LS&R 2394
8 juni 2026
Uitspraak

HvJ EU: Griekenland mag online verkoop van niet-receptplichtige geneesmiddelen niet beperken tot beperkte subcategorie

 
LS&R 2393
8 juni 2026
Uitspraak

Geen wettelijke rente voor zorgverzekeraar wegens ontbreken algemene voorwaarden

 
LS&R 2385
8 juni 2026
Uitspraak

Producent aansprakelijk voor claims van Brand Partner op Instagram

 
LS&R 2394

HvJ EU: Griekenland mag online verkoop van niet-receptplichtige geneesmiddelen niet beperken tot beperkte subcategorie

Hof van Justitie EU 21 mei 2026, LS&R 2394; ECLI:EU:C:2026:418 ((Farmakeio YZ & Sia OE tegen de Griekse ministers van Ontwikkeling en Volksgezondheid)), https://lsenr.nl/artikelen/hvj-eu-griekenland-mag-online-verkoop-van-niet-receptplichtige-geneesmiddelen-niet-beperken-tot-beperkte-subcategorie

HvJ EU 21 mei 2026, LS&R 2394; ECLI:EU:C:2026:418 (Farmakeio YZ & Sia OE tegen de Griekse ministers van Ontwikkeling en Volksgezondheid). Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft geoordeeld dat Griekse regelgeving die de online verkoop van niet-receptplichtige geneesmiddelen beperkt tot uitsluitend een specifieke subcategorie van die geneesmiddelen, in strijd is met het Unierecht. Volgens het Hof verplicht artikel 85c van Richtlijn 2001/83 de lidstaten om de verkoop op afstand van alle niet-receptplichtige geneesmiddelen toe te staan. Lidstaten mogen wel voorwaarden stellen aan de wijze waarop niet-receptplichtige geneesmiddelen online aan het publiek worden verkocht (retail supply), maar zij mogen die bevoegdheid niet gebruiken om de online verkoop van bepaalde categorieën niet-receptplichtige geneesmiddelen in feite te verbieden. De zaak was aanhangig gemaakt door een Griekse apotheek die naast een fysieke vestiging ook online geneesmiddelen verkoopt. In 2022 voerde Griekenland nieuwe regelgeving in die bepaalde dat gecertificeerde online apotheken uitsluitend nog geneesmiddelen uit de categorie ‘over-the-counter’ (OTC) online mochten aanbieden. Andere niet-receptplichtige geneesmiddelen mochten niet langer via internet aan consumenten worden verkocht. Voorheen konden online apotheken alle niet-receptplichtige geneesmiddelen op afstand aanbieden. De Griekse overheid en de nationale apothekersvereniging verdedigden deze beperking met een beroep op de bescherming van de volksgezondheid, onder meer vanwege risico’s van overmatig geneesmiddelengebruik en de handel in vervalste geneesmiddelen. Het Hof stelt voorop dat artikel 85c lid 1 van Richtlijn 2001/83 bepaalt dat lidstaten ervoor moeten zorgen dat geneesmiddelen via diensten van de informatiemaatschappij op afstand aan het publiek kunnen worden aangeboden. Uit de bewoordingen van deze bepaling volgt volgens het Hof dat deze verplichting betrekking heeft op alle niet-receptplichtige geneesmiddelen.

LS&R 2393

Geen wettelijke rente voor zorgverzekeraar wegens ontbreken algemene voorwaarden

Rechtbank Limburg 20 mei 2026, LS&R 2393; ECLI:NL:RBLIM:2026:3714 ((VGZ tegen [gedaagde])), https://lsenr.nl/artikelen/geen-wettelijke-rente-voor-zorgverzekeraar-wegens-ontbreken-algemene-voorwaarden

