 2018 tot en met 2022 mocht Novum-Plus de geleverde zorg rechtstreeks bij de zorgverzekeraars declareren. In die overeenkomsten is onder meer bepaald dat een indicatie voor wijkverpleging voorafgaand aan de zorgverlening moet worden gesteld door een verpleegkundig specialist of hbo-verpleegkundige. Ook moet vooraf een zorgplan worden opgesteld, waarin de aard, omvang en duur van de zorg zijn vastgelegd. Zorg waarvoor geen wettelijke aanspraak bestaat, komt niet voor vergoeding in aanmerking. Nadat eerder al een geschil had gespeeld over declaraties uit de periode 2014-2017, startte Zilveren Kruis c.s. in 2021 een materiële controle naar de jaren 2018 en 2019. Vanwege de bevindingen werd het onderzoek later omgezet in een fraudeonderzoek. Tijdens dat onderzoek sloten partijen nog wel een overeenkomst voor 2022, maar daarbij werd afgesproken dat Novum-Plus geen nieuwe cliënten zou aannemen totdat het fraudeonderzoek was afgerond. Daarnaast werd overeengekomen dat de overeenkomst kon worden beëindigd indien meer dan 5% onrechtmatigheid zou worden vastgesteld. In november 2022 legde Zilveren Kruis c.s. een betaalstop op en bood zij Novum-Plus geen overeenkomst voor 2023 aan. In mei 2024 volgden de definitieve bevindingen van het fraudeonderzoek. Volgens Zilveren Kruis c.s. ontbraken de vereiste indicaties, ontbrak een controleerbare audit trail, kon de feitelijke levering van zorg niet worden vastgesteld en voldeed Novum-Plus niet aan de contractuele en wettelijke vereisten. Op grond daarvan vorderde Zilveren Kruis c.s. terugbetaling van ruim € 2,7 miljoen aan declaraties over de periode 2018 tot en met maart 2022 en ruim € 200.000 wegens declaraties die ondanks de cliëntenstop waren ingediend. De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat wijkverpleging alleen voor vergoeding in aanmerking komt indien vooraf een geldige indicatie is gesteld. Uit de overeenkomsten volgt volgens de rechtbank duidelijk dat de indicatie vóór aanvang van de zorg moet worden opgesteld, behoudens spoedgevallen. Het zorgplan vormt daarbij een essentieel onderdeel van de indicatie en de grondslag voor de te leveren en te declareren zorg. Zilveren Kruis c.s. heeft aangevoerd dat in vrijwel geen van de onderzochte dossiers een vooraf opgestelde indicatie aanwezig was. Wel trof zij indicaties aan in het digitale systeem van Novum-Plus, maar uit logbestanden bleek dat deze pas waren ingevoerd nadat de materiële controle was aangekondigd. Novum-Plus heeft erkend dat zij indicaties aanvankelijk op papier opstelde en deze pas later in het systeem invoerde. De originele papieren indicaties waren echter niet meer beschikbaar, omdat deze volgens Novum-Plus waren weggegooid. Volgens de rechtbank heeft Novum-Plus daarmee niet voldaan aan essentiële verplichtingen uit de overeenkomsten. Omdat de papieren indicaties ontbreken, kan niet meer worden gecontroleerd of de gedeclareerde zorg daadwerkelijk is geleverd op basis van vooraf en overeenkomstig de geldende regels opgestelde indicaties. Dat rekent de rechtbank Novum-Plus zwaar aan, omdat een voorafgaande indicatie een essentieel onderdeel vormt van het systeem van thuiszorgverlening en zorgverzekering. Daarbij komt dat Zilveren Kruis c.s. wegens andere tekortkomingen, waaronder gebrekkige administratie over planning en inzet van zorgverleners, ook geen sluitende koppeling kon maken tussen de gedeclareerde zorg en de onderliggende administratie.

LS&R 2402

Artikel geschreven door Ilona Kuipers, ICTRecht.

Van Wegiz tot Wet GIS: de Nederlandse invulling van de EHDS

Ilona Kuipers, 17 juni 2026.

