LS&R 2372
8 april 2026
Uitspraak

Handhaving op grond van art. 2.11 Bal bij gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de sierteelt

 
LS&R 2371
8 april 2026
Uitspraak

Prejudiciële vragen gesteld over de Geneesmiddelenrichtlijn

 
LS&R 2370
7 april 2026
Uitspraak

Prejudiciële vragen gesteld over het aanvullende beschermingscertificaat voor geneesmiddelen

 
LS&R 2361

Hof onderscheidt tussen levering en aanplant: kwekerij alleen aansprakelijk voor bomen die zij zelf heeft geplant

Hof Arnhem-Leeuwarden 17 mrt 2026, LS&R 2361; ECLI:NL:GHARL:2026:1623 (De Limieten tegen [geïntimeerden] c.s.), https://lsenr.nl/artikelen/hof-onderscheidt-tussen-levering-en-aanplant-kwekerij-alleen-aansprakelijk-voor-bomen-die-zij-zelf-heeft-geplant

Hof Arnhem-Leeuwarden 17 maart 2026, LS&R 2361; ECLI:NL:GHARL:2026:1623 (De Limieten tegen [geïntimeerden] c.s.). In dit hoger beroep gaat het om een geschil tussen een kwekerij en de eigenaren van een particulier landgoed over volwassen bomen die in verschillende fases zijn geleverd en deels ook door de kwekerij zelf zijn geplant. Een aantal bomen is doodgegaan doordat zij in te natte grond stonden. Het hof oordeelt eerst dat de algemene voorwaarden van de kwekerij niet van toepassing zijn, omdat in de relevante orderbevestigingen voor bos 2 en bos 3 geen duidelijke verwijzing naar die voorwaarden stond; een latere verwijzing op facturen is daarvoor niet genoeg. Vervolgens maakt het hof een duidelijk onderscheid tussen bos 2 en bos 3. Voor bos 2 geldt dat de kwekerij de bomen niet alleen leverde, maar ook zelf plantte. Daarom is sprake van een gemengde overeenkomst van consumentenkoop en aanneming van werk. Uit deskundigenonderzoek blijkt dat op ongeveer 55 cm diepte een storende kleilaag aanwezig was, waardoor de grote wortelkluiten van de zeven beuken en de tulpenboom deels in een slecht doorlatende laag terechtkwamen en in feite in een soort “badkuip” kwamen te staan. Het hof oordeelt dat de kwekerij daardoor is tekortgeschoten in haar verplichting om geschikte bomen op een geschikte manier te planten. Zij had de eigenaren bovendien uitdrukkelijk moeten waarschuwen voor de ongeschiktheid van de standplaats en voor de noodzaak van aanvullende maatregelen, zoals drainage of aanplant op een terp; die waarschuwingsplicht baseert het hof op art. 7:754 BW. Daarom blijft de partiële ontbinding voor de zeven beuken en de tulpenboom in stand, net als de toegewezen terugbetaling van € 38.350 en de aanvullende schadevergoeding van € 9.000. De extra vordering over de haagbeuk wijst het hof af, omdat niet is gebleken dat die boom daadwerkelijk was afgestorven.

LS&R 2362

Rechtbank Den Haag wijst verbeteringsverzoek van Greenpeace in Bonaire-klimaatzaak af

Rechtbank Den Haag 18 mrt 2026, LS&R 2362; ECLI:NL:RBDHA:2026:6483 (Greenpeace tegen the State), https://lsenr.nl/artikelen/rechtbank-den-haag-wijst-verbeteringsverzoek-van-greenpeace-in-bonaire-klimaatzaak-af