Rb. Limburg 20 mei 2026, LS&R 2393; ECLI:NL:RBLIM:2026:3714 (VGZ tegen [gedaagde]). De kantonrechter van de Rechtbank Limburg heeft geoordeeld dat [gedaagde] een openstaande premieachterstand aan zijn zorgverzekeraar moet voldoen. De gevorderde wettelijke rente werd echter afgewezen, omdat de zorgverzekeraar de toepasselijke algemene voorwaarden niet in het geding had gebracht. Daardoor kon de kantonrechter niet beoordelen of de bedingen waarop de rentevordering was gebaseerd verenigbaar zijn met het consumentenrecht. Tussen partijen bestond een zorgverzekeringsovereenkomst. Nadat een betalingsachterstand was ontstaan, hadden partijen een betalingsregeling getroffen. [gedaagde] bleef echter ook tijdens de looptijd van die regeling achter met het voldoen van nieuwe premietermijnen. Volgens de zorgverzekeraar was de betalingsregeling daardoor vervallen en werd het resterende openstaande bedrag direct opeisbaar. De kantonrechter stelt vast dat sprake is van een consumentenovereenkomst en toetst daarom ambtshalve of de aan de vordering ten grondslag gelegde bedingen voldoen aan het consumentenrecht.

LS&R 2385

Producent aansprakelijk voor claims van Brand Partner op Instagram

Reclame Code Commissie 22 apr 2026, LS&R 2385; 2025/00594/I ((Amare tegen Brand Partner)), https://lsenr.nl/artikelen/producent-aansprakelijk-voor-claims-van-brand-partner-op-instagram

CVB 22 april 2026, RB4013; LS&R 2385; 2025/00594/I (Amare tegen Brand Partner). In deze zaak tussen Amare en een verkoper (Brand Partner) staat de vraag centraal of Amare als producent medeverantwoordelijk is voor een Instagram-uiting waarin voedingssupplementen worden aangeprezen met ontoelaatbare gezondheidsclaims. De zaak draait om een Instagram Story waarin verschillende Amare-producten worden gepromoot met claims over onder meer het verbeteren van het immuunsysteem en het stimuleren van de hersenfunctie. Niet in geschil is dat deze claims in strijd zijn met de Claimsverordening en daarmee met artikel 2 NRC en artikel 5.1 CAG. In beroep ligt uitsluitend de vraag voor of deze overtreding ook aan Amare kan worden toegerekend. Amare betoogt dat de verkoper een zelfstandige wederverkoper is die volledig autonoom haar marketing bepaalt. Volgens Amare ontbreekt een relevante relatie in de zin van de Reclamecode Social Media & Influencer Marketing (RSM), omdat geen sprake is van een opdracht tot het maken van reclame of een vergoeding voor het plaatsen van socialmedia-uitingen.Het College volgt dit betoog niet. Doorslaggevend is dat tussen Amare en de verkoper een doorlopende contractuele relatie bestaat, waarbij de verkoper commissies ontvangt op basis van verkoopprestaties. Deze financiële prikkel stimuleert de verkoop en maakt het inherent aannemelijk dat de verkoper reclame maakt voor de producten van Amare. Het maken van reclame wordt door het College gezien als een direct uitvloeisel van de samenwerking: om meer commissie te verdienen, zal de Brand Partner de producten actief aanprijzen. Daarbij weegt mee dat Amare zelf een eigen commercieel belang heeft bij de door Brand Partners gemaakte reclame-uitingen. Dat de verkoper zelf de inhoud van haar uitingen bepaalt, niet per afzonderlijke uiting wordt betaald en als zelfstandige ondernemer opereert, doet hier volgens het College niet aan af. Er is daarom sprake van een relevante relatie in de zin van de RSM, waardoor Amare als adverteerder wordt aangemerkt.

LS&R 2392

Nederlands Octrooicongres op dinsdag 9 juni 2026: AI & EPO

Benieuwd hoe het Europees Octrooibureau (EOB) met AI werkt? Op dinsdag 9 juni organiseren we het Nederlands Octrooicongres. Tijdens dit congres praten dagvoorzitters Peter Blok en Gertjan Kuipers u bij over de ontwikkelingen van het octrooirecht. Ook vertelt Sonia Peréz Diaz (EOB) wat de EOB op dit moment met AI doet en welke plannen en ontwikkelingen er zijn. 

Het EOB zet steeds vaker AI in binnen het gehele octrooiverleningsproces, om dit proces sneller, beter, transparanter en toegankelijker te maken. Zo krijgen examinatoren ondersteuning bij taken zoals werktoewijzing, classificatie, samenvatting, vergelijking, het opstellen van teksten en de analyse van bestaande technieken. Daarnaast helpen technologieën zoals machinevertaling en OCR om informatie in verschillende talen beter toegankelijk te maken en sneller te verwerken. Ook worden AI-toepassingen gebruikt om juridische informatie en systemen gebruiksvriendelijker te maken, zodat gebruikers makkelijker kunnen werken met wetgeving, procedures en rechtspraak.