In februari schreven we al in een blog over de hoofdlijnen van de implementatie van de European Health Data Space verordening (EHDS) met als doel het beter beschikbaar maken van gezondheidsgegevens. Sindsdien is er veel gebeurd en met de kamerbrief van 18 mei 2026 worden eerder aangekondigde keuzes geconcretiseerd. Daarnaast zijn de eerste conceptstukken van de bijbehorende uitvoeringswet inmiddels beschikbaar gemaakt: het wetsvoorstel Wet op het gezondheidsinformatiestelsel (Wet GIS) en de bijbehorende Memorie van Toelichting.[1]

Daarmee geeft de wetgever, na een lange tijd onduidelijkheid, een beeld van hoe Nederland de EHDS juridisch gaat inrichten. De uitvoering van de EHDS gaat in tranches plaatsvinden, waarbij de eerste tranche, de wet GIS, zich richt op het fundament van het stelsel, zoals het aanwijzen van de instanties die worden belast met taken op grond van de EHDS. De inhoudelijke bepalingen rond primair gebruik, secundair gebruik en EPD-systemen komen pas in de tweede tranche aan de orde. In dit blog lichten wij de huidige stand van zaken toe en gaan we in op de gemaakte keuzes in de wet GIS.

De wet GIS

De wetgever heeft ervoor gekozen om de nationale wetgeving in tranches te wijzigen met meerdere wetsvoorstellen die gezamenlijk de Stelselwet gegevensverwerking in de zorg gaan vormen. De wet GIS geeft als eerste tranche uitvoering aan de bepalingen uit de EHDS voor zover die per 26 maart 2027 van toepassing worden. Deze bepalingen zien op de aanwijzing van de instanties die belast zijn met uitvoeringstaken en het toezicht- en handhavingskader. Ook wordt in de Wet GIS een aanpassing van de Wet elektronische gegevensuitwisseling in de zorg (Wegiz) voorgesteld, namelijk op het gebied van de conformiteitsbeoordeling.[2]

De internetconsultatie ter voorbereiding op de Wet GIS is gestart op 28 mei 2026 en sluit op 8 juli 2026. Of je nu zorgaanbieder, patiënt(organisatie), EPD-leverancier, onderzoeker of anderszins betrokken bent: dit is hét moment om van je te laten horen. Reageren kan via internetconsultatie.nl.

LS&R 2400

P-G: schending informatieplicht leidt niet tot aansprakelijkheid Sint Maartenskliniek

Hoge Raad 12 jun 2026,, LS&R 2400; ECLI:NL:PHR:2026:575 (([de patiënt] tegen Sint Maartenskliniek)), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/p-g-schending-informatieplicht-leidt-niet-tot-aansprakelijkheid-sint-maartenskliniek

HR 12 juni 2026, LS&R 2400; ECLI:NL:PHR:2026:575 ([de patiënt] tegen Sint Maartenskliniek). In deze zaak tussen [de patiënt] en de Sint Maartenskliniek staat de vraag centraal of een ziekenhuis aansprakelijk is voor de schade die een patiënt heeft geleden na een rugoperatie, wanneer vaststaat dat het ziekenhuis zijn informatieplicht heeft geschonden maar onzeker is of de patiënt bij volledige voorlichting van de operatie zou hebben afgezien. De procureur-generaal concludeert dat het cassatieberoep van [de patiënt] moet worden verworpen. [de patiënt] werd in 2013 wegens ernstige rugklachten verwezen naar de Sint Maartenskliniek. Op 27 november 2013 onderging hij daar een operatie. Tijdens die ingreep trad een complicatie op, waardoor een incomplete dwarslaesie ontstond. Daarna volgden nog twee operaties. Als gevolg van de eerste operatie liep [de patiënt] een partiële dwarslaesie op en raakte hij rolstoelgebonden. In de civiele procedure vorderde [de patiënt] een verklaring voor recht dat de Sint Maartenskliniek aansprakelijk is voor zijn schade. Daarbij voerde hij onder meer aan dat de kliniek hem voorafgaand aan de operatie onvoldoende had geïnformeerd over de aard van de ingreep, de daaraan verbonden risico's en mogelijke alternatieven. Het hof stelde vast dat de Sint Maartenskliniek inderdaad haar informatieplicht uit de WGBO (afdeling geneeskundige behandelingsovereenkomst in het Burgerlijk Wetboek, waaronder Artikel 7:448 BW over de informatieverstrekking door de hulpverlener) had geschonden. Daarmee stond echter nog niet vast dat de kliniek ook aansprakelijk was voor alle schade die [de patiënt] had geleden. Doorslaggevend is immers of voldoende aannemelijk is dat de patiënt bij een behoorlijke voorlichting van de behandeling zou hebben afgezien. Het hof heeft bij die beoordeling aansluiting gezocht bij de maatstaf van de redelijk handelend patiënt. Daarbij zijn onder meer de ernst van de klachten, de kans op herstel zonder operatie, de alternatieve behandelmethoden en de risico's van de ingreep betrokken. Het hof kwam tot het oordeel dat een redelijk handelend patiënt in de positie van [de patiënt] ook bij volledige voorlichting voor de operatie zou hebben gekozen.

