Zorginstelling aansprakelijk na onzorgvuldige beëindiging begeleiding en huisvesting
Rb. Noord-Holland 3 juni 2026, LS&R 2418; ECLI:NL:RBNHO:2026:6356 ([eiser] en [betrokkene 1] tegen De ZorgSpecialist). In deze zaak tussen een jongvolwassene met een licht verstandelijke beperking en De ZorgSpecialist staat de beëindiging van een begeleidings- en huurovereenkomst centraal. De cliënt heeft een VG6-zorgprofiel en is aangewezen op verblijf met intensieve begeleiding, verzorging en gedragsregulering. De rechtbank merkt de begeleidingsovereenkomst aan als een geneeskundige behandelingsovereenkomst. Een zorginstelling mag zo’n overeenkomst alleen wegens gewichtige redenen beëindigen en moet eerst alles doen wat redelijkerwijs mogelijk is om beëindiging te voorkomen.
Cliëntenraad moet handhavingsverzoek tegen zorginstelling aan bestuursrechter voorleggen
Rb. Den Haag 26 juni 2026, LS&R 2417; ECLI:NL:RBDHA:2026:17358 (de CR tegen de IGJ). In deze zaak tussen de Cliëntenraad Villa Expertcare en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd staat de voorgenomen sluiting van twee zorgvilla’s voor ernstig zieke en meervoudig beperkte kinderen centraal. Villa Expertcare is als tussenkomende partij aan de procedure deelgenomen. Villa Expertcare besloot begin 2026 de zorg op haar vier locaties te beëindigen. Later kondigde zij aan de zorg te willen concentreren in Rijswijk en Wezep en de locaties Vleuten en Waalre te sluiten. De cliëntenraad vreesde dat voor verschillende kinderen geen passende vervolgzorg beschikbaar zou zijn en vroeg de IGJ om Villa Expertcare een schriftelijke aanwijzing te geven. De sluiting moest volgens de cliëntenraad worden opgeschort totdat voor iedere cliënt een verantwoorde alternatieve zorgplek was geregeld. De IGJ was al een onderzoek gestart naar de kwaliteit, veiligheid en continuïteit van de zorg. Zij concludeerde dat de zorg grotendeels voldeed, maar kwetsbaar was, en dat snel verbetermaatregelen nodig waren. Villa Expertcare stelde daarop een plan van aanpak op en rapporteerde regelmatig aan de IGJ.
Rechtbank wijst vorderingen fysiotherapiepraktijken over hogere CZ-tarieven af wegens ontbreken spoedeisend beelang
Rechtbank Den Haag 2 juli 2026, LS&R 2416; ECLI:NL:RBDHA:2026:17894 (De fysiotherapiepraktijken tegen CZ). In deze zaak tussen een aantal fysiotherapiepraktijken en zorgverzekeraar CZ staat de vraag centraal of CZ haar tarieven voor fysiotherapeutische zorg in 2026 en 2027 moet verhogen en nader moet onderbouwen. Enkele andere fysiotherapiepraktijken zijn in de procedure tussengekomen en hebben zich bij de vorderingen aangesloten. De fysiotherapiepraktijken stellen dat CZ geen reële, kostendekkende en voldoende geïndexeerde tarieven hanteert. Volgens hen leidt dit tot financiële problemen, achterblijvende salarissen, onbetaald werk en uitstroom uit de sector. Zij vorderen daarom onder meer tariefverhogingen, toepassing van kostprijzen en indexaties, een kostprijsonderzoek en een verbod om vergoedingen voor aanvullende eisen zonder voorafgaand onderzoek te verlagen.
Horeca-exploitant op festival verantwoordelijk voor handhaving rookverbod
College van Beroep voor het bedrijfsleven 7 juli 2026, LS&R 2414; ECLI:NL:CBB:2026:314 (de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport tegen [naam 1]). In deze zaak tussen [naam 1] B.V. en de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport staat de vraag centraal wie verantwoordelijk was voor de handhaving van het rookverbod in een horecatent op het festival Dutch Valley 2022. De minister had [naam 1] een boete van € 600 opgelegd, nadat toezichthouders in de Hip Hop tent meerdere bezoekers zagen roken en vapen zonder dat zij daarop werden aangesproken. [naam 1] verzorgde op het festival verschillende biertappunten en beschikte over de ontheffing voor het schenken van zwak-alcoholhoudende drank op het gehele festivalterrein. Zij stelde dat niet zij, maar de festivalorganisator verantwoordelijk was voor het rookverbod. De organisator had het verbod ingesteld en zou volgens de gemaakte afspraken beveiligers inzetten om het te handhaven.