Rb. Den Haag 18 maart 2026, LS&R 2362; ECLI:NL:RBDHA:2026:6483 (Greenpeace tegen the State). In deze uitspraak beslist de rechtbank Den Haag op een verzoek tot verbetering op grond van artikel 31 Rv van het vonnis van 28 januari 2026 in de Bonaire-klimaatzaak. Greenpeace had de rechtbank gevraagd twee punten in rov. 12.2 van het dictum te corrigeren. Ten eerste vond Greenpeace dat daar ten onrechte was verwezen naar artikel 4 lid 1 van het Akkoord van Parijs, terwijl volgens haar artikel 4 lid 4 had moeten worden genoemd. Ten tweede stelde Greenpeace dat uit rov. 11.58 volgde dat de Staat binnen zes maanden inzicht moest geven in de resterende emissieruimte voor Nederland, zodat die termijn ook in het dictum had moeten worden opgenomen. De rechtbank stelt voorop dat artikel 31 Rv alleen ruimte biedt voor herstel van een kennelijk rekenfout, schrijffout of andere kennelijke fout die zich leent voor eenvoudig herstel; daarvan is alleen sprake als onmiddellijk duidelijk is dat een vergissing is gemaakt. De uitspraak met ECLI:NL:RBDHA:2026:6483 is bovendien de Engelse vertaling van het verbeteringsvonnis; de Nederlandse tekst met ECLI:NL:RBDHA:2026:5739 is de authentieke versie.

LS&R 2360

Rechtbank Rotterdam veroordeelt verkoper van afslankcapsules met amfetamine en cafeïne tot 16 maanden gevangenisstraf

Rechtbank Rotterdam 25 feb 2026, LS&R 2360; ECLI:NL:RBROT:2026:2570 (Officier van justitie tegen [verdachte]), https://lsenr.nl/artikelen/rechtbank-rotterdam-veroordeelt-verkoper-van-afslankcapsules-met-amfetamine-en-cafeine-tot-16-maanden-gevangenisstraf

Rb. Rotterdam 25 februari 2026, IT&R 5139; LS&R 2360; ECLI:NL:RBROT:2026:2570 (Officier van justitie tegen [verdachte]). In dit vonnis is de verdachte veroordeeld voor de handel in afslankcapsules die amfetamine en cafeïne bevatten. De rechtbank acht bewezen dat hij in de periode van 15 juli 2022 tot en met 13 oktober 2022 meermalen afslanktabletten en -capsules heeft verkocht, te koop heeft aangeboden en afgeleverd, terwijl hij wist dat deze middelen amfetamine en cafeïne bevatten en daarmee schadelijk waren voor het leven of de gezondheid, maar dat schadelijke karakter heeft verzwegen. Daarnaast heeft hij in de periode van 22 juni 2022 tot en met 13 oktober 2022 opzettelijk amfetamine bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt en vervoerd, in strijd met de Opiumwet. Verder heeft hij in de periode van 10 oktober 2022 tot en met 13 oktober 2022 zonder de vereiste vergunning capsules bevattende dexamfetamine in voorraad gehad, te koop aangeboden en afgeleverd, en geneesmiddelen zonder handelsvergunning in het handelsverkeer gebracht en verhandeld, in strijd met de Geneesmiddelenwet. De rechtbank verwerpt het verweer dat de verdachte slechts in opdracht van een Albanese man handelde. Dat alternatieve scenario heeft volgens de rechtbank geen concrete onderbouwing en vindt geen steun in het dossier. Uit de eigen verklaring van de verdachte, de Facebook- en Instagramaccounts waarop de capsules werden aangeboden, de bestellingen van lege capsules, gripzakjes en cafeïne, de verklaring van een getuige die capsules voor hem vulde, onderschepte poststukken en de bankgegevens leidt de rechtbank af dat de verdachte zelf de handel organiseerde en uitvoerde. Ook het verweer dat de capsules niet schadelijk waren of geen geneesmiddelen zouden zijn, wordt verworpen. Uit NFI-rapportages en de productbeoordeling van de NVWA volgt dat de capsules aanzienlijke hoeveelheden amfetamine en cafeïne bevatten, ernstige gezondheidsrisico’s konden veroorzaken en als geneesmiddel in de zin van art. 1 lid 1 onder b Geneesmiddelenwet moesten worden aangemerkt, terwijl daarvoor geen handelsvergunning was verleend en de verdachte ook niet beschikte over de vereiste vergunningen of ontheffingen. Medeplegen is niet bewezen, zodat de verdachte in zoverre wordt vrijgesproken.

