Rb Den Haag: thuiszorgorganisatie moet € 2,7 miljoen aan declaraties terugbetalen wegens ontbrekende indicaties
Rb. Den Haag 25 maart 2026, LS&R 2401; ECLI:NLRBDHA:2026:6710 (Zilveren Kruis c.s. tegen Novum-Plus). In deze zaak tussen Zilveren Kruis c.s. en Novum-Plus staat de vraag centraal of zorgverzekeraars miljoenen euro's aan declaraties voor wijkverpleging mogen terugvorderen nadat uit een materiële controle en een daaropvolgend fraudeonderzoek is gebleken dat de thuiszorgorganisatie niet kon aantonen dat vooraf geldige indicaties waren gesteld. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend. Ook de reconventionele vorderingen van Novum-Plus, die zijn gebaseerd op vermeend onrechtmatig handelen van de zorgverzekeraars en op nietigheid van een overeengekomen cliëntenstop, worden afgewezen. Novum-Plus verleende thuiszorg aan verzekerden van Zilveren Kruis c.s. Op grond van tussen partijen gesloten overeenkomsten over de jaren 2018 tot en met 2022 mocht Novum-Plus de geleverde zorg rechtstreeks bij de zorgverzekeraars declareren. In die overeenkomsten is onder meer bepaald dat een indicatie voor wijkverpleging voorafgaand aan de zorgverlening moet worden gesteld door een verpleegkundig specialist of hbo-verpleegkundige. Ook moet vooraf een zorgplan worden opgesteld, waarin de aard, omvang en duur van de zorg zijn vastgelegd. Zorg waarvoor geen wettelijke aanspraak bestaat, komt niet voor vergoeding in aanmerking. Nadat eerder al een geschil had gespeeld over declaraties uit de periode 2014-2017, startte Zilveren Kruis c.s. in 2021 een materiële controle naar de jaren 2018 en 2019. Vanwege de bevindingen werd het onderzoek later omgezet in een fraudeonderzoek. Tijdens dat onderzoek sloten partijen nog wel een overeenkomst voor 2022, maar daarbij werd afgesproken dat Novum-Plus geen nieuwe cliënten zou aannemen totdat het fraudeonderzoek was afgerond. Daarnaast werd overeengekomen dat de overeenkomst kon worden beëindigd indien meer dan 5% onrechtmatigheid zou worden vastgesteld. In november 2022 legde Zilveren Kruis c.s. een betaalstop op en bood zij Novum-Plus geen overeenkomst voor 2023 aan. In mei 2024 volgden de definitieve bevindingen van het fraudeonderzoek. Volgens Zilveren Kruis c.s. ontbraken de vereiste indicaties, ontbrak een controleerbare audit trail, kon de feitelijke levering van zorg niet worden vastgesteld en voldeed Novum-Plus niet aan de contractuele en wettelijke vereisten. Op grond daarvan vorderde Zilveren Kruis c.s. terugbetaling van ruim € 2,7 miljoen aan declaraties over de periode 2018 tot en met maart 2022 en ruim € 200.000 wegens declaraties die ondanks de cliëntenstop waren ingediend. De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat wijkverpleging alleen voor vergoeding in aanmerking komt indien vooraf een geldige indicatie is gesteld. Uit de overeenkomsten volgt volgens de rechtbank duidelijk dat de indicatie vóór aanvang van de zorg moet worden opgesteld, behoudens spoedgevallen. Het zorgplan vormt daarbij een essentieel onderdeel van de indicatie en de grondslag voor de te leveren en te declareren zorg. Zilveren Kruis c.s. heeft aangevoerd dat in vrijwel geen van de onderzochte dossiers een vooraf opgestelde indicatie aanwezig was. Wel trof zij indicaties aan in het digitale systeem van Novum-Plus, maar uit logbestanden bleek dat deze pas waren ingevoerd nadat de materiële controle was aangekondigd. Novum-Plus heeft erkend dat zij indicaties aanvankelijk op papier opstelde en deze pas later in het systeem invoerde. De originele papieren indicaties waren echter niet meer beschikbaar, omdat deze volgens Novum-Plus waren weggegooid. Volgens de rechtbank heeft Novum-Plus daarmee niet voldaan aan essentiële verplichtingen uit de overeenkomsten. Omdat de papieren indicaties ontbreken, kan niet meer worden gecontroleerd of de gedeclareerde zorg daadwerkelijk is geleverd op basis van vooraf en overeenkomstig de geldende regels opgestelde indicaties. Dat rekent de rechtbank Novum-Plus zwaar aan, omdat een voorafgaande indicatie een essentieel onderdeel vormt van het systeem van thuiszorgverlening en zorgverzekering. Daarbij komt dat Zilveren Kruis c.s. wegens andere tekortkomingen, waaronder gebrekkige administratie over planning en inzet van zorgverleners, ook geen sluitende koppeling kon maken tussen de gedeclareerde zorg en de onderliggende administratie.
