LS&R 2363
30 maart 2026
Uitspraak

Rb. Rotterdam: te laat beroep niet-ontvankelijk, tweede Warenwetboete voor online aanbod van niet-toegelaten novel food blijft in stand

 
LS&R 2361
30 maart 2026
Uitspraak

Hof onderscheidt tussen levering en aanplant: kwekerij alleen aansprakelijk voor bomen die zij zelf heeft geplant

 
LS&R 2347
27 maart 2026
Artikel

Seminar over de Cyberbeveiligingswet op 16 april 2026

 
LS&R 2363

Rb. Rotterdam: te laat beroep niet-ontvankelijk, tweede Warenwetboete voor online aanbod van niet-toegelaten novel food blijft in stand

Rechtbank Rotterdam 6 mrt 2026, LS&R 2363; ECLI:NL:RBROT:2026:2809 (eiser tegen verweerder), https://lsenr.nl/artikelen/rb-rotterdam-te-laat-beroep-niet-ontvankelijk-tweede-warenwetboete-voor-online-aanbod-van-niet-toegelaten-novel-food-blijft-in-stand

Rb. Rotterdam 6 maart 2026, LS&R 2363; ECLI:NL:RBROT:2026:2809 (eiser tegen verweerder). De Rechtbank Rotterdam beoordeelt in deze uitspraak twee beroepen tegen afzonderlijke Warenwetboetes van elk € 525 die aan eiser zijn opgelegd wegens het in de handel brengen van twee levensmiddelen die niet-toegelaten nieuwe voedingsmiddelen bevatten. Het gaat om twee verschillende producten en twee afzonderlijke besluiten: bestreden besluit I van 31 januari 2025 over [naam levensmiddel 2] en bestreden besluit II van 27 maart 2025 over [naam levensmiddel 1]. De rechtbank verklaart het beroep tegen bestreden besluit I niet-ontvankelijk, omdat het te laat is ingediend. De beroepstermijn eindigde op 14 maart 2025, terwijl het beroepschrift pas op 22 april 2025 is ontvangen. De door eiser aangevoerde redenen voor de termijnoverschrijding, dat hij beide zaken tegelijk wilde indienen, dat tweemaal griffierecht voor hem financieel bezwaarlijk was en dat hij psychogeriatrische klachten had, maken de overschrijding volgens de rechtbank niet verschoonbaar. Daarbij weegt mee dat eiser wel zelfstandig bezwaar en beroep heeft ingesteld en zo nodig een gemachtigde had kunnen inschakelen.

LS&R 2361

Hof onderscheidt tussen levering en aanplant: kwekerij alleen aansprakelijk voor bomen die zij zelf heeft geplant

Hof Arnhem-Leeuwarden 17 mrt 2026, LS&R 2361; ECLI:NL:GHARL:2026:1623 (De Limieten tegen [geïntimeerden] c.s.), https://lsenr.nl/artikelen/hof-onderscheidt-tussen-levering-en-aanplant-kwekerij-alleen-aansprakelijk-voor-bomen-die-zij-zelf-heeft-geplant

