LS&R 2355
5 maart 2026
Uitspraak

RvS: Ctgb moet samenstelling Captan-middel openbaar maken wegens emissie-uitzondering (Wob)

 
LS&R 2354
5 maart 2026
Uitspraak

Feitelijke leiding bij onjuist gebruik van gewasbeschermingsmiddel Vydate

 
LS&R 2353
4 maart 2026
Uitspraak

Illegale verhandeling van D‑carvone als gewasbeschermingsmiddel: kwalificatie als gewasbeschermingsmiddel en verwerping van het verweer in cassatie

 
LS&R 2355

RvS: Ctgb moet samenstelling Captan-middel openbaar maken wegens emissie-uitzondering (Wob)

Raad van State 4 mrt 2026, LS&R 2355; ECLI:NL:RVS:2026:1191 ([appellante] tegen Ctgb), https://lsenr.nl/artikelen/rvs-ctgb-moet-samenstelling-captan-middel-openbaar-maken-wegens-emissie-uitzondering-wob

RvS 4 maart 2026, LS&R 2355; ECLI:NL:RVS:2026:1191 ([appellante] tegen Ctgb). In deze zaak vroeg een bedrijf het Ctgb op grond van de Wob om stukken over het schimmelbestrijdingsmiddel VSM Captan 80 WG (toelatingsnummer 15585), waaronder de aanvraag/dossierstukken, de documenten waarop de vergunning (parallelhandelsvergunning) is gebaseerd en de vergunning met voorschriften. Het Ctgb vond zes documenten en maakte die deels openbaar, maar lakte in documenten 4 en 5 onder meer gegevens weg over (oorspronkelijk) fabrikanten/productielocaties en vooral de specifieke stoffen naast de werkzame stof en de exacte gehalten (de samenstelling). Omdat het besluit op bezwaar van 26 oktober 2021 dateert, is de Wob van toepassing (niet de Woo). De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep gegrond omdat het Ctgb in beroep een andere weigeringsgrond aanvoerde, maar liet de rechtsgevolgen in stand: de weggelakte passages zouden (milieu-)informatie bevatten die als bedrijfs- en fabricagegegevens kon worden geweigerd na belangenafweging.

LS&R 2354

Feitelijke leiding bij onjuist gebruik van gewasbeschermingsmiddel Vydate

Rechtbank Amsterdam 6 nov 2025, LS&R 2354; ECLI:NL:RBAMS:2025:10924 ([verdachte]), https://lsenr.nl/artikelen/feitelijke-leiding-bij-onjuist-gebruik-van-gewasbeschermingsmiddel-vydate

Rb Amsterdam 6 november 2025, LS&R 2354; ECLI:NL:RBAMS:2025:10924 ([verdachte]). De zaak betreft een verdachte die als feitelijk leidinggevende van twee orchideeënkwekerijen ([bedrijf 1] en [bedrijf 2]) gewasbeschermingsmiddel Vydate 10G heeft laten toepassen in strijd met de gebruiksvoorschriften en als feitelijk leidinggevende van een derde vennootschap ([bedrijf 3]) verboden gewasbeschermingsmiddelen op voorraad heeft laten houden. De bedrijven kweekten vlinderorchideeën en bestreden potworm door Vydate te mengen met bulgur en dit mengsel wekelijks, gedurende ruim twee jaar, ná het oppotten over de planten/potten te strooien, terwijl het middel volgens de toelating uitsluitend als potgrondbehandeling vóór het oppotten mocht worden gebruikt. De dagvaarding hield voor feit 1 in dat [bedrijf 1] en [bedrijf 2] in de periode 1 september 2020 tot en met 16 september 2022 opzettelijk in strijd met artikel 55 Verordening (EG) 1107/2009 hebben gehandeld door Vydate 10G niet op juiste wijze te gebruiken, terwijl verdachte daaraan feitelijk leiding gaf; feit 2 hield in dat [bedrijf 3] op 16 september 2022 zeven flacons Input 460 EC en twee (aangebroken) flacons Match 12821N, niet in Nederland toegelaten middelen, op voorraad had, eveneens onder feitelijke leiding van verdachte. De verdediging voerde onder meer aan dat de dagvaarding voor feit 1 nietig was wegens onvoldoende verfeitelijking, dat geen opzet aanwezig was, dat het gebruik al eind 2021 zou zijn gestaakt, en dat feit 1 niet naar artikel 55 van de Verordening was ingericht en materiële wederrechtelijkheid ontbrak; voor feit 2 is geen inhoudelijk bewijsverweer gevoerd. De officier van justitie achtte beide feiten bewezen en vorderde een taakstraf van 40 uur voor feit 1 en een geldboete van 500 euro voor feit 2.