Artikel geschreven door Ilona Kuipers, ICTRecht.
Van Wegiz tot Wet GIS: de Nederlandse invulling van de EHDS
In februari schreven we al in een blog over de hoofdlijnen van de implementatie van de European Health Data Space verordening (EHDS) met als doel het beter beschikbaar maken van gezondheidsgegevens. Sindsdien is er veel gebeurd en met de kamerbrief van 18 mei 2026 worden eerder aangekondigde keuzes geconcretiseerd. Daarnaast zijn de eerste conceptstukken van de bijbehorende uitvoeringswet inmiddels beschikbaar gemaakt: het wetsvoorstel Wet op het gezondheidsinformatiestelsel (Wet GIS) en de bijbehorende Memorie van Toelichting.[1]
Daarmee geeft de wetgever, na een lange tijd onduidelijkheid, een beeld van hoe Nederland de EHDS juridisch gaat inrichten. De uitvoering van de EHDS gaat in tranches plaatsvinden, waarbij de eerste tranche, de wet GIS, zich richt op het fundament van het stelsel, zoals het aanwijzen van de instanties die worden belast met taken op grond van de EHDS. De inhoudelijke bepalingen rond primair gebruik, secundair gebruik en EPD-systemen komen pas in de tweede tranche aan de orde. In dit blog lichten wij de huidige stand van zaken toe en gaan we in op de gemaakte keuzes in de wet GIS.
De wet GIS
De wetgever heeft ervoor gekozen om de nationale wetgeving in tranches te wijzigen met meerdere wetsvoorstellen die gezamenlijk de Stelselwet gegevensverwerking in de zorg gaan vormen. De wet GIS geeft als eerste tranche uitvoering aan de bepalingen uit de EHDS voor zover die per 26 maart 2027 van toepassing worden. Deze bepalingen zien op de aanwijzing van de instanties die belast zijn met uitvoeringstaken en het toezicht- en handhavingskader. Ook wordt in de Wet GIS een aanpassing van de Wet elektronische gegevensuitwisseling in de zorg (Wegiz) voorgesteld, namelijk op het gebied van de conformiteitsbeoordeling.[2]
De internetconsultatie ter voorbereiding op de Wet GIS is gestart op 28 mei 2026 en sluit op 8 juli 2026. Of je nu zorgaanbieder, patiënt(organisatie), EPD-leverancier, onderzoeker of anderszins betrokken bent: dit is hét moment om van je te laten horen. Reageren kan via internetconsultatie.nl.