CBb schrapt beperking op terugwerkende kracht herziene ggz- en fz-tarieven
College van Beroep voor het bedrijfsleven 16 juni 2026, LS&R 2413; ECLI:NL:CBB:2026:258 (De Verenigingen, DFZS e.a. en SolutionS e.a. tegen de zorgaanbieders). In deze zaak tussen verschillende aanbieders en brancheverenigingen binnen de geestelijke gezondheidszorg en de forensische zorg enerzijds en de Nederlandse Zorgautoriteit anderzijds staat de vraag centraal of de NZa de werking van herziene tariefbeschikkingen voor 2022, 2023 en 2024 mocht beperken. Verschillende zorgverzekeraars zijn als derde partijen bij de procedures betrokken. De procedure volgt op een eerdere uitspraak van het CBb uit 2024. Daarin droeg het College de NZa op om de tarieven voor de geestelijke gezondheidszorg en de forensische zorg opnieuw vast te stellen. Bij deze herijking moest de NZa de indirecte tijd op basis van actuele gegevens in de tarieven verwerken. De NZa herzag daarop de tariefbeschikkingen voor 2022 en 2023 en stelde ook voor 2024 een herziene tariefbeschikking vast. In de herziene beschikkingen nam de NZa een passage op waarin stond dat de nieuwe tarieven geen rechtsgevolgen hadden voor declaraties die vóór de inwerkingtreding al waren betaald en voor overeenkomsten die vóór die datum waren gesloten. Volgens de zorgaanbieders stond deze passage eraan in de weg dat zij voor eerder verleende zorg alsnog een vergoeding op basis van de herziene tarieven konden ontvangen. De herziene tarieven zelf bestreden zij niet. De NZa stelde dat de passage uitsluitend informatief van aard was. Daarmee wilde zij voorkomen dat de herziene tarieven via de administratieve systemen van zorgaanbieders en zorgverzekeraars automatisch met terugwerkende kracht zouden worden toegepast. Dat zou volgens de NZa tot grote administratieve lasten kunnen leiden, omdat reeds verwerkte zorgprestaties mogelijk moesten worden gecrediteerd en opnieuw gedeclareerd. Zorgaanbieders en zorgverzekeraars konden volgens de NZa wel nieuwe afspraken maken binnen de ruimte die de herziene tarieven boden.
Aanmelden voor de Mr. S.K. Martens Academie
Belangstellenden kunnen zich nu aanmelden voor de volgende editie van de Mr. S.K. Martens Academie. Deze officiële specialisatieopleiding intellectueel eigendoms- en procesrecht is bedoeld voor advocaten, rechters en (bedrijfs)juristen die hun juridische kennis en praktische vaardigheden verder willen verdiepen. De opleiding bestaat uit acht masterclasses en vier live online sessies en start naar waarschijnlijkheid in het najaar 2026.
De nadruk ligt op de praktische bescherming en handhaving van intellectuele eigendomsrechten. Deelnemers werken in kleine groepen met actuele jurisprudentie, recente praktijkvoorbeelden en concrete businesscases. Ook de invloed van AI op de rechtspraktijk maakt deel uit van het programma. De hoofddocenten zijn Marijn Kingma, Peter Teunissen en Jorn Torenbosch.
Na succesvolle afronding van het mondelinge examen ontvangen deelnemers een certificaat in het intellectueel eigendoms- en procesrecht. De opleiding levert 54 tot 60 PO-punten op. Daarnaast krijgen deelnemers toegang tot het alumninetwerk en gedurende één jaar kosteloos toegang tot verschillende IE-publicaties en databanken van deLex, zoals AI-Forum, Auteursrecht, BMM Bulletin, Berichten Industriële Eigendom en Mediaforum.
Aanmelden of een offerte op maat aanvragen kan via info@delex.nl.
deLex zoekt redactioneel stagiair
Ben jij rechtenstudent en nieuwsgierig naar de wereld van intellectueel eigendom? Van bekende merken, muziek, mode en social media tot AI, reclamecampagnes, design en grote sportevenementen: binnen het intellectuele eigendomsrecht, ICT-recht en privacyrecht komen voortdurend actuele en herkenbare onderwerpen voorbij. Bij deLex krijg je de kans om je hierin te verdiepen en mee te werken aan juridische nieuwsvoorziening voor professionals in deze specialistische rechtsgebieden.
Vanaf half augustus 2026 zoeken wij een redactioneel stagiair voor drie dagen per week. De exacte startdatum is in overleg. Als juridische uitgeverij bieden wij je de mogelijkheid om drie maanden lang mee te werken binnen een dynamische en gespecialiseerde praktijk.
