CBb laat toelatingen van gewasbeschermingsmiddelen met cypermethrin, abamectine en esfenvaleraat in stand
CBb 7 juli 2026, LS&R 2422; ECLI:NL:CBB:2026:315 (De milieuorganisaties tegen het Ctgb en de Staat). In deze zaak tussen PAN Netherlands en de Natuur- en Milieufederatie Zuid-Holland enerzijds en het Ctgb anderzijds staat de vraag centraal of toelatingen van gewasbeschermingsmiddelen met cypermethrin, abamectine en esfenvaleraat moesten worden ingetrokken. De milieuorganisaties wezen op overschrijdingen van toelatingsnormen voor waterorganismen en normen uit de Kaderrichtlijn Water in Nederlandse oppervlaktewateren.
Ziekenhuis aansprakelijk voor gebrekkige nazorg na operatie
Rb. Rotterdam 20 mei 2026, LS&R 2421; ECLI:NL:RBROT:2026:6715 ([eiseres] tegen [ziekenhuis X]). In deze zaak tussen een patiënte en een ziekenhuis staat de nazorg na een laparoscopie centraal. Enkele dagen na de kijkoperatie werd bij de patiënte een darmperforatie en multipel orgaanfalen vastgesteld. De rechtbank had eerder een gynaecoloog als deskundige benoemd om te beoordelen of bij de operatie en de nazorg volgens de professionele standaard was gehandeld. Volgens de deskundige is de operatie zelf volgens de professionele standaard uitgevoerd. Ook was het gebruikelijk dat de patiënte dezelfde dag werd ontslagen. De nazorg schoot echter tekort. De familie nam meerdere keren contact op met het ziekenhuis en meldde onder meer toenemende buikpijn, braken en het niet meer kunnen binnenhouden van vocht. Vanaf het tweede telefoongesprek hadden deze klachten volgens de deskundige aanleiding moeten zijn om de patiënte direct terug te laten komen. Door het ontbreken van continuïteit en centrale regie werden de signalen niet tijdig herkend.
Geen smaad of laster door uitlatingen in medische klachtprocedure
Rb. Noord-Holland 10 juni 2026, LS&R 2423; ECLI:NL:RBNHO:2026:6616 ([eisers] tegen [gedaagde]). In deze zaak tussen ex-echtgenoten [gedaagde] staat de vraag centraal of [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld door in een medische tuchtprocedure en een interne klachtenprocedure beschuldigingen te uiten over het toedienen van methylfenidaat aan een van haar minderjarige kinderen. [gedaagde] beschuldigt [eiser 1] sinds oktober 2024 ervan dat hij hun zoon zonder medisch voorschrift methylfenidaat heeft toegediend. Zij heeft hiervan aangifte gedaan bij de politie. Naar aanleiding daarvan is een strafrechtelijk onderzoek gestart, waarin [eiser 1] als verdachte wordt aangemerkt. De strafzaak is nog in behandeling. Op verzoek van [eiser 1] hebben twee kinderartsen een medisch contra-expertiserapport opgesteld over de beschuldiging dat de zoon stelselmatig met methylfenidaat zou zijn geïntoxiceerd. [gedaagde] heeft vervolgens een tuchtklacht ingediend tegen de artsen die het rapport hebben opgesteld. Zij zijn directe collega’s van [eiser 2], die zelf kinderarts is. Na telefonisch contact met het tuchtcollege is de klacht mede aangemerkt als een klacht tegen [eiser 2]. [gedaagde] heeft daarnaast een klacht ingediend bij het ziekenhuis waar [eiser 2] werkzaam is. [eisers] vorderen in kort geding dat het [gedaagde] wordt verboden om hen ervan te beschuldigen dat zij de zoon hebben gedrogeerd of mishandeld, hem methylfenidaat hebben toegediend of betrokken zijn geweest bij dergelijk handelen. Ook verlangen zij dat [gedaagde] het tuchtcollege bericht dat verschillende passages uit haar klachtbrief onjuist zijn. Volgens [eisers] maken de uitlatingen inbreuk op hun eer en goede naam en is sprake van smaad, laster of anderszins onrechtmatig handelen.