Hof Arnhem-Leeuwarden 17 maart 2026, LS&R 2361; ECLI:NL:GHARL:2026:1623 (De Limieten tegen [geïntimeerden] c.s.). In dit hoger beroep gaat het om een geschil tussen een kwekerij en de eigenaren van een particulier landgoed over volwassen bomen die in verschillende fases zijn geleverd en deels ook door de kwekerij zelf zijn geplant. Een aantal bomen is doodgegaan doordat zij in te natte grond stonden. Het hof oordeelt eerst dat de algemene voorwaarden van de kwekerij niet van toepassing zijn, omdat in de relevante orderbevestigingen voor bos 2 en bos 3 geen duidelijke verwijzing naar die voorwaarden stond; een latere verwijzing op facturen is daarvoor niet genoeg. Vervolgens maakt het hof een duidelijk onderscheid tussen bos 2 en bos 3. Voor bos 2 geldt dat de kwekerij de bomen niet alleen leverde, maar ook zelf plantte. Daarom is sprake van een gemengde overeenkomst van consumentenkoop en aanneming van werk. Uit deskundigenonderzoek blijkt dat op ongeveer 55 cm diepte een storende kleilaag aanwezig was, waardoor de grote wortelkluiten van de zeven beuken en de tulpenboom deels in een slecht doorlatende laag terechtkwamen en in feite in een soort “badkuip” kwamen te staan. Het hof oordeelt dat de kwekerij daardoor is tekortgeschoten in haar verplichting om geschikte bomen op een geschikte manier te planten. Zij had de eigenaren bovendien uitdrukkelijk moeten waarschuwen voor de ongeschiktheid van de standplaats en voor de noodzaak van aanvullende maatregelen, zoals drainage of aanplant op een terp; die waarschuwingsplicht baseert het hof op art. 7:754 BW. Daarom blijft de partiële ontbinding voor de zeven beuken en de tulpenboom in stand, net als de toegewezen terugbetaling van € 38.350 en de aanvullende schadevergoeding van € 9.000. De extra vordering over de haagbeuk wijst het hof af, omdat niet is gebleken dat die boom daadwerkelijk was afgestorven.

LS&R 2347

Seminar over de Cyberbeveiligingswet op 16 april 2026

Veel van ons leven en werk speelt zich inmiddels af in de digitale wereld. Tegelijkertijd nemen cyberdreigingen toe, denk aan grote datalekken. Daarmee groeit het belang van goede digitale beveiliging voor bedrijven en publieke instellingen. Om het niveau van cyberbeveiliging binnen de Europese Unie te versterken is de NIS2-richtlijn opgesteld, de opvolger van de eerdere NIS1-richtlijn.

In Nederland wordt deze richtlijn geïmplementeerd via de Cyberbeveiligingswet (Cbw), die naar verwachting in het tweede kwartaal van 2026 in werking treedt. De Cbw vervangt de huidige Wet beveiliging netwerk- en informatiesystemen (Wbni) en introduceert strengere verplichtingen voor organisaties in sectoren met een belangrijk maatschappelijk of economisch gewicht. De wet bevat onder meer regels over risicobeheer, meldplichten bij incidenten, bestuurlijke verantwoordelijkheid en toezicht. Daarnaast speelt de samenwerking met zogeheten Computer Security Incident Response Teams (CSIRT’s) een belangrijke rol bij het detecteren en afhandelen van cyberincidenten.

Tegelijkertijd wordt ook de Critical Entities Resilience Directive (CER-richtlijn) in Nederland geïmplementeerd, via de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten (Wwke). Beide wetten zullen naar verwachting gelijktijdig in werking treden en markeren een belangrijke stap in het versterken van de digitale weerbaarheid van vitale sectoren.

LS&R 2362

Rechtbank Den Haag wijst verbeteringsverzoek van Greenpeace in Bonaire-klimaatzaak af

Rechtbank Den Haag 18 mrt 2026, LS&R 2362; ECLI:NL:RBDHA:2026:6483 (Greenpeace tegen the State), https://lsenr.nl/artikelen/rechtbank-den-haag-wijst-verbeteringsverzoek-van-greenpeace-in-bonaire-klimaatzaak-af

Rb. Den Haag 18 maart 2026, LS&R 2362; ECLI:NL:RBDHA:2026:6483 (Greenpeace tegen the State). In deze uitspraak beslist de rechtbank Den Haag op een verzoek tot verbetering op grond van artikel 31 Rv van het vonnis van 28 januari 2026 in de Bonaire-klimaatzaak. Greenpeace had de rechtbank gevraagd twee punten in rov. 12.2 van het dictum te corrigeren. Ten eerste vond Greenpeace dat daar ten onrechte was verwezen naar artikel 4 lid 1 van het Akkoord van Parijs, terwijl volgens haar artikel 4 lid 4 had moeten worden genoemd. Ten tweede stelde Greenpeace dat uit rov. 11.58 volgde dat de Staat binnen zes maanden inzicht moest geven in de resterende emissieruimte voor Nederland, zodat die termijn ook in het dictum had moeten worden opgenomen. De rechtbank stelt voorop dat artikel 31 Rv alleen ruimte biedt voor herstel van een kennelijk rekenfout, schrijffout of andere kennelijke fout die zich leent voor eenvoudig herstel; daarvan is alleen sprake als onmiddellijk duidelijk is dat een vergissing is gemaakt. De uitspraak met ECLI:NL:RBDHA:2026:6483 is bovendien de Engelse vertaling van het verbeteringsvonnis; de Nederlandse tekst met ECLI:NL:RBDHA:2026:5739 is de authentieke versie.