LS&R 2399

Morgen is het zover: WK & Recht in Amsterdam.

Na de winst van Oranje afgelopen zaterdag zijn er meer ogen gericht op het WK dan ooit tevoren. De spanning loopt op, de oranje merchandise ligt al in de schappen en merken staan klaar om mee te juichen.

Bij WK & Recht kijken we naar de juridische kant van al die Oranjekoorts. Van privacy in stadions en gezichtsherkenning tot wedstrijddata, sponsoring, licenties en WK-campagnes: het toernooi leeft ook buiten het veld.

Onder leiding van Sabin Tigu bespreken we dit met Eliëtte Vaal, Lars Boer, Tim Wilms, Dolf Segaar, Bram Bogaerts en Hans Schakel.

Dinsdag 23 juni 2026 | Buro de Pijp, Amsterdam
Meer informatie en aanmelden: https://www.delex.nl/shop/opleidingen/wk-recht-dinsdag-23-juni-2026

LS&R 2398

GLB-ecoregeling: minister mag teledetectie gebruiken bij controle groene braak, beroep landbouwer ongegrond

College van Beroep voor het Bedrijfsleven 7 okt 2025,, LS&R 2398; ECLI:NL:CBB:2025:543 (([naam] tegen de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur)), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/glb-ecoregeling-minister-mag-teledetectie-gebruiken-bij-controle-groene-braak-beroep-landbouwer-ongegrond

CBB 7 oktober 2025, LS&R 2398; ECLI:NL:CBB:2025:543 ([naam] tegen de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur). Het College van Beroep voor het bedrijfsleven heeft geoordeeld dat de minister bij de controle van percelen in het kader van de eco-regeling van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) gebruik mag maken van verschillende soorten beeldmateriaal, waaronder luchtfoto's, satellietbeelden en teledetectiebeelden. Als een landbouwer van mening is dat dit beeldmateriaal voor meerdere uitleg vatbaar is, ligt het op zijn weg aannemelijk te maken dat zijn interpretatie juist is. In deze zaak slaagde de landbouwer daar niet in, zodat de minister terecht geen punten had toegekend voor de eco-activiteit "groene braak, spontane opkomst" op één van zijn percelen. Met zijn Gecombineerde opgave over 2023 had de landbouwer aanspraak gemaakt op de eco-regeling op het niveau van het goudtarief van € 200 per hectare. De minister kende echter slechts het zilvertarief van € 100 per hectare toe. Aanleiding daarvoor was dat voor perceel 11, met een oppervlakte van 0,7823 hectare, geen punten werden toegekend voor de opgegeven eco-activiteit "groene braak, spontane opkomst" (gewascode 6794). Volgens de minister voldeed het perceel niet aan de voorwaarde dat het in de periode van 31 mei tot en met 31 augustus voor minimaal 80% uit het aangegeven gewas moest bestaan. Deze eis volgt uit de nationale invulling van de eco‑regeling in de Uitvoeringsregeling GLB 2023, waarin voor de eco‑activiteit ‘groene braak’ is voorgeschreven dat in die periode de oppervlakte voor minimaal 80% met het opgegeven gewas bedekt moet zijn. De landbouwer stelde zich op het standpunt dat wel degelijk aan deze voorwaarde was voldaan. Volgens hem was perceel 11 vergelijkbaar met het naastgelegen perceel 160, waarvoor de eco-activiteit wel was goedgekeurd. Dat op satellietbeelden in juli 2023 een bruine verkleuring zichtbaar was, kwam volgens hem doordat het gewas als gevolg van droogte aan de bovenzijde was verdord. Dat betekende niet dat het gewas was verdwenen. Verder voerde hij aan dat de minister pas in bezwaar het gebruikte beeldmateriaal had overgelegd en uitsluitend op teledetectiebeelden was afgegaan. De minister bracht daartegen in dat de regeling vereist dat gedurende de gehele periode van 31 mei tot en met 31 augustus sprake is van minimaal 80% bedekking met een levend gewas. Daarbij maakte de minister gebruik van verschillende soorten beeldmateriaal, waaronder luchtfoto's, satellietbeelden en zogenoemde "near infrared"-beelden voor teledetectie. Op deze laatste beelden wijst een rode kleur op aanwezigheid van bladgroen, terwijl een groene kleur juist duidt op weinig of geen bladgroen.