LS&R 2359

Bewijslast boomkwekerij bij Naktuinbouw‑heffingen

College van Beroep voor het Bedrijfsleven 10 mrt 2026, LS&R 2359; ECLI:NL:CBB:2026:98 ([naam 1] B.V., te [woonplaats] ([naam 2]) tegen de Stichting Nederlandse Algemene Kwaliteitsdienst Tuinbouw (Naktuinbouw)), https://lsenr.nl/artikelen/bewijslast-boomkwekerij-bij-naktuinbouw-heffingen

CBB 10 maart 2026, LS&R 2359; ECLI:NL:CBB:2026:98 ([naam 1] B.V., te [woonplaats] ([naam 2]) tegen de Stichting Nederlandse Algemene Kwaliteitsdienst Tuinbouw (Naktuinbouw)). Deze zaak gaat over bijdragen die de Stichting Nederlandse Algemene Kwaliteitsdienst Tuinbouw (Naktuinbouw) heeft opgelegd aan een boomkwekerij ([naam 1] B.V.) voor de seizoenen 2022, 2023 en 2025. Naktuinbouw bracht zowel areaalbijdragen (berekend per vierkante meter kwekerijoppervlak) als keuringsbijdragen (voor administratieve controles en veldkeuringen) in rekening. De kwekerij maakte bezwaar tegen deze facturen, maar Naktuinbouw verklaarde de bezwaren ongegrond, waarna beroep werd ingesteld. Volgens de kwekerij werden planten ten onrechte als teeltmateriaal aangemerkt, terwijl het volgens haar ging om eindproducten die via hoveniers aan consumenten worden verkocht. Daardoor zouden de keuringen en bijdragen geen wettelijke basis hebben. Ook stelde de kwekerij dat fytosanitaire controles overbodig zijn omdat zij die zelf uitvoert en dat door de traceerbaarheidsregels uit Verordening (EU) 2016/2031 eenvoudig kan worden vastgesteld waar planten uiteindelijk terechtkomen.

LS&R 2358

Nieuw EU‑‘pharma package’: hervorming van bescherming, beschikbaarheid en concurrentie op de geneesmiddelenmarkt

De Raad en het Europees Parlement hebben een politiek akkoord bereikt over het nieuwe EU‑‘pharma package’, een omvangrijke hervorming van de geneesmiddelenwetgeving die bedoeld is om de toegang van patiënten tot veilige, effectieve en betaalbare geneesmiddelen in alle lidstaten te verbeteren én de farmaceutische sector concurrerender te maken. Nieuwe geneesmiddelen krijgen onder de afgesproken regels acht jaar dataprotectie voor de gebruikte preklinische en klinische gegevens, plus één jaar marktbescherming, dat nog met een extra jaar kan worden verlengd voor bepaalde innovatieve middelen die aan twee van drie voorwaarden voldoen. Om leveringsproblemen aan te pakken, blijft een door de Raad geïntroduceerde bepaling (artikel 56a) gehandhaafd, die lidstaten de mogelijkheid geeft bedrijven te verplichten om tijdens de beschermingsperiode voldoende hoeveelheden van hun medicijnen te leveren, met aanvullende waarborgen om de verplichtingen van bedrijven en lidstaten te verduidelijken en misbruik voor parallelhandel te voorkomen.

LS&R 2357

Verplichte bufferstroken niet in strijd met eigendomsrecht agrariërs

Rechtbank Den Haag 18 feb 2026, LS&R 2357; ECLI:NL:RBDHA:2026:4118 ([eiseres 1], te [vestigingsplaats 1], gemeente [gemeente 1] en [eiseres 2] tegen DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur)), https://lsenr.nl/artikelen/verplichte-bufferstroken-niet-in-strijd-met-eigendomsrecht-agrariers

Rb Den Haag 18 februari 2026, LS&R 2357; ECLI:NL:RBDHA:2026:4118 ([eiseres 1], te [vestigingsplaats 1], gemeente [gemeente 1] en [eiseres 2] tegen DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur)). Deze uitspraak gaat over een groep agrarische ondernemers (eiseressen) die landbouwbedrijven exploiteren en op grond van recente milieuwetgeving verplicht zijn langs waterlopen op hun percelen zogeheten bufferstroken in te richten waarop geen bemesting mag plaatsvinden. Zij stellen dat deze bufferstrookverplichting hun eigendomsrecht onevenredig aantast en kwalificeren de regeling als een ongeoorloofde inmenging in eigendom in de zin van artikel 1 Eerste Protocol EVRM en artikel 17 EU‑Handvest. In de procedure vorderen zij kort gezegd een verklaring voor recht dat het onderliggende besluit (de regeling waarin de bufferstrookverplichting is vastgelegd) jegens hen buiten toepassing moet blijven zolang geen adequate schadecompensatie is voorzien, alsmede veroordeling van de Staat tot vergoeding van de door hen geleden en nog te lijden schade, op te maken bij staat. Hun stelling is dat de verplichting hen in hun bedrijfsvoering beperkt, tot waardevermindering en inkomensderving leidt en dat zonder passende compensatie sprake is van een disproportionele last die vooral op hun schouders neerkomt.