LS&R 2360

Rechtbank Rotterdam veroordeelt verkoper van afslankcapsules met amfetamine en cafeïne tot 16 maanden gevangenisstraf

Rechtbank Rotterdam 25 feb 2026, LS&R 2360; ECLI:NL:RBROT:2026:2570 (Officier van justitie tegen [verdachte]), https://lsenr.nl/artikelen/rechtbank-rotterdam-veroordeelt-verkoper-van-afslankcapsules-met-amfetamine-en-cafeine-tot-16-maanden-gevangenisstraf

Rb. Rotterdam 25 februari 2026, IT&R 5139; LS&R 2360; ECLI:NL:RBROT:2026:2570 (Officier van justitie tegen [verdachte]). In dit vonnis is de verdachte veroordeeld voor de handel in afslankcapsules die amfetamine en cafeïne bevatten. De rechtbank acht bewezen dat hij in de periode van 15 juli 2022 tot en met 13 oktober 2022 meermalen afslanktabletten en -capsules heeft verkocht, te koop heeft aangeboden en afgeleverd, terwijl hij wist dat deze middelen amfetamine en cafeïne bevatten en daarmee schadelijk waren voor het leven of de gezondheid, maar dat schadelijke karakter heeft verzwegen. Daarnaast heeft hij in de periode van 22 juni 2022 tot en met 13 oktober 2022 opzettelijk amfetamine bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt en vervoerd, in strijd met de Opiumwet. Verder heeft hij in de periode van 10 oktober 2022 tot en met 13 oktober 2022 zonder de vereiste vergunning capsules bevattende dexamfetamine in voorraad gehad, te koop aangeboden en afgeleverd, en geneesmiddelen zonder handelsvergunning in het handelsverkeer gebracht en verhandeld, in strijd met de Geneesmiddelenwet. De rechtbank verwerpt het verweer dat de verdachte slechts in opdracht van een Albanese man handelde. Dat alternatieve scenario heeft volgens de rechtbank geen concrete onderbouwing en vindt geen steun in het dossier. Uit de eigen verklaring van de verdachte, de Facebook- en Instagramaccounts waarop de capsules werden aangeboden, de bestellingen van lege capsules, gripzakjes en cafeïne, de verklaring van een getuige die capsules voor hem vulde, onderschepte poststukken en de bankgegevens leidt de rechtbank af dat de verdachte zelf de handel organiseerde en uitvoerde. Ook het verweer dat de capsules niet schadelijk waren of geen geneesmiddelen zouden zijn, wordt verworpen. Uit NFI-rapportages en de productbeoordeling van de NVWA volgt dat de capsules aanzienlijke hoeveelheden amfetamine en cafeïne bevatten, ernstige gezondheidsrisico’s konden veroorzaken en als geneesmiddel in de zin van art. 1 lid 1 onder b Geneesmiddelenwet moesten worden aangemerkt, terwijl daarvoor geen handelsvergunning was verleend en de verdachte ook niet beschikte over de vereiste vergunningen of ontheffingen. Medeplegen is niet bewezen, zodat de verdachte in zoverre wordt vrijgesproken.