LS&R 2390

Nederlands Octrooicongres op dinsdag 9 juni 2026: UPC jurisprudentie

Op dinsdag 9 juni organiseren we het Nederlands Octrooicongres. Tijdens dit congres praten dagvoorzitters Peter Blok en Gertjan Kuipers u bij over de ontwikkelingen in het octrooirecht. 

Willem Hoyng (HOYNG ROKH MONEGIER) zal wederom de UPC-jurisprudentie bespreken. Hoyng is advocaat en één van de oprichters van HOYNG ROKH MONEGIER. Hij is voorzitter van de adviescommissie voor het procesreglement van het UPC en adviseert het ministerie van Economische Zaken over UPC-aangelegenheden. Daarnaast is hij hoogleraar intellectueel eigendomsrecht aan Tilburg University.

Hij bespreekt onder andere de UPC Court of Appeal decisions 2026. Ook gaat hij in op:

Crossborder jurisdiction: Dyson/Dreame (UPC CoA, 6 maart 2026) 
In deze zaak staat de vraag centraal hoe ver de bevoegdheid van het UPC buiten het UPC-gebied reikt, en of een EU-vertegenwoordiger die alleen compliance-taken uitvoert kan worden aangesproken als "intermediary" bij octrooi-inbreuk. 

Adobe/KEEEX (UPC CoA, 30 april 2026) 
Een foutieve verwijzing naar de appelregels door de rechter ontslaat een partij niet van haar eigen verantwoordelijkheid. Adobe's hoger beroep over de proceskostenzekerheid is niet-ontvankelijk verklaard omdat het ontbrekende appelverlof niet tijdig is aangevraagd.

Claim interprétation: NUC/Hurom (UPC CoA, 26 mei 2026)
Het Hof stond de intrekking toe omdat NUC niet binnen de voorgeschreven termijn had gereageerd en de opmerkingen die NUC later in haar alsnog ingediende verweerschrift in hoger beroep had gemaakt, buiten beschouwing liet. Het Hof overwoog dat de uitkomst ook niet anders zou zijn geweest indien die opmerkingen wel waren meegenomen, omdat Hurom was veroordeeld tot betaling van de proceskosten van zowel de eerste aanleg als het hoger beroep.

Ook gaat Hoyng in op de veertig uitspraken on suspensive effect. 

Tijdens dit onderdeel zijn UPC-rechters Margot Kokke en András Kupecz aanwezig voor commentaar. 

Margot Kokke trad in 2023 in dienst als juridisch gekwalificeerd rechter bij het UPC. Daarvoor was zij rechter bij de rechtbank Den Haag. Ook na haar overstap naar het UPC blijft ze daar actief als plaatsvervangend rechter. Voordat zij rechter werd, werkte ze als advocaat intellectueel eigendomsrecht in Nederland. Ook was ze consultant in internationale omgevingen op drie continenten, zowel in de private sector als bij (supra)nationale organisaties.

András Kupecz werkt bij het UPC sinds 2023, als Presiding Judge van de Central Division, section München. Hij behaalde een LL.M. in privaatrecht aan de Universiteit Amsterdam en een MSc in moleculaire biologie aan de Universiteit Utrecht. Voordat hij bij het UPC begon, werkte hij als Europees octrooiprocesadvocaat. Daarnaast is hij zowel advocaat en Europees octrooigemachtigde.

LS&R 2391

Nederlands Octrooicongres op dinsdag 9 juni 2026: Handhavingsrichtlijn (G1/25) over de aanpassing van de beschrijving

Op dinsdag 9 juni organiseren we het Nederlands Octrooicongres. Tijdens dit congres praten dagvoorzitters Peter Blok en Gertjan Kuipers u bij over de ontwikkelingen van het octrooirecht. 

Ook gaan we in op de doorverwijzing naar de Grote Kamer van Beroep van zaak G 1/25 (Hydroponics, Knauf vs Rockwool) inzake de aanpassing van de beschrijving. Hierover geeft Eva van Wanrooij (Johnson & Johnson) een presentatie. De relevant juridische achtergrond, de gerelateerde zaak G1/24 en de verschillende standpunten worden doorgenomen. Er is ruimte om standputen vanuit de zaal naar voren te brengen.

