Geen handhaving tegen niet‑permanente bollenteelt binnen 250 meter van woningen
Rb Noord-Holland 28 januari 2026, LS&R 2366; ECLI:NL:RBNHO:2026:629 (verzoekers tegen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Opmeer). De bewoners van twee woningen in de gemeente Opmeer hebben het college verzocht handhavend op te treden tegen alle vormen van tuinbouw, waaronder bollenteelt, binnen 250 meter van hun percelen, specifiek op drie omliggende agrarische percelen. Zij stellen dat bollenteelt en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, waaronder PFAS-pesticiden, in strijd zijn met het bestemmingsplan “Landelijk gebied Opmeer 2014” en met de gebiedsaanduiding “overige zone weidevogelgebied”, en dat dit hun gezondheid, die van hun dieren en de natuur aantast. Het college wees het handhavingsverzoek af, omdat bij controle geen overtreding was geconstateerd en omdat volgens het bestemmingsplan niet‑permanente bollenteelt op deze agrarische gronden is toegestaan. Het college schreef de eigenaren van de omliggende percelen wel aan dat permanente bollenteelt niet is toegestaan. Verzoekers maakten bezwaar en vroegen in afwachting daarvan om een voorlopige voorziening, zodat de bollenteelt en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de nabijheid van hun woningen voorlopig zouden worden stilgelegd.
Onjuiste toepassing Vydate 10G door orchideeënkwekerij: medeplegen en geldboete
Rb Amsterdam 6 november 2025, LS&R 2365; ECLI:NL:RBAMS:2025:10874 (verdachte tegen OM). De rechtbank Amsterdam veroordeelt een orchideeënkwekerij als rechtspersoon omdat zij in de periode van 1 september 2020 tot en met 16 september 2022 samen met anderen het gewasbeschermingsmiddel Vydate 10G in strijd met de gebruiksvoorschriften heeft toegepast bij vlinderorchideeën. De onderneming mengde Vydate met bulgur en strooide dit mengsel wekelijks na het oppotten over de planten(potten), terwijl het middel volgens de toelatings- en etiketvoorschriften uitsluitend vóór het oppotten als potgrondbehandeling in de aarde mocht worden verwerkt. De officier van justitie vorderde veroordeling wegens opzettelijke overtreding van artikel 20 Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, gelezen in samenhang met artikel 55 Verordening (EG) 1107/2009, en een geldboete van 20.000 euro. De verdediging voerde onder meer aan dat de dagvaarding nietig was wegens onvoldoende verfeitelijkt tenlasteleggen, dat geen opzet bestond, dat het gebruik al eind 2021 was gestaakt en dat sprake was van ontbreken van materiële wederrechtelijkheid, en vroeg bij een eventuele veroordeling om een (geheel) voorwaardelijke boete, onder meer wegens vermeende schending van de redelijke termijn en de negatieve gevolgen van het onderzoek voor de onderneming.
Rb. Midden-Nederland wijst vorderingen tegen leverancier/onderhouder sterilisatoren af en veroordeelt kliniek tot betaling openstaande onderhoudsfacturen
Rb. Midden-Nederland 4 maart 2026, LS&R ECLI:NL:RBMNE:2026:979 ([eiseres] tegen Getinge). In deze zaak oordeelt de rechtbank Midden-Nederland dat [eiseres] B.V., een polikliniek kaakchirurgie en tandartspraktijk, niet heeft bewezen dat Getinge Netherlands B.V. is tekortgeschoten of onrechtmatig heeft gehandeld bij de levering en het onderhoud van twee sterilisatoren. Getinge had aangevoerd dat [eiseres] in strijd met artikel 21 Rv had gehandeld door in de dagvaarding uit te gaan van een koopovereenkomst met Getinge, terwijl feitelijk een leaseovereenkomst met [onderneming 2] B.V. was gesloten. De rechtbank oordeelt wel dat [eiseres] dit eerder had moeten vermelden, maar verbindt daaraan geen gevolgen, omdat partijen steeds rechtstreeks met elkaar hebben gecommuniceerd en Getinge daarbij nooit naar [onderneming 2] heeft verwezen als juridische eigenaar en degene die klachten moest indienen. De rechtbank laat de precieze juridische rol van [onderneming 2] daarom in het midden. Vervolgens verwerpt de rechtbank het verwijt dat de sterilisatoren niet geschikt zouden zijn voor het door [eiseres] beoogde gebruik. Volgens de rechtbank was geen afzonderlijke overeenkomst van opdracht tot advisering gesloten en mocht [eiseres] op basis van de productspecificaties en correspondentie begrijpen dat de twee geleverde HS33-sterilisatoren pasten bij de kenbaar gemaakte capaciteit van de praktijk, met de mogelijkheid om later een derde sterilisator bij te plaatsen. Ook het verwijt dat de sterilisatoren te veel storingen vertoonden, slaagt niet. De rechtbank acht van belang dat het storingsgevoelige apparaten zijn, dat niet iedere “message” een storing is, en dat in de periode maart 2024 tot maart 2025 slechts 1,3% van de ruim 1.500 cycli per sterilisator onsuccesvol was. Verder had [eiseres] geen all-in-servicecontract afgesloten, maar gekozen voor losse onderhouds- en herstelopdrachten. Van non-conformiteit of onrechtmatig handelen is daarom geen sprake.