LS&R 2359

Bewijslast boomkwekerij bij Naktuinbouw‑heffingen

College van Beroep voor het Bedrijfsleven 10 mrt 2026, LS&R 2359; ECLI:NL:CBB:2026:98 ([naam 1] B.V., te [woonplaats] ([naam 2]) tegen de Stichting Nederlandse Algemene Kwaliteitsdienst Tuinbouw (Naktuinbouw)), https://lsenr.nl/artikelen/bewijslast-boomkwekerij-bij-naktuinbouw-heffingen

CBB 10 maart 2026, LS&R 2359; ECLI:NL:CBB:2026:98 ([naam 1] B.V., te [woonplaats] ([naam 2]) tegen de Stichting Nederlandse Algemene Kwaliteitsdienst Tuinbouw (Naktuinbouw)). Deze zaak gaat over bijdragen die de Stichting Nederlandse Algemene Kwaliteitsdienst Tuinbouw (Naktuinbouw) heeft opgelegd aan een boomkwekerij ([naam 1] B.V.) voor de seizoenen 2022, 2023 en 2025. Naktuinbouw bracht zowel areaalbijdragen (berekend per vierkante meter kwekerijoppervlak) als keuringsbijdragen (voor administratieve controles en veldkeuringen) in rekening. De kwekerij maakte bezwaar tegen deze facturen, maar Naktuinbouw verklaarde de bezwaren ongegrond, waarna beroep werd ingesteld. Volgens de kwekerij werden planten ten onrechte als teeltmateriaal aangemerkt, terwijl het volgens haar ging om eindproducten die via hoveniers aan consumenten worden verkocht. Daardoor zouden de keuringen en bijdragen geen wettelijke basis hebben. Ook stelde de kwekerij dat fytosanitaire controles overbodig zijn omdat zij die zelf uitvoert en dat door de traceerbaarheidsregels uit Verordening (EU) 2016/2031 eenvoudig kan worden vastgesteld waar planten uiteindelijk terechtkomen.

LS&R 2358

Nieuw EU‑‘pharma package’: hervorming van bescherming, beschikbaarheid en concurrentie op de geneesmiddelenmarkt

De Raad en het Europees Parlement hebben een politiek akkoord bereikt over het nieuwe EU‑‘pharma package’, een omvangrijke hervorming van de geneesmiddelenwetgeving die bedoeld is om de toegang van patiënten tot veilige, effectieve en betaalbare geneesmiddelen in alle lidstaten te verbeteren én de farmaceutische sector concurrerender te maken. Nieuwe geneesmiddelen krijgen onder de afgesproken regels acht jaar dataprotectie voor de gebruikte preklinische en klinische gegevens, plus één jaar marktbescherming, dat nog met een extra jaar kan worden verlengd voor bepaalde innovatieve middelen die aan twee van drie voorwaarden voldoen. Om leveringsproblemen aan te pakken, blijft een door de Raad geïntroduceerde bepaling (artikel 56a) gehandhaafd, die lidstaten de mogelijkheid geeft bedrijven te verplichten om tijdens de beschermingsperiode voldoende hoeveelheden van hun medicijnen te leveren, met aanvullende waarborgen om de verplichtingen van bedrijven en lidstaten te verduidelijken en misbruik voor parallelhandel te voorkomen.

LS&R 2357

Verplichte bufferstroken niet in strijd met eigendomsrecht agrariërs

Rechtbank Den Haag 18 feb 2026, LS&R 2357; ECLI:NL:RBDHA:2026:4118 ([eiseres 1], te [vestigingsplaats 1], gemeente [gemeente 1] en [eiseres 2] tegen DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur)), https://lsenr.nl/artikelen/verplichte-bufferstroken-niet-in-strijd-met-eigendomsrecht-agrariers