LS&R 2389

Nederlands Octrooicongres op dinsdag 9 juni 2026: de Emotional Perception-zaak

Op dinsdag 9 juni organiseren we het Nederlands Octrooicongres. Tijdens dit congres praten dagvoorzitters Peter Blok en Gertjan Kuipers u bij over de ontwikkelingen van het octrooirecht.

Zo bespreken we onder andere de Emotional Perception-zaakErik Visscher (De Vries en Metman) geeft een presentatie over de uitspraak van het Britse Supreme Court. Daarin staat de vraag centraal of een artificial neural network (ANN) moet worden aangemerkt als een “computerprogramma” in de zin van artikel 1(2)(c) van de Patents Act 1977 en artikel 52(2) van het Europees Octrooiverdrag (EPC). Daarnaast bepaalt het Hof welke beoordelingsmethode moet worden toegepast bij computer-geïmplementeerde uitvindingen.

Het arrest is van belang voor de beoordeling van software- en AI-gerelateerde uitvindingen onder het Britse octrooirecht. Het Supreme Court spreekt zich voor het eerst expliciet uit over de positie van artificial neural networks binnen het octrooirecht en wijzigt daarbij de toets die in het Verenigd Koninkrijk bijna twintig jaar werd toegepast bij computer-geïmplementeerde uitvindingen.

Ook bespreekt hij hoe het octrooirecht AI definieert en hoe rechters en octrooiverlenende instanties omgaan met AI-gerelateerde uitvindingen.

Het Supreme Court komt tot twee belangrijke conclusies.

Ten eerste bevestigt het Hof dat een artificial neural network kan worden aangemerkt als een computerprogramma. Volgens het Hof is een ANN een model dat numerieke input verwerkt door middel van wiskundige operaties, zoals het toepassen van gewichten, biases en activatiefuncties. Daarmee bepaalt het model hoe een computer gegevens verwerkt. Dat de parameters van het model voortkomen uit een trainingsproces in plaats van expliciete programmeerinstructies, maakt volgens het Hof geen verschil.

Ten tweede oordeelt het Supreme Court dat de in Aerotel ontwikkelde benadering niet goed aansluit bij de uitleg van artikel 52 EPC in de rechtspraak van het Europees Octrooibureau. Het Hof sluit daarom aan bij de benadering van het Europees Octrooibureau en benadrukt het belang van een uniforme uitleg van het Europees Octrooiverdrag.

Volgens deze benadering wordt eerst vastgesteld of de claim een uitvinding vormt in de zin van artikel 52 EPC. Vervolgens wordt bepaald welke kenmerken bijdragen aan het technische karakter van de uitvinding. Alleen deze kenmerken worden daarna betrokken bij de beoordeling van nieuwheid en inventiviteit.

Meer informatie over de uitspraak staat op AI-Forum. 

LS&R 2388

Nederlands Octrooicongres op dinsdag 9 juni 2026: we bespreken de actuele jurisprudentie

Op dinsdag 9 juni organiseren we het Nederlands Octrooicongres. Tijdens dit congres praten dagvoorzitters Peter Blok en Gertjan Kuipers u bij over de ontwikkelingen van het octrooirecht.

Peter Blok is hoogleraar octrooirecht en verbonden aan het Centrum voor Intellectueel Eigendomsrecht (CIER) van de Universiteit Utrecht. Daarnaast is hij rechter in het Hof van beroep van het Eengemaakt Octrooigerecht (Unified Patent Court) en raadsheer-plaatsvervanger in het Gerechtshof Den Haag.

Gertjan Kuipers is partner bij Hogan Lovells en een ervaren procesadvocaat op het gebied van octrooien en technologie, met meer dan 25 jaar ervaring. Hij procedeert voor nationale en supranationale rechtbanken, het Europees Octrooibureau en in arbitragezaken. Kuipers trapt het Nederlands Octrooicongres zoals vertrouwd af met een bespreking van de laatste ontwikkelingen binnen het nationale octrooirecht. De meest belangrijke uitspraken van het afgelopen jaar komen aan bod. 

LS&R 2337

Volg deLex op LinkedIn

Volg onze LinkedIn-pagina’s om volledig op de hoogte te blijven van alles wat binnen ons vakgebied én bij onze activiteiten speelt.