Tijdens je stage houd je je onder meer bezig met het beheren van online databases, het meewerken aan vakbladen en het bijwonen van congressen en opleidingen. Je ontwikkelt je in het verzamelen en analyseren van juridische bronnen, scherpt je redactionele vaardigheden aan en krijgt volop gelegenheid om je netwerk binnen het juridische werkveld uit te breiden.
Ben je in de afrondende fase van je bachelor of volg je een master Rechtsgeleerdheid, en heb je bijzondere interesse in IE-, ICT- en privacyrecht? Stuur dan je cv en motivatiebrief naar rdolman@delex.nl.
A-G HvJ EU: algemene meldplicht voor import van voedingssupplementen strijdig met Unierecht
HvJ EU 18 december 2025, RB 4044; LS&R 2409; ECLI:EU:C:2025:1004 (PRAGON s.r.o. tegen Státní zemědělská a potravinářská inspekce, Inspektorát v Praze). In deze zaak tussen PRAGON s.r.o. en de Tsjechische landbouw- en voedselinspectie staat de vraag centraal of een nationale regeling die importeurs van voedingssupplementen verplicht de bevoegde autoriteiten ten minste 24 uur vóór aankomst van de producten vanuit een andere lidstaat daarvan op de hoogte te stellen, verenigbaar is met Unierecht. De advocaat-generaal bespreekt met name de verhouding tussen het vrije verkeer van goederen en de volledig geharmoniseerde regels voor officiële controles op levensmiddelen in Verordening (EU) 2017/625. Volgens de conclusie verzet die verordening zich tegen een algemene en voortdurende meldplicht voor een gehele categorie levensmiddelen, zoals voedingssupplementen. PRAGON importeert voedingssupplementen uit andere lidstaten en verkoopt deze online en via fysieke winkels. Op grond van Tsjechische regelgeving moet iedere ontvangst van bepaalde levensmiddelen uit een andere lidstaat of uit een derde land uiterlijk 24 uur vóór aankomst worden gemeld aan de nationale voedselautoriteit. Daarbij moeten onder meer gegevens worden verstrekt over het soort product, de hoeveelheid, de herkomst, de ontvanger en het verwachte tijdstip van aankomst. PRAGON stelde dat deze verplichting ertoe leidt dat producten niet direct kunnen worden geleverd en daardoor een niet-tarifaire handelsbelemmering vormt. Bovendien geldt een dergelijke meldplicht niet voor vergelijkbare producten die zich reeds op Tsjechisch grondgebied bevinden, waardoor ingevoerde producten volgens PRAGON ongunstiger worden behandeld. De verwijzende Tsjechische rechter vraagt zich af of deze systematische meldplicht verenigbaar is met artikel 9 lid 7 van Verordening (EU) 2017/625. Daarbij wijst hij erop dat de regeling niet alleen extra administratieve lasten en kosten veroorzaakt, maar ook producenten en distributeurs kan ontmoedigen om voedingssupplementen op de Tsjechische markt aan te bieden. Daarnaast twijfelt de verwijzende rechter of een algemene meldplicht voor alle voedingssupplementen wel evenredig is, nu de risico's binnen deze productcategorie sterk uiteenlopen. De advocaat-generaal stelt allereerst vast dat de zaak moet worden beoordeeld aan de hand van Verordening (EU) 2017/625 en niet rechtstreeks aan de artikelen 34 en 36 VWEU. Volgens vaste rechtspraak worden nationale maatregelen immers uitsluitend getoetst aan de toepasselijke harmonisatieregels wanneer een terrein volledig door Unierecht is geharmoniseerd. De verordening vormt volgens de advocaat-generaal een volledig geharmoniseerd kader voor de organisatie van officiële controles op levensmiddelen. De nationale meldplicht moet daarom worden beoordeeld aan artikel 9 lid 7 van die verordening. Vervolgens bespreekt de advocaat-generaal de betekenis van artikel 9 lid 7. Uit de tekst, de systematiek en de doelstellingen van de verordening leidt hij af dat voorafgaande melding van goederen uit een andere lidstaat slechts bij uitzondering mag worden verlangd.