LS&R 2353

Illegale verhandeling van D‑carvone als gewasbeschermingsmiddel: kwalificatie als gewasbeschermingsmiddel en verwerping van het verweer in cassatie

Hoge Raad 10 feb 2026, LS&R 2353; ECLI:NL:HR:2026:223 https://lsenr.nl/artikelen/illegale-verhandeling-van-d-carvone-als-gewasbeschermingsmiddel-kwalificatie-als-gewasbeschermingsmiddel-en-verwerping-van-het-verweer-in-cassatie

HR 10 februari 2026, LS&R 2353; ECLI:NL:HR:2026:223. De zaak betreft een bestuurder van een rechtspersoon die in Nederland een kiemremmingsmiddel voor pootaardappelen (met de stof D‑carvone) op de markt heeft gebracht, terwijl dit middel hier niet was toegelaten als gewasbeschermingsmiddel. Het middel werd onder een handelsnaam verhandeld en gepresenteerd met een gebruiksaanwijzing en etikettering die inhielden dat het diende ter bescherming van gewassen, waardoor het onder de definitie van een gewasbeschermingsmiddel van de Verordening (EG) nr. 1107/2009 viel. Het openbaar ministerie verweet de verdachte dat hij (als feitelijk leidinggever) opzettelijk en meermalen in strijd met de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden had gehandeld door een niet‑toegelaten gewasbeschermingsmiddel in de handel te brengen. In feitelijke instanties voerde de verdediging onder meer aan dat het product geen gewasbeschermingsmiddel zou zijn, dan wel dat een uitzondering of vrijstelling gold, en dat daarom geen sprake kon zijn van een strafbaar feit. De rechtbank heeft de feitenvaststelling en kwalificatie van het product als gewasbeschermingsmiddel gevolgd, het verweer verworpen, de verdachte schuldig bevonden aan het opzettelijk op de markt brengen van een niet‑toegelaten gewasbeschermingsmiddel en een straf (incl. geldboete) opgelegd.

LS&R 2352

Toelating gewasbeschermingsmiddel Wasan

College van Beroep voor het Bedrijfsleven 17 feb 2026, LS&R 2352; ECLI:NL:CBB:2026:58 (PAN tegen Ctgb en Sumitomo), https://lsenr.nl/artikelen/toelating-gewasbeschermingsmiddel-wasan

CBB 17 februari 2026, LS&R 2352; ECLI:NL:CBB:2026:58 (PAN tegen Ctgb en Sumitomo). In deze zaak beoordeelt het College van Beroep voor het bedrijfsleven het beroep van Stichting Pesticide Action Network Netherlands (PAN) tegen de toelating door het Ctgb van het gewasbeschermingsmiddel Wasan, op basis van de werkzame stof bromuconazool. Deze stof is op EU-niveau goedgekeurd, maar staat op de lijst van stoffen die voor vervanging in aanmerking komen (Verordening (EG) nr. 1107/2009). PAN voerde onder meer aan dat het Ctgb onvoldoende onderzoek had gedaan naar hormoonverstorende eigenschappen, relevante metabolieten (TDM’s) en cumulatieve effecten van pesticiden, en dat geen deugdelijke vergelijkende evaluatie met het middel Proline had plaatsgevonden. Het College oordeelt dat het Ctgb ten onrechte heeft aangenomen dat nieuwe wetenschappelijke inzichten over de werkzame stof uitsluitend bij de herbeoordeling van die stof hoeven te worden betrokken. Ook heeft het Ctgb onvoldoende gemotiveerd waarom geen nader onderzoek naar TDM’s nodig was en waarom van een volwaardige vergelijkende evaluatie kon worden afgezien. Deze motiveringsgebreken leveren strijd op met artikel 7:12 Awb.