Zorgverlener mag zorgovereenkomst niet opzeggen; cliënt hoeft zorgwoning niet te verlaten
Rb. Midden-Nederland 3 juni 2026, LS&R 2420; ECLI:NL:RBMNE:2026:3069 ([eisende partij] tegen [gedaagde partij]). In deze zaak tussen een zorgverlener en een cliënt staat de beëindiging van een zorgovereenkomst en de daaraan gekoppelde huur van een zorgwoning centraal. De zorgverlener vordert ontruiming van de woning en betaling van een huurachterstand van ruim zeven duizend euro. De kantonrechter kwalificeert de zorgovereenkomst niet als een geneeskundige behandelingsovereenkomst, maar als een gewone overeenkomst van opdracht. De begeleiding was gericht op onder meer gedragsregulering, sociale contacten, zelfstandigheid, persoonlijke verzorging en medicatiegebruik. Omdat de zorg- en huurovereenkomst aan elkaar waren gekoppeld en het zorgelement overheerste, zou een rechtsgeldige beëindiging van de zorgovereenkomst in beginsel ook tot beëindiging van het woonrecht kunnen leiden.
Zorginstelling aansprakelijk na onzorgvuldige beëindiging begeleiding en huisvesting
Rb. Noord-Holland 3 juni 2026, LS&R 2418; ECLI:NL:RBNHO:2026:6356 ([eiser] en [betrokkene 1] tegen De ZorgSpecialist). In deze zaak tussen een jongvolwassene met een licht verstandelijke beperking en De ZorgSpecialist staat de beëindiging van een begeleidings- en huurovereenkomst centraal. De cliënt heeft een VG6-zorgprofiel en is aangewezen op verblijf met intensieve begeleiding, verzorging en gedragsregulering. De rechtbank merkt de begeleidingsovereenkomst aan als een geneeskundige behandelingsovereenkomst. Een zorginstelling mag zo’n overeenkomst alleen wegens gewichtige redenen beëindigen en moet eerst alles doen wat redelijkerwijs mogelijk is om beëindiging te voorkomen.
Cliëntenraad moet handhavingsverzoek tegen zorginstelling aan bestuursrechter voorleggen
Rb. Den Haag 26 juni 2026, LS&R 2417; ECLI:NL:RBDHA:2026:17358 (de CR tegen de IGJ). In deze zaak tussen de Cliëntenraad Villa Expertcare en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd staat de voorgenomen sluiting van twee zorgvilla’s voor ernstig zieke en meervoudig beperkte kinderen centraal. Villa Expertcare is als tussenkomende partij aan de procedure deelgenomen. Villa Expertcare besloot begin 2026 de zorg op haar vier locaties te beëindigen. Later kondigde zij aan de zorg te willen concentreren in Rijswijk en Wezep en de locaties Vleuten en Waalre te sluiten. De cliëntenraad vreesde dat voor verschillende kinderen geen passende vervolgzorg beschikbaar zou zijn en vroeg de IGJ om Villa Expertcare een schriftelijke aanwijzing te geven. De sluiting moest volgens de cliëntenraad worden opgeschort totdat voor iedere cliënt een verantwoorde alternatieve zorgplek was geregeld. De IGJ was al een onderzoek gestart naar de kwaliteit, veiligheid en continuïteit van de zorg. Zij concludeerde dat de zorg grotendeels voldeed, maar kwetsbaar was, en dat snel verbetermaatregelen nodig waren. Villa Expertcare stelde daarop een plan van aanpak op en rapporteerde regelmatig aan de IGJ.
Rechtbank wijst vorderingen fysiotherapiepraktijken over hogere CZ-tarieven af wegens ontbreken spoedeisend beelang
Rechtbank Den Haag 2 juli 2026, LS&R 2416; ECLI:NL:RBDHA:2026:17894 (De fysiotherapiepraktijken tegen CZ). In deze zaak tussen een aantal fysiotherapiepraktijken en zorgverzekeraar CZ staat de vraag centraal of CZ haar tarieven voor fysiotherapeutische zorg in 2026 en 2027 moet verhogen en nader moet onderbouwen. Enkele andere fysiotherapiepraktijken zijn in de procedure tussengekomen en hebben zich bij de vorderingen aangesloten. De fysiotherapiepraktijken stellen dat CZ geen reële, kostendekkende en voldoende geïndexeerde tarieven hanteert. Volgens hen leidt dit tot financiële problemen, achterblijvende salarissen, onbetaald werk en uitstroom uit de sector. Zij vorderen daarom onder meer tariefverhogingen, toepassing van kostprijzen en indexaties, een kostprijsonderzoek en een verbod om vergoedingen voor aanvullende eisen zonder voorafgaand onderzoek te verlagen.