LS&R 2356

56e herijking maximumprijzen generieke geneesmiddelen houdt stand

College van Beroep voor het Bedrijfsleven 3 mrt 2026, LS&R 2356; ECLI:NL:CBB:2026:76 (Grünenthal B.V. tegen de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport), https://lsenr.nl/artikelen/56e-herijking-maximumprijzen-generieke-geneesmiddelen-houdt-stand

CBB 3 maart 2026, LS&R 2356; ECLI:NL:CBB:2026:76 (Grünenthal B.V. tegen de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport). Grünenthal B.V. (leverancier van generieke geneesmiddelen) vocht bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven de 56e herijking van de Regeling maximumprijzen geneesmiddelen aan, vastgesteld door de minister van VWS bij regeling van 20 februari 2025 (inwerkingtreding 1 april 2025). Het bedrijf stelde dat de nieuwe maximumprijzen zo laag zijn dat zij bepaalde generieke middelen niet meer met redelijke winst in Nederland kan afzetten, wat volgens haar botst met doel en strekking van de Wet geneesmiddelenprijzen (Wgp) en leidt tot tekorten. Ook beriep Grünenthal zich op Europees recht: artikel 34/36 VWEU (vrij verkeer van goederen) en artikel 4, eerste lid, Transparantierichtlijn 89/105/EEG, omdat volgens haar voorafgaand aan de herijking een macro-economisch onderzoek had moeten plaatsvinden. Overigens was niet in geschil dat de minister het rekenkundige systeem van artikel 2 Wgp correct had toegepast; Grünenthal richtte haar beroep ook niet tegen de wetswijziging waarbij Duitsland als referentieland werd vervangen door Noorwegen.

LS&R 2355

RvS: Ctgb moet samenstelling Captan-middel openbaar maken wegens emissie-uitzondering (Wob)

Raad van State 4 mrt 2026, LS&R 2355; ECLI:NL:RVS:2026:1191 ([appellante] tegen Ctgb), https://lsenr.nl/artikelen/rvs-ctgb-moet-samenstelling-captan-middel-openbaar-maken-wegens-emissie-uitzondering-wob

RvS 4 maart 2026, LS&R 2355; ECLI:NL:RVS:2026:1191 ([appellante] tegen Ctgb). In deze zaak vroeg een bedrijf het Ctgb op grond van de Wob om stukken over het schimmelbestrijdingsmiddel VSM Captan 80 WG (toelatingsnummer 15585), waaronder de aanvraag/dossierstukken, de documenten waarop de vergunning (parallelhandelsvergunning) is gebaseerd en de vergunning met voorschriften. Het Ctgb vond zes documenten en maakte die deels openbaar, maar lakte in documenten 4 en 5 onder meer gegevens weg over (oorspronkelijk) fabrikanten/productielocaties en vooral de specifieke stoffen naast de werkzame stof en de exacte gehalten (de samenstelling). Omdat het besluit op bezwaar van 26 oktober 2021 dateert, is de Wob van toepassing (niet de Woo). De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep gegrond omdat het Ctgb in beroep een andere weigeringsgrond aanvoerde, maar liet de rechtsgevolgen in stand: de weggelakte passages zouden (milieu-)informatie bevatten die als bedrijfs- en fabricagegegevens kon worden geweigerd na belangenafweging.