LS&R 2350

Last onder dwangsom wegens aardappelteelt in verbodsgebied: geen boos opzet vereist en geen schending van het evenredigheidsbeginsel

College van Beroep voor het Bedrijfsleven 10 feb 2026, LS&R 2350; ECLI:NL:CBB:2026:48 (Maatschap [naam], te [woonplaats] tegen de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur), https://lsenr.nl/artikelen/last-onder-dwangsom-wegens-aardappelteelt-in-verbodsgebied-geen-boos-opzet-vereist-en-geen-schending-van-het-evenredigheidsbeginsel

Cbb 10 februari 2026, LS&R 2350; ECLI:NL:CBB:2026:48 (Maatschap [naam], te [woonplaats] tegen de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur). In deze zaak had Maatschap [naam], een akkerbouwbedrijf, beroep ingesteld tegen besluiten van de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur. Op 9 juni 2023 constateerde een toezichthouder van de NAK dat op twee percelen aardappelen werden geteeld terwijl deze percelen binnen een gebied vielen waarvoor een aardappelteeltverbod geldt (bijlage 8 van de Regeling plantgezondheid). De minister legde vervolgens op 22 juni 2023 een last onder dwangsom op om de teelt vóór 5 juli 2023 te beëindigen, met een dwangsom van € 500 per perceel per controle (maximaal € 1.500 per perceel). Hercontroles toonden echter aan dat de aardappelen bleven groeien. De minister vorderde daarom op 15 augustus 2023 twee dwangsommen van ieder € 1.000 en verklaarde bij besluit van 19 september 2023 het bezwaar van de maatschap tegen het dwangsombesluit ongegrond. Tegen deze besluiten stelde de maatschap beroep in bij het College. De maatschap voerde aan dat zij in de veronderstelling verkeerde de regels na te leven en niet wist dat de percelen binnen het verbodsgebied lagen, mede omdat een NAK-onderzoek geen waarschuwing daarover had gegeven; voorts stelde zij dat vernietiging van de pootaardappelen onevenredig was en dat minder ingrijpende maatregelen mogelijk waren.

LS&R 2337

Volg deLex op LinkedIn

Volg onze LinkedIn-pagina’s om volledig op de hoogte te blijven van alles wat binnen ons vakgebied én bij onze activiteiten speelt.

Via de LinkedIn-pagina Uitgeverij deLex blijft u op de hoogte van de belangrijkste ontwikkelingen op het gebied van IE-, IT- en privacyrecht. Via deze pagina ontvangt u vakinhoudelijke updates over onder meer IE-, IT-, privacy- en mediarecht, inclusief nieuws rond publicaties, jurisprudentie en relevante ontwikkelingen voor de praktijk.

Op de LinkedIn-pagina deLex Media informeren wij u over nieuwe en actuele cursussen en congressen, recente en aankomende publicaties, en overige vakinhoudelijke activiteiten die voor uw praktijk van belang kunnen zijn. Daarnaast bieden wij een professioneel overzicht van onze evenementen en initiatieven, met tijdige aankondigingen zodat u relevante opleidings- en netwerkgelegenheden niet mist.

Bezoek onze pagina’s en kies voor ‘Volgen’ om onze berichten rechtstreeks in uw tijdlijn te ontvangen en onderdeel te worden van ons netwerk.

LS&R 2351

Callistemon‑kwekerij en Meloidogyne enterolobii: rechtmatigheid en evenredigheid van maatregelen na vastgestelde besmetting

College van Beroep voor het Bedrijfsleven 17 feb 2026, LS&R 2351; ECLI:NL:CBB:2026:56 (([naam 1] Kwekerij B.V., te [woonplaats] ( [naam 1] ) tegen de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid)), https://lsenr.nl/artikelen/callistemon-kwekerij-en-meloidogyne-enterolobii-rechtmatigheid-en-evenredigheid-van-maatregelen-na-vastgestelde-besmetting