Horeca-exploitant op festival verantwoordelijk voor handhaving rookverbod
College van Beroep voor het bedrijfsleven 7 juli 2026, LS&R 2414; ECLI:NL:CBB:2026:314 (de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport tegen [naam 1]). In deze zaak tussen [naam 1] B.V. en de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport staat de vraag centraal wie verantwoordelijk was voor de handhaving van het rookverbod in een horecatent op het festival Dutch Valley 2022. De minister had [naam 1] een boete van € 600 opgelegd, nadat toezichthouders in de Hip Hop tent meerdere bezoekers zagen roken en vapen zonder dat zij daarop werden aangesproken. [naam 1] verzorgde op het festival verschillende biertappunten en beschikte over de ontheffing voor het schenken van zwak-alcoholhoudende drank op het gehele festivalterrein. Zij stelde dat niet zij, maar de festivalorganisator verantwoordelijk was voor het rookverbod. De organisator had het verbod ingesteld en zou volgens de gemaakte afspraken beveiligers inzetten om het te handhaven.
CBb schrapt beperking op terugwerkende kracht herziene ggz- en fz-tarieven
College van Beroep voor het bedrijfsleven 16 juni 2026, LS&R 2413; ECLI:NL:CBB:2026:258 (De Verenigingen, DFZS e.a. en SolutionS e.a. tegen de zorgaanbieders). In deze zaak tussen verschillende aanbieders en brancheverenigingen binnen de geestelijke gezondheidszorg en de forensische zorg enerzijds en de Nederlandse Zorgautoriteit anderzijds staat de vraag centraal of de NZa de werking van herziene tariefbeschikkingen voor 2022, 2023 en 2024 mocht beperken. Verschillende zorgverzekeraars zijn als derde partijen bij de procedures betrokken. De procedure volgt op een eerdere uitspraak van het CBb uit 2024. Daarin droeg het College de NZa op om de tarieven voor de geestelijke gezondheidszorg en de forensische zorg opnieuw vast te stellen. Bij deze herijking moest de NZa de indirecte tijd op basis van actuele gegevens in de tarieven verwerken. De NZa herzag daarop de tariefbeschikkingen voor 2022 en 2023 en stelde ook voor 2024 een herziene tariefbeschikking vast. In de herziene beschikkingen nam de NZa een passage op waarin stond dat de nieuwe tarieven geen rechtsgevolgen hadden voor declaraties die vóór de inwerkingtreding al waren betaald en voor overeenkomsten die vóór die datum waren gesloten. Volgens de zorgaanbieders stond deze passage eraan in de weg dat zij voor eerder verleende zorg alsnog een vergoeding op basis van de herziene tarieven konden ontvangen. De herziene tarieven zelf bestreden zij niet. De NZa stelde dat de passage uitsluitend informatief van aard was. Daarmee wilde zij voorkomen dat de herziene tarieven via de administratieve systemen van zorgaanbieders en zorgverzekeraars automatisch met terugwerkende kracht zouden worden toegepast. Dat zou volgens de NZa tot grote administratieve lasten kunnen leiden, omdat reeds verwerkte zorgprestaties mogelijk moesten worden gecrediteerd en opnieuw gedeclareerd. Zorgaanbieders en zorgverzekeraars konden volgens de NZa wel nieuwe afspraken maken binnen de ruimte die de herziene tarieven boden.
Aanmelden voor de Mr. S.K. Martens Academie
Belangstellenden kunnen zich nu aanmelden voor de volgende editie van de Mr. S.K. Martens Academie. Deze officiële specialisatieopleiding intellectueel eigendoms- en procesrecht is bedoeld voor advocaten, rechters en (bedrijfs)juristen die hun juridische kennis en praktische vaardigheden verder willen verdiepen. De opleiding bestaat uit acht masterclasses en vier live online sessies en start naar waarschijnlijkheid in het najaar 2026.
De nadruk ligt op de praktische bescherming en handhaving van intellectuele eigendomsrechten. Deelnemers werken in kleine groepen met actuele jurisprudentie, recente praktijkvoorbeelden en concrete businesscases. Ook de invloed van AI op de rechtspraktijk maakt deel uit van het programma. De hoofddocenten zijn Marijn Kingma, Peter Teunissen en Jorn Torenbosch.
Na succesvolle afronding van het mondelinge examen ontvangen deelnemers een certificaat in het intellectueel eigendoms- en procesrecht. De opleiding levert 54 tot 60 PO-punten op. Daarnaast krijgen deelnemers toegang tot het alumninetwerk en gedurende één jaar kosteloos toegang tot verschillende IE-publicaties en databanken van deLex, zoals AI-Forum, Auteursrecht, BMM Bulletin, Berichten Industriële Eigendom en Mediaforum.
Aanmelden of een offerte op maat aanvragen kan via info@delex.nl.