P-G: schending informatieplicht leidt niet tot aansprakelijkheid Sint Maartenskliniek
HR 12 juni 2026, LS&R 2400; ECLI:NL:PHR:2026:575 ([de patiënt] tegen Sint Maartenskliniek). In deze zaak tussen [de patiënt] en de Sint Maartenskliniek staat de vraag centraal of een ziekenhuis aansprakelijk is voor de schade die een patiënt heeft geleden na een rugoperatie, wanneer vaststaat dat het ziekenhuis zijn informatieplicht heeft geschonden maar onzeker is of de patiënt bij volledige voorlichting van de operatie zou hebben afgezien. De procureur-generaal concludeert dat het cassatieberoep van [de patiënt] moet worden verworpen. [de patiënt] werd in 2013 wegens ernstige rugklachten verwezen naar de Sint Maartenskliniek. Op 27 november 2013 onderging hij daar een operatie. Tijdens die ingreep trad een complicatie op, waardoor een incomplete dwarslaesie ontstond. Daarna volgden nog twee operaties. Als gevolg van de eerste operatie liep [de patiënt] een partiële dwarslaesie op en raakte hij rolstoelgebonden. In de civiele procedure vorderde [de patiënt] een verklaring voor recht dat de Sint Maartenskliniek aansprakelijk is voor zijn schade. Daarbij voerde hij onder meer aan dat de kliniek hem voorafgaand aan de operatie onvoldoende had geïnformeerd over de aard van de ingreep, de daaraan verbonden risico's en mogelijke alternatieven. Het hof stelde vast dat de Sint Maartenskliniek inderdaad haar informatieplicht uit de WGBO (afdeling geneeskundige behandelingsovereenkomst in het Burgerlijk Wetboek, waaronder Artikel 7:448 BW over de informatieverstrekking door de hulpverlener) had geschonden. Daarmee stond echter nog niet vast dat de kliniek ook aansprakelijk was voor alle schade die [de patiënt] had geleden. Doorslaggevend is immers of voldoende aannemelijk is dat de patiënt bij een behoorlijke voorlichting van de behandeling zou hebben afgezien. Het hof heeft bij die beoordeling aansluiting gezocht bij de maatstaf van de redelijk handelend patiënt. Daarbij zijn onder meer de ernst van de klachten, de kans op herstel zonder operatie, de alternatieve behandelmethoden en de risico's van de ingreep betrokken. Het hof kwam tot het oordeel dat een redelijk handelend patiënt in de positie van [de patiënt] ook bij volledige voorlichting voor de operatie zou hebben gekozen.
Morgen is het zover: WK & Recht in Amsterdam.
Na de winst van Oranje afgelopen zaterdag zijn er meer ogen gericht op het WK dan ooit tevoren. De spanning loopt op, de oranje merchandise ligt al in de schappen en merken staan klaar om mee te juichen.
Bij WK & Recht kijken we naar de juridische kant van al die Oranjekoorts. Van privacy in stadions en gezichtsherkenning tot wedstrijddata, sponsoring, licenties en WK-campagnes: het toernooi leeft ook buiten het veld.
Onder leiding van Sabin Tigu bespreken we dit met Eliëtte Vaal, Lars Boer, Tim Wilms, Dolf Segaar, Bram Bogaerts en Hans Schakel.
