LS&R 2441
18 augustus 2026
Uitspraak

Bijzondere zorgplicht bij gebruik gewasbeschermingsmiddelen nabij omwonenden

 
LS&R 2337
18 augustus 2026
Artikel

Volg deLex op LinkedIn

 
LS&R 2440
17 augustus 2026
Uitspraak

Opzettelijke misleiding bij letselschadeclaim rechtvaardigt registratie in waarschuwingsregisters

 
LS&R 2441

Bijzondere zorgplicht bij gebruik gewasbeschermingsmiddelen nabij omwonenden

Rechtbank Oost-Brabant 8 jul 2026,, LS&R 2441; ECLI:NL:RBOBR:2026:5283 ([eisers] tegen [gedaagde]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/bijzondere-zorgplicht-bij-gebruik-gewasbeschermingsmiddelen-nabij-omwonenden

Rb. Oost-Brabant 8 juli 2026, LS&R 2441; ECLI:NL:RBOBR:2026:5283 ([eisers] tegen [gedaagde]). Omwonenden van een landbouwperceel waarop in 2024 lelies werden geteeld, verzetten zich tegen het gebruik van verschillende gewasbeschermingsmiddelen. Zij vorderen onder meer een verklaring voor recht dat de eigenaar van het perceel onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld en aansprakelijk is voor hun schade, primair de vestiging van een erfdienstbaarheid waardoor gedurende twintig jaar bepaalde middelen of werkzame stoffen niet mogen worden gebruikt en subsidiair een overeenkomstig verbod. De rechtbank acht zich als burgerlijke restrechter bevoegd, omdat de bestuursrechtelijke route voor deze omwonenden geen rechtsbescherming biedt waarmee zij het gebruik van toegelaten gewasbeschermingsmiddelen in hun nabijheid kunnen laten verbieden. Het voorzorgsbeginsel van artikel 1 lid 4 Verordening (EG) 1107/2009 kan volgens de rechtbank niet als zelfstandige grondslag dienen voor de civielrechtelijke vorderingen tussen particulieren. Het beginsel kan wel als relevante omstandigheid worden betrokken bij de beoordeling of sprake is van strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheid van artikel 6:162 BW. De rechtbank beoordeelt de zaak daarom aan de hand van gevaarzetting en de schadevoorkomingsplicht en acht, mede op basis van RIVM-onderzoek, voldoende plausibel dat blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen gezondheidsrisico’s kan meebrengen. Daarbij wijst zij specifiek op onzekerheden en hiaten in de beoordeling van neurodegeneratieve effecten en van blootstelling aan combinaties van verschillende middelen.

LS&R 2337

Volg deLex op LinkedIn

Volg onze LinkedIn-pagina’s om volledig op de hoogte te blijven van alles wat binnen ons vakgebied én bij onze activiteiten speelt.

Via de LinkedIn-pagina Uitgeverij deLex blijft u op de hoogte van de belangrijkste ontwikkelingen op het gebied van IE-, IT- en privacyrecht. Via deze pagina ontvangt u vakinhoudelijke updates over onder meer IE-, IT-, privacy- en mediarecht, inclusief nieuws rond publicaties, jurisprudentie en relevante ontwikkelingen voor de praktijk.

Via de LinkedIn-pagina IE-Forum volgt u actuele ontwikkelingen binnen het intellectuele-eigendomsrecht, waaronder rechtspraak, wetgeving, beleidsontwikkelingen en relevante signaleringen uit de IE-praktijk. Daarnaast vindt u hier bijdragen, nieuwsberichten en updates die van direct belang zijn voor professionals die het IE-recht op de voet volgen.

Op de LinkedIn-pagina deLex Media informeren wij u over nieuwe en actuele cursussen en congressen, recente en aankomende publicaties, en overige vakinhoudelijke activiteiten die voor uw praktijk van belang kunnen zijn. Daarnaast bieden wij een professioneel overzicht van onze evenementen en initiatieven, met tijdige aankondigingen zodat u relevante opleidings- en netwerkgelegenheden niet mist.

Bezoek onze pagina’s en kies voor ‘Volgen’ om onze berichten rechtstreeks in uw tijdlijn te ontvangen en onderdeel te worden van ons netwerk.