Rb Den Haag 18 februari 2026, LS&R 2357; ECLI:NL:RBDHA:2026:4118 ([eiseres 1], te [vestigingsplaats 1], gemeente [gemeente 1] en [eiseres 2] tegen DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur)). Deze uitspraak gaat over een groep agrarische ondernemers (eiseressen) die landbouwbedrijven exploiteren en op grond van recente milieuwetgeving verplicht zijn langs waterlopen op hun percelen zogeheten bufferstroken in te richten waarop geen bemesting mag plaatsvinden. Zij stellen dat deze bufferstrookverplichting hun eigendomsrecht onevenredig aantast en kwalificeren de regeling als een ongeoorloofde inmenging in eigendom in de zin van artikel 1 Eerste Protocol EVRM en artikel 17 EU‑Handvest. In de procedure vorderen zij kort gezegd een verklaring voor recht dat het onderliggende besluit (de regeling waarin de bufferstrookverplichting is vastgelegd) jegens hen buiten toepassing moet blijven zolang geen adequate schadecompensatie is voorzien, alsmede veroordeling van de Staat tot vergoeding van de door hen geleden en nog te lijden schade, op te maken bij staat. Hun stelling is dat de verplichting hen in hun bedrijfsvoering beperkt, tot waardevermindering en inkomensderving leidt en dat zonder passende compensatie sprake is van een disproportionele last die vooral op hun schouders neerkomt.

LS&R 2356

56e herijking maximumprijzen generieke geneesmiddelen houdt stand

College van Beroep voor het Bedrijfsleven 3 mrt 2026, LS&R 2356; ECLI:NL:CBB:2026:76 (Grünenthal B.V. tegen de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport), https://lsenr.nl/artikelen/56e-herijking-maximumprijzen-generieke-geneesmiddelen-houdt-stand

CBB 3 maart 2026, LS&R 2356; ECLI:NL:CBB:2026:76 (Grünenthal B.V. tegen de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport). Grünenthal B.V. (leverancier van generieke geneesmiddelen) vocht bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven de 56e herijking van de Regeling maximumprijzen geneesmiddelen aan, vastgesteld door de minister van VWS bij regeling van 20 februari 2025 (inwerkingtreding 1 april 2025). Het bedrijf stelde dat de nieuwe maximumprijzen zo laag zijn dat zij bepaalde generieke middelen niet meer met redelijke winst in Nederland kan afzetten, wat volgens haar botst met doel en strekking van de Wet geneesmiddelenprijzen (Wgp) en leidt tot tekorten. Ook beriep Grünenthal zich op Europees recht: artikel 34/36 VWEU (vrij verkeer van goederen) en artikel 4, eerste lid, Transparantierichtlijn 89/105/EEG, omdat volgens haar voorafgaand aan de herijking een macro-economisch onderzoek had moeten plaatsvinden. Overigens was niet in geschil dat de minister het rekenkundige systeem van artikel 2 Wgp correct had toegepast; Grünenthal richtte haar beroep ook niet tegen de wetswijziging waarbij Duitsland als referentieland werd vervangen door Noorwegen.

LS&R 2355

RvS: Ctgb moet samenstelling Captan-middel openbaar maken wegens emissie-uitzondering (Wob)

Raad van State 4 mrt 2026, LS&R 2355; ECLI:NL:RVS:2026:1191 ([appellante] tegen Ctgb), https://lsenr.nl/artikelen/rvs-ctgb-moet-samenstelling-captan-middel-openbaar-maken-wegens-emissie-uitzondering-wob

RvS 4 maart 2026, LS&R 2355; ECLI:NL:RVS:2026:1191 ([appellante] tegen Ctgb). In deze zaak vroeg een bedrijf het Ctgb op grond van de Wob om stukken over het schimmelbestrijdingsmiddel VSM Captan 80 WG (toelatingsnummer 15585), waaronder de aanvraag/dossierstukken, de documenten waarop de vergunning (parallelhandelsvergunning) is gebaseerd en de vergunning met voorschriften. Het Ctgb vond zes documenten en maakte die deels openbaar, maar lakte in documenten 4 en 5 onder meer gegevens weg over (oorspronkelijk) fabrikanten/productielocaties en vooral de specifieke stoffen naast de werkzame stof en de exacte gehalten (de samenstelling). Omdat het besluit op bezwaar van 26 oktober 2021 dateert, is de Wob van toepassing (niet de Woo). De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep gegrond omdat het Ctgb in beroep een andere weigeringsgrond aanvoerde, maar liet de rechtsgevolgen in stand: de weggelakte passages zouden (milieu-)informatie bevatten die als bedrijfs- en fabricagegegevens kon worden geweigerd na belangenafweging.