Dinsdag 23 juni 2026 | Buro de Pijp, Amsterdam
Meer informatie en aanmelden: https://www.delex.nl/shop/opleidingen/wk-recht-dinsdag-23-juni-2026
GLB-ecoregeling: minister mag teledetectie gebruiken bij controle groene braak, beroep landbouwer ongegrond
CBB 7 oktober 2025, LS&R 2398; ECLI:NL:CBB:2025:543 ([naam] tegen de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur). Het College van Beroep voor het bedrijfsleven heeft geoordeeld dat de minister bij de controle van percelen in het kader van de eco-regeling van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) gebruik mag maken van verschillende soorten beeldmateriaal, waaronder luchtfoto's, satellietbeelden en teledetectiebeelden. Als een landbouwer van mening is dat dit beeldmateriaal voor meerdere uitleg vatbaar is, ligt het op zijn weg aannemelijk te maken dat zijn interpretatie juist is. In deze zaak slaagde de landbouwer daar niet in, zodat de minister terecht geen punten had toegekend voor de eco-activiteit "groene braak, spontane opkomst" op één van zijn percelen. Met zijn Gecombineerde opgave over 2023 had de landbouwer aanspraak gemaakt op de eco-regeling op het niveau van het goudtarief van € 200 per hectare. De minister kende echter slechts het zilvertarief van € 100 per hectare toe. Aanleiding daarvoor was dat voor perceel 11, met een oppervlakte van 0,7823 hectare, geen punten werden toegekend voor de opgegeven eco-activiteit "groene braak, spontane opkomst" (gewascode 6794). Volgens de minister voldeed het perceel niet aan de voorwaarde dat het in de periode van 31 mei tot en met 31 augustus voor minimaal 80% uit het aangegeven gewas moest bestaan. Deze eis volgt uit de nationale invulling van de eco‑regeling in de Uitvoeringsregeling GLB 2023, waarin voor de eco‑activiteit ‘groene braak’ is voorgeschreven dat in die periode de oppervlakte voor minimaal 80% met het opgegeven gewas bedekt moet zijn. De landbouwer stelde zich op het standpunt dat wel degelijk aan deze voorwaarde was voldaan. Volgens hem was perceel 11 vergelijkbaar met het naastgelegen perceel 160, waarvoor de eco-activiteit wel was goedgekeurd. Dat op satellietbeelden in juli 2023 een bruine verkleuring zichtbaar was, kwam volgens hem doordat het gewas als gevolg van droogte aan de bovenzijde was verdord. Dat betekende niet dat het gewas was verdwenen. Verder voerde hij aan dat de minister pas in bezwaar het gebruikte beeldmateriaal had overgelegd en uitsluitend op teledetectiebeelden was afgegaan. De minister bracht daartegen in dat de regeling vereist dat gedurende de gehele periode van 31 mei tot en met 31 augustus sprake is van minimaal 80% bedekking met een levend gewas. Daarbij maakte de minister gebruik van verschillende soorten beeldmateriaal, waaronder luchtfoto's, satellietbeelden en zogenoemde "near infrared"-beelden voor teledetectie. Op deze laatste beelden wijst een rode kleur op aanwezigheid van bladgroen, terwijl een groene kleur juist duidt op weinig of geen bladgroen.
Rb Gelderland: zorgpremievordering verjaard omdat ontvangst stuitingsbrieven niet vaststaat
Rb. Gelderland 21 januari 2026, LS&R 2397; ECLI:NL:RBGEL:2026:2599 (Menzis tegen [gedaagde]). De kantonrechter van de Rechtbank Gelderland heeft geoordeeld dat de vordering van Menzis tot betaling van achterstallige zorgpremies is verjaard. Hoewel Menzis meerdere schriftelijke aanmaningen en e-mails heeft verstuurd, staat niet vast dat deze [de gedaagde] hebben bereikt. Daardoor is de verjaring niet tijdig gestuit en wordt de vordering afgewezen. Tussen Menzis en [de gedaagde] bestond in de periode van 27 maart 2017 tot en met 23 november 2017 een zorgverzekeringsovereenkomst. De premie bedroeg € 119 per maand. Volgens Menzis heeft [de gedaagde] gedurende zes maanden geen premie betaald, waardoor een achterstand van € 733,83 is ontstaan. Inclusief rente en buitengerechtelijke incassokosten vordert Menzis een bedrag van € 971,18. [de gedaagde] voert aan dat de vordering inmiddels is verjaard en betwist daarnaast dat hij de premie onbetaald heeft gelaten. De kantonrechter stelt voorop dat een rechtsvordering tot nakoming van periodieke betalingen verjaart door verloop van vijf jaar nadat de vordering opeisbaar is geworden. Die termijn kan worden gestuit door een schriftelijke aanmaning of een andere schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt. Vast staat dat [de gedaagde] in ieder geval de brief van 17 september 2018 heeft kunnen ontvangen en dat de brief van 27 mei 2019 de bewindvoerder van [de gedaagde] heeft bereikt. Daarmee is de verjaring op 27 mei 2019 gestuit en is een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar gaan lopen. Centraal staat vervolgens de vraag of Menzis de verjaring tussen 27 mei 2019 en 11 april 2025 opnieuw heeft gestuit. Volgens de kantonrechter rusten de stelplicht en bewijslast daarvan op Menzis. Daarbij geldt dat een verklaring pas werking heeft wanneer deze de geadresseerde heeft bereikt. De kantonrechter verwijst in dit verband naar de maatstaf van de Hoge Raad, inhoudende dat de afzender moet stellen en zo nodig bewijzen dat de verklaring is verzonden, dat deze is verstuurd naar een adres waarvan redelijkerwijs mocht worden aangenomen dat de geadresseerde daar bereikbaar was en dat de verklaring daar is aangekomen.