LS&R 2440

Opzettelijke misleiding bij letselschadeclaim rechtvaardigt registratie in waarschuwingsregisters

Rechtbank Den Haag 3 jun 2026,, LS&R 2440; ECLI:NL:RBDHA:2026:15375 ([eiseres] tegen Ohra), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/opzettelijke-misleiding-bij-letselschadeclaim-rechtvaardigt-registratie-in-waarschuwingsregisters

Rb. Den Haag 3 juni 2026, IT 5444; LS&R 2440; ECLI:NL:RBDHA:2026:15375 ([eiseres] tegen Ohra). In deze zaak vordert [eiseres] onder meer aanvullende schadevergoeding naar aanleiding van een verkeersongeval in 2019 en verwijdering van haar persoonsgegevens uit het Incidentenregister, het Extern Verwijzingsregister (EVR), de Gebeurtenissenadministratie en het Intern Verwijzingsregister (IVR). Ohra, onderdeel van Nationale-Nederlanden, had aansprakelijkheid voor het ongeval erkend en € 10.000 aan voorschotten betaald, maar ontdekte later dat [eiseres] een eerder verkeersongeval uit 2016 en de daaruit voortvloeiende, grotendeels vergelijkbare nek-, rug-, hoofd- en concentratieklachten niet had gemeld. Voor dat eerdere ongeval had zij in 2019 met een andere verzekeraar een vaststellingsovereenkomst van € 36.000 gesloten. Ohra kwalificeerde het achterhouden van deze medische voorgeschiedenis als fraude, beëindigde de schadeafwikkeling en registreerde [eiseres] in de genoemde waarschuwingsregisters.

LS&R 2432

Mr. S.K. Martens Academie 2026/2027

Belangstellenden kunnen zich nu aanmelden voor de volgende editie van de Mr. S.K. Martens Academie. Deze officiële specialisatieopleiding intellectueel eigendoms- en procesrecht is bedoeld voor advocaten, rechters en (bedrijfs)juristen die hun juridische kennis en praktische vaardigheden verder willen verdiepen. De opleiding bestaat uit acht masterclasses en vier live online sessies en start naar waarschijnlijkheid in het najaar 2026.

De nadruk ligt op de praktische bescherming en handhaving van intellectuele eigendomsrechten. Deelnemers werken in kleine groepen met actuele jurisprudentie, recente praktijkvoorbeelden en concrete businesscases. Ook de invloed van AI op de rechtspraktijk maakt deel uit van het programma. De hoofddocenten zijn Marijn Kingma, Peter Teunissen en Jorn Torenbosch.

Na succesvolle afronding van het mondelinge examen ontvangen deelnemers een certificaat in het intellectueel eigendoms- en procesrecht. De opleiding levert 54 tot 60 PO-punten op. Daarnaast krijgen deelnemers toegang tot het alumninetwerk en gedurende één jaar kosteloos toegang tot verschillende IE-publicaties en databanken van deLex, zoals AI-Forum, Auteursrecht, BMM Bulletin, Berichten Industriële Eigendom en Mediaforum. 

Aanmelden of een offerte op maat aanvragen kan via info@delex.nl

LS&R 2439

Geen proceskostenveroordeling na intrekking van kwekersrechtelijke vorderingen

Rechtbank Den Haag 15 jul 2026,, LS&R 2439; ECLI:NL:RBDHA:2026:19422 ([eiseressen] tegen De logistiek partners), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/geen-proceskostenveroordeling-na-intrekking-van-kwekersrechtelijke-vorderingen

Rb. Den Haag 15 juli 2026, IEF 23714; ECLI:NL:RBDHA:2026:19422 ([eiseressen] tegen De logistiek partners). Eiseres 1 was houdster van het communautaire kwekersrecht voor het plantenras Ofarim, dat door de exclusieve licentienemers onder de naam Green Bell op de markt werd gebracht. In een eerdere bodemprocedure had de rechtbank geoordeeld dat het door het Danziger-concern aangeboden en verhandelde ras Green Dragon onvoldoende van Ofarim afweek en dat daarmee inbreuk werd gemaakt op het kwekersrecht. Eiseressen begonnen vervolgens een kort geding tegen Beauty Line c.s. en verschillende logistieke dienstverleners die betrokken waren bij de verhandeling van Green Dragon. Na de mondelinge behandeling bereikten eiseressen een minnelijke regeling met Beauty Line c.s., waarna de procedure tegen hen werd doorgehaald en het kwekersrecht aan hen werd overgedragen. Eiseressen trokken vervolgens hun inhoudelijke vorderingen tegen de resterende logistieke partners in, maar handhaafden hun vordering tot vergoeding van de proceskosten op grond van artikel 1019h Rv.

LS&R 2438

Duurzaamheid, merken en milieuclaims: kom naar Duurzaamheid & Recht

Volgens het EUIPO bevatte in 2022 14,5% van alle Uniemerkaanvragen in de omschrijving van de producten of diensten minstens één term die met milieu of duurzaamheid te maken heeft. Dat betekent niet dat 14,5% van de merken zelf een ‘groene’ naam of uitstraling had. Het gaat alleen om de woorden die werden gebruikt om aan te geven voor welke producten of diensten het merk werd aangevraagd.