Rb. Gelderland: contractsvrijheid staat contracteerverplichting zorgverzekeraar in de weg
Rb. Gelderland 23 april 2026, LS&R 2408; ECLI:NL:RBGEL:2026:5079 (Morecare Clinics tegen VGZ). In deze zaak tussen MoreCare Clinics en VGZ staat de vraag centraal of VGZ verplicht kan worden een zorgovereenkomst te sluiten met MoreCare Clinics voor bariatrische zorg (de medische behandeling van ernstig overgewicht). MoreCare Clinics stelt dat VGZ met de weigering om te contracteren in strijd handelt met haar zorgplicht (artikel 11 Zorgverzekeringswet), het hinderpaalcriterium (artikel 13 Zorgverzekeringswet), de redelijkheid en billijkheid, de doelstellingen van het Integraal Zorgakkoord (IZA) en het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA). De voorzieningenrechter wijst de vorderingen af. Volgens de voorzieningenrechter brengt het stelsel van de Zorgverzekeringswet mee dat zorgverzekeraars in beginsel vrij zijn om te bepalen met welke zorgaanbieders zij een overeenkomst sluiten. MoreCare Clinics exploiteert een zelfstandig behandelcentrum voor bariatrische chirurgie. VGZ weigert al meerdere jaren een zorgovereenkomst aan te bieden, omdat haar inkoopbeleid voorschrijft dat alleen zorgaanbieders in een ziekenhuissetting met een intensive care op locatie worden gecontracteerd wanneer zij ook ASA 3-patiënten (patiënten met een ernstige systematische aandoeningen) opereren. MoreCare Clinics vindt dat dit beleid achterhaald is en wijst erop dat andere zorgverzekeraars, de relevante beroepsvereniging en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd geen bezwaar hebben tegen behandeling van deze patiëntengroep in haar kliniek. Volgens VGZ is het beleid bedoeld om de veiligheid van verzekerden te waarborgen. De voorzieningenrechter oordeelt dat VGZ in beginsel zelf haar inkoopbeleid mag bepalen, zolang dat objectief, transparant en niet-discriminerend wordt toegepast. In dit kort geding is onvoldoende aannemelijk geworden dat VGZ haar beleid inconsistent toepast of dat zij in redelijkheid niet tot dit beleid heeft kunnen komen. Voor een inhoudelijke beoordeling van de medische discussie over de behandeling van ASA 3-patiënten biedt deze procedure geen ruimte.
Verpakking van gevaarlijke stoffen mag niet lijken op voedselverpakking, ook niet bij een klein gezondheidsrisico
AG Szpunar 18 juni 2026, LS&R 2407; RB 4039; ECLI:EU:C:2026:508 (Orkla Care AB tegen Kemikalieinspektionen). In deze prejudiciële procedure tussen Orkla Care AB en de Zweedse Kemikalieinspektionen staat de uitleg centraal van artikel 35 lid 2 van de CLP-verordening. Aanleiding vormt een geschil over de verpakking van vloeibare wasmiddelen van Orkla Care, die volgens de Zweedse toezichthouder te veel lijkt op verpakkingen van voedingsmiddelen. De verwijzende rechter vraagt het Hof van Justitie onder meer welke beoordelingscriteria gelden bij de beoordeling of een verpakking consumenten kan misleiden, welk referentiekader daarbij moet worden gehanteerd en of rekening moet worden gehouden met de ernst van het gezondheidsrisico van de stof. Advocaat-generaal Szpunar concludeert dat de CLP-verordening een ruime bescherming van de volksgezondheid beoogt en dat verpakkingen van gevaarlijke stoffen geen gelijkenis mogen vertonen met voedselverpakkingen waardoor consumenten deze met elkaar kunnen verwarren. Orkla Care brengt vloeibare wasmiddelen op de markt in langwerpige kartonnen verpakkingen met een vierkante bodem, een gevouwen bovenzijde en een schroefdop. Nadat consumenten hadden gemeld dat deze verpakkingen deden denken aan drank- en zuivelverpakkingen, onderzocht de Zweedse toezichthouder of de verpakking voldeed aan artikel 35 lid 2 CLP. Daarbij werd niet alleen gewezen op de vorm van de verpakking, maar ook op de kleurstelling en een label waarop stond vermeld dat het product "vegan" is. Volgens de toezichthouder konden consumenten de verpakking daardoor aanzien voor een levensmiddel. Orkla Care werd daarom verboden de producten nog langer in deze verpakking op de markt te brengen. De nationale rechter stelde vervolgens meerdere prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie. De advocaat-generaal stelt voorop dat de beoordeling of een verpakking lijkt op die van een levensmiddel steeds per geval moet plaatsvinden, maar wel aan de hand van uniforme Unierechtelijke criteria. Daarbij moeten alle waarneembare kenmerken van de verpakking worden betrokken, waaronder de vorm, afmetingen, inhoud, gebruikte materialen, ontwerp, etikettering, kleur en zelfs geur. De beoordeling mag zich dus niet beperken tot één afzonderlijk element van de verpakking, maar moet uitgaan van de totaalindruk die deze wekt.