Rb Rotterdam: afgifte medisch dossier kan in kort geding niet via verzoekschrift worden afgedwongen
Rb. Rotterdam 23 maart 2026, LS&R 2396; ECLI:NL:RBROT:2026:3605 ([verzoeker] tegen Veldhuis Kliniek). In deze zaak tussen [verzoeker] en Velthuis Kliniek staat de vraag centraal of een patiënt in kort geding via een verzoekschrift afgifte van een volledig medisch dossier kan afdwingen. [verzoeker] verzoekt de voorzieningenrechter om Velthuis Kliniek te bevelen haar volledige medisch dossier, waaronder loggegevens, te verstrekken. Zij baseert haar verzoek op het inzagerecht uit artikel 7:456 BW en op artikel 15 AVG. Volgens [verzoeker] is er sprake van een spoedeisend belang, omdat zij het dossier nodig heeft in een tuchtprocedure bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. De voorzieningenrechter stelt voorop dat een verzoek tot afgifte van een medisch dossier niet via een verzoekschriftprocedure in kort geding kan worden ingesteld. Een dergelijke vordering moet worden ingediend bij dagvaarding. Dat geldt ook wanneer er sprake is van spoedeisendheid. Voor een kort geding dat bij dagvaarding wordt ingesteld, geldt bovendien verplichte procesvertegenwoordiging door een advocaat. Voor zover [verzoeker] zich beroept op artikel 15 AVG, leidt dat niet tot een ander oordeel. De verzoekschriftprocedure van artikel 35 UAVG staat uitsluitend open in een bodemprocedure en niet in een kort geding. De voorzieningenrechter onderzoekt vervolgens of aanleiding bestaat om gebruik te maken van de zogenoemde spoorwissel, waarbij een onjuist ingeleide procedure wordt omgezet in de juiste procesvorm. Daarvoor ziet de rechtbank alleen geen aanleiding.
Onrechtmatige frauderegistratie door zorgverzekeraar: onvoldoende grond voor opname in IR en EVR
Rb. Den Haag 22 april 2026, LS&R 2395; ECLI:NL:RBDHA:2026:10688 (Novacura c.s. tegen VGZ). De Rechtbank Den Haag oordeelt dat VGZ de persoonsgegevens van zorgaanbieder Novacura en haar bestuurder ten onrechte heeft opgenomen in het Incidentenregister en het Extern Verwijzingsregister wegens vermeende zorgfraude. VGZ had haar fraudeverwijt gebaseerd op verschillen tussen urenregistraties en dagrapportages, verklaringen van verzekerden en volgens VGZ misleidende uitlatingen van de bestuurder over contacten met onder meer Zilveren Kruis en de IGJ. De rechtbank stelt voorop dat verwerking van persoonsgegevens in deze registers alleen rechtmatig is als wordt voldaan aan de AVG, in het bijzonder artikel 6 lid 1 onder f en artikel 17 lid 1 onder d AVG, en aan het Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen. Voor EVR-registratie moet in voldoende mate vaststaan dat de betrokkene betrokken is bij gedragingen die een bedreiging vormen voor de financiële belangen of integriteit van de financiële sector; bij strafrechtelijke persoonsgegevens is méér vereist dan een redelijk vermoeden van schuld. Voor IR-registratie moet sprake zijn van een incident in de zin van het Protocol.