Cbb 17 februari 2026, LS&R 2351; ECLI:NL:CBB:2026:56 ([naam 1] Kwekerij B.V., te [woonplaats] ( [naam 1] ) tegen de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid)). De zaak betreft een kwekerij ([naam 1] Kwekerij B.V.) waar bij een op verzoek uitgevoerde exportinspectie van 252 Callistemon citrinus-planten, afkomstig uit een derde land, een verdenking is gerezen van besmetting met het EU‑quarantaineorganisme Meloidogyne enterolobii. De minister heeft die partij nog dezelfde dag mondeling “vastgelegd” en bij nader onderzoek is in wortelmonsters van de verwerkingsloods‑partij daadwerkelijk Meloidogyne enterolobii aangetroffen. Vervolgens heeft de minister (i) met een vastleggingsbesluit het verhandelen, verplaatsen, behandelen en vernietigen van de vastgelegde partij en het verpakkingsmateriaal verboden, (ii) met een maatregelenbesluit de vastgelegde partij besmet verklaard en alle overige wortelplanten op het bedrijf, waaronder een deel van dezelfde importpartij in de kas, aangesloten op hetzelfde watergeefsysteem, als waarschijnlijk besmet aangemerkt, met vernietigings- en saneringsmaatregelen en de verplichting tot een plan van aanpak, en (iii) met een aanvullend maatregelenbesluit toegestaan dat de waarschijnlijk besmette planten tien weken in quarantaine mochten worden gehouden in plaats van vernietigd. De kwekerij betoogt in bezwaar en beroep onder meer dat het onderzoek onzorgvuldig is, dat de kasplanten feitelijk niet in contact hebben gestaan met de besmette loods‑partij en ten onrechte tot “waarschijnlijk besmet” zijn verklaard, dat er onvoldoende wetenschappelijke basis is voor besmettingsrisico via drain- en irrigatiewater en dat een wateronderzoek van 10 liter kaswater geen aaltjes aantoonde. Daarnaast klaagt zij dat de minister haar niet actief heeft gewezen op het recht op een second opinion (tweede deskundige) op grond van artikel 35 Verordening 2017/625, dat een volledige hertest had moeten worden toegestaan, en dat de opgelegde maatregelen, inclusief de mogelijkheid van quarantaine en de duur daarvan, disproportioneel zijn en haar bedrijfsvoering onnodig hebben stilgelegd. In beroep verzoekt zij ook om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

LS&R 2349

Geen verplichting tot strenger PFAS‑beleid voor de Staat

Rechtbank Den Haag 11 feb 2026, LS&R 2349; ECLI:NL:RBDHA:2026:2175 (VERENIGING NATUUR- EN MILIEUFEDERATIE NOORD-HOLLAND te Zaandam, VERENIGING ZEEUWSE MILIEUFEDERATIE te Middelburg, STICHTING NATUUR- EN MILIEUFEDERATIE ZUID-HOLLAND te Den Haag, STICHTING FRIESE MILIEUFEDERATIE te Leeuwarden, STICHTING GEZOND WATER te Hans), https://lsenr.nl/artikelen/geen-verplichting-tot-strenger-pfas-beleid-voor-de-staat

Rb Den Haag 11 februari 2026, LS&R 2349; ECLI:NL:RBDHA:2026:2175 (VERENIGING NATUUR- EN MILIEUFEDERATIE NOORD-HOLLAND te Zaandam, VERENIGING ZEEUWSE MILIEUFEDERATIE te Middelburg, STICHTING NATUUR- EN MILIEUFEDERATIE ZUID-HOLLAND te Den Haag, STICHTING FRIESE MILIEUFEDERATIE te Leeuwarden, STICHTING GEZOND WATER te Hansweert, eiseressen tegen DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat)). De zaak betreft een collectieve actie van verschillende milieuorganisaties tegen de Staat over het Nederlandse PFAS-beleid. Volgens de organisaties leveren PFAS (zoals PFOA en PFOS) ernstige en grotendeels onomkeerbare risico’s op voor milieu en volksgezondheid. De Staat zou al geruime tijd bekend zijn met deze risico’s, maar desondanks onvoldoende doen om blootstelling van de bevolking en verdere milieubelasting terug te dringen. Zij verwijten de Staat onder meer dat de vergunningspraktijk voor PFAS-lozingen te ruim is, dat te weinig wordt ingezet op het terugdringen van bestaande verontreiniging en dat Nederland, mede gelet op art. 21 Grondwet en internationaal milieurecht, sneller en strenger had moeten optreden. De vorderingen strekken onder meer tot verklaringen voor recht dat de Staat onrechtmatig handelt door geen toereikend PFAS-beleid te voeren, tot bevelen om emissies en concentraties van PFAS binnen relatief korte termijnen aanzienlijk te reduceren, en tot het verbieden van verder uitstel van Europese en nationale normen (zoals drinkwater- en oppervlaktewaternormen en KRW-doelstellingen). Ook verlangen eisers concrete aanvullende maatregelen, waaronder strengere lozingsvergunningen, nationale verboden op bepaalde toepassingen en versnelde sanering van ernstig verontreinigde locaties.