Via de LinkedIn-pagina Uitgeverij deLex blijft u op de hoogte van de belangrijkste ontwikkelingen op het gebied van IE-, IT- en privacyrecht. Via deze pagina ontvangt u vakinhoudelijke updates over onder meer IE-, IT-, privacy- en mediarecht, inclusief nieuws rond publicaties, jurisprudentie en relevante ontwikkelingen voor de praktijk.

Via de LinkedIn-pagina IE-Forum volgt u actuele ontwikkelingen binnen het intellectuele-eigendomsrecht, waaronder rechtspraak, wetgeving, beleidsontwikkelingen en relevante signaleringen uit de IE-praktijk. Daarnaast vindt u hier bijdragen, nieuwsberichten en updates die van direct belang zijn voor professionals die het IE-recht op de voet volgen.

Op de LinkedIn-pagina deLex Media informeren wij u over nieuwe en actuele cursussen en congressen, recente en aankomende publicaties, en overige vakinhoudelijke activiteiten die voor uw praktijk van belang kunnen zijn. Daarnaast bieden wij een professioneel overzicht van onze evenementen en initiatieven, met tijdige aankondigingen zodat u relevante opleidings- en netwerkgelegenheden niet mist.

Bezoek onze pagina’s en kies voor ‘Volgen’ om onze berichten rechtstreeks in uw tijdlijn te ontvangen en onderdeel te worden van ons netwerk.

LS&R 2387

Kantonrechter: onbegrensd incassobeding zorgverzekeraar strijdig met het consumentenrecht

Rechtbank Limburg 8 apr 2026, LS&R 2387; ECLI:NL:RBLIM:2026:3102 ((De Friesland tegen [gedaagde])), https://lsenr.nl/artikelen/kantonrechter-onbegrensd-incassobeding-zorgverzekeraar-strijdig-met-het-consumentenrecht

Rb. Limburg 8 april 2026, LS&R 2387; ECLI:NL:RBLIM:2026:3102 (De Friesland tegen [gedaagde]). In deze zaak tussen zorgverzekeraar De Friesland en [gedaagde] staat de vraag centraal in hoeverre bijkomende kosten – met name buitengerechtelijke incassokosten – toewijsbaar zijn bij een betalingsachterstand onder een zorgverzekeringsovereenkomst, en hoe ver de rechter ambtshalve moet gaan bij de toetsing aan het consumentenrecht. Tussen partijen staat vast dat [gedaagde] een achterstand heeft in de betaling van premies en zorgkosten over 2024 en 2025. De openstaande posten bedragen in totaal € 1.416,26. Na een deelbetaling van € 46,47 resteert een hoofdsom van € 1.369,79, vermeerderd met rente. [gedaagde] erkent deze schuld, maar verzet zich tegen de bijkomende kosten. Hij beroept zich daarbij op zijn moeilijke financiële situatie en doet een beroep op de redelijkheid en billijkheid. De kantonrechter verwerpt dit verweer. Dat [gedaagde] zich in een moeilijke financiële positie bevindt, ontslaat hem niet van zijn contractuele verplichtingen. De rechter benadrukt dat van [gedaagde] mocht worden verwacht dat hij eerder maatregelen had getroffen, bijvoorbeeld door hulp in te schakelen bij zijn financiële problemen. Dat dit is uitgebleven, komt voor zijn rekening. Ook het feit dat partijen geen passende betalingsregeling hebben bereikt, brengt niet mee dat De Friesland had moeten afzien van incassomaatregelen. De hoofdsom en de wettelijke rente (tot aan de dagvaarding berekend) worden dan ook toegewezen, evenals de verdere wettelijke rente over de resterende hoofdsom vanaf de dagvaarding. Vervolgens komt de kantonrechter toe aan de beoordeling van de buitengerechtelijke incassokosten, waarbij ambtshalve wordt getoetst of het contractuele incassokostenbeding in de polisvoorwaarden verenigbaar is met het consumentenrecht. Onder verwijzing naar het Dexia‑arrest en het Gupfinger‑arrest van het Hof van Justitie wordt vooropgesteld dat de rechter ook dan gehouden is een beding te vernietigen wanneer de schuldeiser zich primair beroept op wettelijke grondslagen (zoals artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten), maar het beding in algemene voorwaarden oneerlijk is.