LS&R 2354

Feitelijke leiding bij onjuist gebruik van gewasbeschermingsmiddel Vydate

Rechtbank Amsterdam 6 nov 2025, LS&R 2354; ECLI:NL:RBAMS:2025:10924 ([verdachte]), https://lsenr.nl/artikelen/feitelijke-leiding-bij-onjuist-gebruik-van-gewasbeschermingsmiddel-vydate

Rb Amsterdam 6 november 2025, LS&R 2354; ECLI:NL:RBAMS:2025:10924 ([verdachte]). De zaak betreft een verdachte die als feitelijk leidinggevende van twee orchideeënkwekerijen ([bedrijf 1] en [bedrijf 2]) gewasbeschermingsmiddel Vydate 10G heeft laten toepassen in strijd met de gebruiksvoorschriften en als feitelijk leidinggevende van een derde vennootschap ([bedrijf 3]) verboden gewasbeschermingsmiddelen op voorraad heeft laten houden. De bedrijven kweekten vlinderorchideeën en bestreden potworm door Vydate te mengen met bulgur en dit mengsel wekelijks, gedurende ruim twee jaar, ná het oppotten over de planten/potten te strooien, terwijl het middel volgens de toelating uitsluitend als potgrondbehandeling vóór het oppotten mocht worden gebruikt. De dagvaarding hield voor feit 1 in dat [bedrijf 1] en [bedrijf 2] in de periode 1 september 2020 tot en met 16 september 2022 opzettelijk in strijd met artikel 55 Verordening (EG) 1107/2009 hebben gehandeld door Vydate 10G niet op juiste wijze te gebruiken, terwijl verdachte daaraan feitelijk leiding gaf; feit 2 hield in dat [bedrijf 3] op 16 september 2022 zeven flacons Input 460 EC en twee (aangebroken) flacons Match 12821N, niet in Nederland toegelaten middelen, op voorraad had, eveneens onder feitelijke leiding van verdachte. De verdediging voerde onder meer aan dat de dagvaarding voor feit 1 nietig was wegens onvoldoende verfeitelijking, dat geen opzet aanwezig was, dat het gebruik al eind 2021 zou zijn gestaakt, en dat feit 1 niet naar artikel 55 van de Verordening was ingericht en materiële wederrechtelijkheid ontbrak; voor feit 2 is geen inhoudelijk bewijsverweer gevoerd. De officier van justitie achtte beide feiten bewezen en vorderde een taakstraf van 40 uur voor feit 1 en een geldboete van 500 euro voor feit 2.

LS&R 2353

Illegale verhandeling van D‑carvone als gewasbeschermingsmiddel: kwalificatie als gewasbeschermingsmiddel en verwerping van het verweer in cassatie

Hoge Raad 10 feb 2026, LS&R 2353; ECLI:NL:HR:2026:223 https://lsenr.nl/artikelen/illegale-verhandeling-van-d-carvone-als-gewasbeschermingsmiddel-kwalificatie-als-gewasbeschermingsmiddel-en-verwerping-van-het-verweer-in-cassatie

HR 10 februari 2026, LS&R 2353; ECLI:NL:HR:2026:223. De zaak betreft een bestuurder van een rechtspersoon die in Nederland een kiemremmingsmiddel voor pootaardappelen (met de stof D‑carvone) op de markt heeft gebracht, terwijl dit middel hier niet was toegelaten als gewasbeschermingsmiddel. Het middel werd onder een handelsnaam verhandeld en gepresenteerd met een gebruiksaanwijzing en etikettering die inhielden dat het diende ter bescherming van gewassen, waardoor het onder de definitie van een gewasbeschermingsmiddel van de Verordening (EG) nr. 1107/2009 viel. Het openbaar ministerie verweet de verdachte dat hij (als feitelijk leidinggever) opzettelijk en meermalen in strijd met de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden had gehandeld door een niet‑toegelaten gewasbeschermingsmiddel in de handel te brengen. In feitelijke instanties voerde de verdediging onder meer aan dat het product geen gewasbeschermingsmiddel zou zijn, dan wel dat een uitzondering of vrijstelling gold, en dat daarom geen sprake kon zijn van een strafbaar feit. De rechtbank heeft de feitenvaststelling en kwalificatie van het product als gewasbeschermingsmiddel gevolgd, het verweer verworpen, de verdachte schuldig bevonden aan het opzettelijk op de markt brengen van een niet‑toegelaten gewasbeschermingsmiddel en een straf (incl. geldboete) opgelegd.