Die ontwikkeling is commercieel verklaarbaar, maar juridisch niet neutraal. Een teken kan namelijk verschillende juridische functies tegelijk vervullen. Als merk dient het om de commerciële herkomst van waren of diensten te onderscheiden en wordt het beoordeeld aan de hand van onder meer Verordening (EU) 2017/1001 inzake het Uniemerk (UMVo), Richtlijn (EU) 2015/2436 en, voor de Benelux, het BVIE. Tegelijkertijd kan een merknaam, productnaam, logo of ander teken in een commerciële context een boodschap over de milieukenmerken van een product of onderneming overbrengen. In dat geval kan het tevens kwalificeren als milieuclaim en onder het consumentenrecht vallen. De Nederlandse implementatiewet omschrijft een milieuclaim uitdrukkelijk als een boodschap of voorstelling die onder meer via een merknaam, bedrijfsnaam of productnaam kan worden gedaan.

Meer weten over de juridische ontwikkelingen op het gebied van duurzaamheid? Tijdens ons evenement Duurzaamheid & Recht op vrijdag 18 september 2026 bespreken experts op het gebied van duurzaamheid de belangrijkste actuele ontwikkelingen in het IE- en reclamerecht en de gevolgen daarvan voor de praktijk. Bekijk het programma en meld je aan via de website van deLex

LS&R 2437

Uitspraak ingezonden door Marloes Meddens-Bakker, MOON legal & compliance

Claims over duale werking en ‘healing’ van Tremfya misleidend en onvoldoende onderbouwd

College Geneesmiddelen Reclame 20 jul 2026,, LS&R 2437; K26.001 (AbbVie B.V. tegen Janssen-Cilag B.V.), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/claims-over-duale-werking-en-healing-van-tremfya-misleidend-en-onvoldoende-onderbouwd

CGR 20 juli 2026, LS&R 2437; RB 4087; K26.001 (AbbVie B.V. tegen Janssen-Cilag B.V.). In deze klaagschriftprocedure beslist de Codecommissie CGR (hierna: de Codecommissie) over verschillende reclame-uitingen van Janssen-Cilag B.V. voor het UR-geneesmiddel Tremfya® (guselkumab), bestemd voor onder meer de behandeling van colitis ulcerosa en de ziekte van Crohn. AbbVie B.V., vergunninghouder van het eveneens voor deze indicaties bestemde Skyrizi® (risankizumab), stelt dat advertenties in MAGMA en Medipub, uitingen op [website 1] en LinkedIn-uitingen in strijd zijn met de Gedragscode Geneesmiddelenreclame. De klacht ziet onder meer op de claims “Discover TREMFYA® the ONLY dual-acting IL-23 inhibitor”, “What if you could target IL-23-induced inflammation at its root?”, “Not all IL-23 inhibitors are the same”, “the only dual-acting IL-23 inhibitor to neutralize IL-23 at its cellular source” en “Healing is possible with Tremfya®”, alsmede op de daarbij gebruikte afbeeldingen van een wortelstelsel met de aanduidingen IL-23 en CD64+ en patiënten met een blauwe lichtkring rond het darmgebied. Volgens AbbVie suggereren de uitingen ten onrechte dat de binding van Tremfya aan zowel IL-23 als CD64+ een klinisch relevant voordeel oplevert ten opzichte van andere IL-23-remmers, terwijl de gestelde duale werking slechts op in-vitrogegevens berust en de klinische betekenis daarvan niet is aangetoond. Janssen voert aan dat zij uitsluitend een verschil in werkingsmechanisme beschrijft en geen superioriteits- of effectiviteitsclaim maakt, en dat de CD64-binding wordt ondersteund door onder meer de SmPC van Tremfya en wetenschappelijke publicaties. Ten aanzien van “Healing is possible” stelt Janssen dat beroepsbeoefenaren deze claim in de context van de volledige uiting zullen begrijpen als een verwijzing naar “endoscopic healing” en niet als volledige genezing.

LS&R 2435

Uitspraak ingezonden door Martijn de Lange, Octrooicentrum Nederland.

Geen ABC voor nieuwe therapeutische toepassing van cladribine na eerdere handelsvergunningen

Rechtbank Den Haag 5 aug 2026,, LS&R 2435; ECLI:NL:RBDHA:2026:21645 (Merck Serono tegen Octrooicentrum Nederland), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/geen-abc-voor-nieuwe-therapeutische-toepassing-van-cladribine-na-eerdere-handelsvergunningen