LS&R 2348

Consumentenrecht in de digitale sector op donderdag 2 april 2026: tot 1 maart met vroegboekkorting

Tegenwoordig bestellen we (bijna) alles via internet. Iedereen die dat wel eens heeft gedaan, kent de kortingsacties die gegeven worden. Van een countdown-timer tot een rad van fortuin: platforms zetten alles in om consumenten te laten klikken en kopen. De digitale wereld is voor consumenten hierdoor niet altijd overzichtelijk. Ook voor juristen is niet alles helder, vooral op de grijze gebieden. Via deceptive interface design ontstaat er een oneerlijke handelspraktijk. Wat betekent dit voor consumenten, retailers, e-tailers, platforms en influencers als dit wordt vastgesteld? 

Tijdens ons seminar over consumentenrecht in de digitale sector bespreken we deze onderwerpen. We gaan in op de (omgekeerde) bewijslast in het eerste jaar, op slimme verzekeringen, garanties en andere zogenoemde dark patterns. Wanneer beschermt het consumentenrecht echt, wanneer zit je in het reclamerecht en wanneer blijkt het toch vooral een sigaar uit eigen doos? Tot slot bespreken we de nieuwste EDPB-richtlijnen over de wisselwerking tussen GDPR en DSA, en wat die concreet betekenen voor de praktijk. 

LS&R 2346

Feitelijk leidinggeven aan onjuist gebruik van gewasbeschermingsmiddel en verboden voorraad: veroordeling bestuurder orchideeënbedrijven

Rechtbank Amsterdam 6 nov 2025, LS&R 2346; ECLI:NL:RBAMS:2025:10924 (het Openbaar Ministerie tegen [verdachte]), https://lsenr.nl/artikelen/feitelijk-leidinggeven-aan-onjuist-gebruik-van-gewasbeschermingsmiddel-en-verboden-voorraad-veroordeling-bestuurder-orchideeenbedrijven

Rb. Amsterdam 6 november 2025, LS&R 2346; ECLI:NL:RBAMS:2025:10924 (het Openbaar Ministerie tegen [verdachte]). De Rechtbank Amsterdam veroordeelt een bestuurder wegens het feitelijk leidinggeven aan overtredingen van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden. Twee aan hem gelieerde orchideeënbedrijven gebruikten in de periode 2020–2022 het gewasbeschermingsmiddel Vydate 10G in strijd met de gebruiksvoorschriften van Verordening (EG) nr. 1107/2009. In plaats van toepassing via potgrondbehandeling vóór het oppotten, werd Vydate gemengd met bulgur en na het oppotten over de planten gestrooid. De rechtbank oordeelt dat de tenlastelegging voldoende feitelijk was uitgewerkt en verwerpt het verweer dat verdere verfeitelijking bij economische delicten vereist zou zijn. Ook het verweer dat geen sprake was van opzet wordt verworpen: binnen de ondernemingen was bekend dat niet volgens het etiket werd gewerkt. Daarnaast stond vast dat een derde vennootschap verboden gewasbeschermingsmiddelen (Input 460 EC en Match 12821N) in voorraad had. De rechtbank acht beide feiten bewezen, met uitzondering van een onderdeel van de tenlastelegging (toevoegen aan de bark).