HvJ EU: Griekenland mag online verkoop van niet-receptplichtige geneesmiddelen niet beperken tot beperkte subcategorie
HvJ EU 21 mei 2026, LS&R 2394; ECLI:EU:C:2026:418 (Farmakeio YZ & Sia OE tegen de Griekse ministers van Ontwikkeling en Volksgezondheid). Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft geoordeeld dat Griekse regelgeving die de online verkoop van niet-receptplichtige geneesmiddelen beperkt tot uitsluitend een specifieke subcategorie van die geneesmiddelen, in strijd is met het Unierecht. Volgens het Hof verplicht artikel 85c van Richtlijn 2001/83 de lidstaten om de verkoop op afstand van alle niet-receptplichtige geneesmiddelen toe te staan. Lidstaten mogen wel voorwaarden stellen aan de wijze waarop niet-receptplichtige geneesmiddelen online aan het publiek worden verkocht (retail supply), maar zij mogen die bevoegdheid niet gebruiken om de online verkoop van bepaalde categorieën niet-receptplichtige geneesmiddelen in feite te verbieden. De zaak was aanhangig gemaakt door een Griekse apotheek die naast een fysieke vestiging ook online geneesmiddelen verkoopt. In 2022 voerde Griekenland nieuwe regelgeving in die bepaalde dat gecertificeerde online apotheken uitsluitend nog geneesmiddelen uit de categorie ‘over-the-counter’ (OTC) online mochten aanbieden. Andere niet-receptplichtige geneesmiddelen mochten niet langer via internet aan consumenten worden verkocht. Voorheen konden online apotheken alle niet-receptplichtige geneesmiddelen op afstand aanbieden. De Griekse overheid en de nationale apothekersvereniging verdedigden deze beperking met een beroep op de bescherming van de volksgezondheid, onder meer vanwege risico’s van overmatig geneesmiddelengebruik en de handel in vervalste geneesmiddelen. Het Hof stelt voorop dat artikel 85c lid 1 van Richtlijn 2001/83 bepaalt dat lidstaten ervoor moeten zorgen dat geneesmiddelen via diensten van de informatiemaatschappij op afstand aan het publiek kunnen worden aangeboden. Uit de bewoordingen van deze bepaling volgt volgens het Hof dat deze verplichting betrekking heeft op alle niet-receptplichtige geneesmiddelen.
Geen wettelijke rente voor zorgverzekeraar wegens ontbreken algemene voorwaarden
Rb. Limburg 20 mei 2026, LS&R 2393; ECLI:NL:RBLIM:2026:3714 (VGZ tegen [gedaagde]). De kantonrechter van de Rechtbank Limburg heeft geoordeeld dat [gedaagde] een openstaande premieachterstand aan zijn zorgverzekeraar moet voldoen. De gevorderde wettelijke rente werd echter afgewezen, omdat de zorgverzekeraar de toepasselijke algemene voorwaarden niet in het geding had gebracht. Daardoor kon de kantonrechter niet beoordelen of de bedingen waarop de rentevordering was gebaseerd verenigbaar zijn met het consumentenrecht. Tussen partijen bestond een zorgverzekeringsovereenkomst. Nadat een betalingsachterstand was ontstaan, hadden partijen een betalingsregeling getroffen. [gedaagde] bleef echter ook tijdens de looptijd van die regeling achter met het voldoen van nieuwe premietermijnen. Volgens de zorgverzekeraar was de betalingsregeling daardoor vervallen en werd het resterende openstaande bedrag direct opeisbaar. De kantonrechter stelt vast dat sprake is van een consumentenovereenkomst en toetst daarom ambtshalve of de aan de vordering ten grondslag gelegde bedingen voldoen aan het consumentenrecht.