Rb. Den Haag 5 augustus 2026, IEF 23740; LS&R 2435; ECLI:NL:RBDHA:2026:21645 (Merck Serono tegen Octrooicentrum Nederland). In deze zaak bepaalt de bestuursrechter of Octrooicentrum Nederland (hierna: OCNL) terecht weigert aan Merck Serono S.A. (hierna: Merk) een aanvullend beschermingscertificaat (hierna: ABC) te verlenen voor het product cladribine. Merck dient op 22 februari 2018 een ABC-aanvraag in onder inroeping van Europees octrooi EP 1 827 461 voor een behandelingsregime met cladribine bij multiple sclerose en de Europese handelsvergunning uit 2017 voor Mavenclad®, waarvan cladribine de werkzame stof is. Het OCNL wijst de aanvraag af wegens strijd met artikel 3 onder d van Verordening (EG) nr. 469/2009, omdat cladribine al eerder als geneesmiddel is toegelaten: in 1995 voor Leustatin® en in 2004 voor Litak®, beide voor de behandeling van haarcelleukemie. Merck stelt dat de handelsvergunning voor Mavenclad® desondanks als relevante eerste handelsvergunning moet gelden, omdat Mavenclad® het eerste gebruik van cladribine voor de behandeling van multiple sclerose betreft, het basisoctrooi op deze tweede medische indicatie ziet en voor Mavenclad® een volledig de novo ontwikkelingstraject met klinische studies is doorlopen. Volgens Merck biedt het arrest Santen niet het juiste toetsingskader en moet aansluiting worden gezocht bij het eerdere arrest Neurim. Subsidiair verzoekt zij de rechtbank prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen, mede onder verwijzing naar de prejudiciële vragen van het Duitse Bundespatentgericht in de parallelle Boehringer-zaak. Partijen zijn het erover eens dat aan artikel 3 onder a, b en c van de ABC-verordening is voldaan; uitsluitend de voorwaarde van artikel 3 onder d is in geschil.

LS&R 2434

Uitspraak ingezonden door Barbara Mooij, Brinkhof.

Rb. Den Haag: apothekersvrijstelling biedt geen ruimte voor structurele bereiding van semaglutide

Rechtbank Den Haag 5 aug 2026,, LS&R 2434; ECLI:NL:RBDHA:2026:21938 (Novo Nordisk tegen Ceban), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/rb-den-haag-apothekersvrijstelling-biedt-geen-ruimte-voor-structurele-bereiding-van-semaglutide

Rb. Den Haag 5 augustus 2026, IEF 23737; LS&R 2434; ECLI:NL:RBDHA:2026:21938 (Novo Nordisk tegen Ceban). Novo Nordisk is een kort geding gestart tegen Ceban Ziekenhuisfarmacie op grond van haar aanvullende beschermingscertificaat voor semaglutide, de werkzame stof in onder meer Ozempic®, Wegovy® en Rybelsus®. Ceban heeft een semaglutide bevattende neusspray onder de naam Semanova bereid, en brengt deze op de markt als apotheekbereiding. Ook liet zij de neusspray opnemen in de G-Standaard. Novo Nordisk heeft Ceban aangeschreven met het verzoek de inbreuk op haar ABC te staken en gestaakt te houden, maar Ceban heeft geweigerd om een onthoudingsverklaring met boete te ondertekenen. Novo Nordisk is daarom een kort geding gestart. De geldigheid van het basisoctrooi en het ABC is niet betwist. Omdat Ceban semaglutide heeft ingevoerd, in voorraad heeft gehad, verwerkt en verhandeld, moet volgens de voorzieningenrechter in beginsel van inbreuk worden uitgegaan. Centraal staat vervolgens de vraag of Ceban een beroep kan doen op de apothekersvrijstelling van artikel 54c, aanhef en onder e, ROW.

LS&R 2431

Hof benoemt NZa-deskundige voor vaststelling van Nederlandse prestatiebeschrijvingen en passende tarieven

Hof Den Haag 11 nov 2025,, LS&R 2431; ECLI:NL:GHDHA:2025:3063 (Avéro Achmea tegen [geïntimeerde]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/hof-benoemt-nza-deskundige-voor-vaststelling-van-nederlandse-prestatiebeschrijvingen-en-passende-tarieven

Hof Den Haag 11 november 2025, LS&R 2431; ECLI:NL:GHDHA:2025:3063 (Avéro Achmea tegen [geïntimeerde]). In het hoger beroep tussen Avéro Achmea en een inmiddels overleden verzekerde is aan de orde of in het buitenland verleende zorg met een kostbaar geneesmiddel als verzekerde zorg onder de Zorgverzekeringswet voor vergoeding in aanmerking komt, hoewel voor het geneesmiddel destijds in Nederland nog geen handelsvergunning gold. Dit arrest bevat nog geen inhoudelijk oordeel over die dekkingsaanspraak. Nadat het hof in een eerder arrest van 7 oktober 2025 een aangepaste vraagstelling had voorgesteld, stemden beide partijen in met die vragen en met de benoeming van een beleidsmedewerker van de Nederlandse Zorgautoriteit als deskundige. De verzekerde verzocht daarnaast om twee extra deskundigen, maar het hof acht de kwestie voldoende belegd bij de NZa als enige deskundige.