Rb. Rotterdam: te laat beroep niet-ontvankelijk, tweede Warenwetboete voor online aanbod van niet-toegelaten novel food blijft in stand
Rb. Rotterdam 6 maart 2026, LS&R 2363; ECLI:NL:RBROT:2026:2809 (eiser tegen verweerder). De Rechtbank Rotterdam beoordeelt in deze uitspraak twee beroepen tegen afzonderlijke Warenwetboetes van elk € 525 die aan eiser zijn opgelegd wegens het in de handel brengen van twee levensmiddelen die niet-toegelaten nieuwe voedingsmiddelen bevatten. Het gaat om twee verschillende producten en twee afzonderlijke besluiten: bestreden besluit I van 31 januari 2025 over [naam levensmiddel 2] en bestreden besluit II van 27 maart 2025 over [naam levensmiddel 1]. De rechtbank verklaart het beroep tegen bestreden besluit I niet-ontvankelijk, omdat het te laat is ingediend. De beroepstermijn eindigde op 14 maart 2025, terwijl het beroepschrift pas op 22 april 2025 is ontvangen. De door eiser aangevoerde redenen voor de termijnoverschrijding, dat hij beide zaken tegelijk wilde indienen, dat tweemaal griffierecht voor hem financieel bezwaarlijk was en dat hij psychogeriatrische klachten had, maken de overschrijding volgens de rechtbank niet verschoonbaar. Daarbij weegt mee dat eiser wel zelfstandig bezwaar en beroep heeft ingesteld en zo nodig een gemachtigde had kunnen inschakelen.
Hof onderscheidt tussen levering en aanplant: kwekerij alleen aansprakelijk voor bomen die zij zelf heeft geplant
Hof Arnhem-Leeuwarden 17 maart 2026, LS&R 2361; ECLI:NL:GHARL:2026:1623 (De Limieten tegen [geïntimeerden] c.s.). In dit hoger beroep gaat het om een geschil tussen een kwekerij en de eigenaren van een particulier landgoed over volwassen bomen die in verschillende fases zijn geleverd en deels ook door de kwekerij zelf zijn geplant. Een aantal bomen is doodgegaan doordat zij in te natte grond stonden. Het hof oordeelt eerst dat de algemene voorwaarden van de kwekerij niet van toepassing zijn, omdat in de relevante orderbevestigingen voor bos 2 en bos 3 geen duidelijke verwijzing naar die voorwaarden stond; een latere verwijzing op facturen is daarvoor niet genoeg. Vervolgens maakt het hof een duidelijk onderscheid tussen bos 2 en bos 3. Voor bos 2 geldt dat de kwekerij de bomen niet alleen leverde, maar ook zelf plantte. Daarom is sprake van een gemengde overeenkomst van consumentenkoop en aanneming van werk. Uit deskundigenonderzoek blijkt dat op ongeveer 55 cm diepte een storende kleilaag aanwezig was, waardoor de grote wortelkluiten van de zeven beuken en de tulpenboom deels in een slecht doorlatende laag terechtkwamen en in feite in een soort “badkuip” kwamen te staan. Het hof oordeelt dat de kwekerij daardoor is tekortgeschoten in haar verplichting om geschikte bomen op een geschikte manier te planten. Zij had de eigenaren bovendien uitdrukkelijk moeten waarschuwen voor de ongeschiktheid van de standplaats en voor de noodzaak van aanvullende maatregelen, zoals drainage of aanplant op een terp; die waarschuwingsplicht baseert het hof op art. 7:754 BW. Daarom blijft de partiële ontbinding voor de zeven beuken en de tulpenboom in stand, net als de toegewezen terugbetaling van € 38.350 en de aanvullende schadevergoeding van € 9.000. De extra vordering over de haagbeuk wijst het hof af, omdat niet is gebleken dat die boom daadwerkelijk was afgestorven.
Rechtbank Den Haag wijst verbeteringsverzoek van Greenpeace in Bonaire-klimaatzaak af
Rb. Den Haag 18 maart 2026, LS&R 2362; ECLI:NL:RBDHA:2026:6483 (Greenpeace tegen the State). In deze uitspraak beslist de rechtbank Den Haag op een verzoek tot verbetering op grond van artikel 31 Rv van het vonnis van 28 januari 2026 in de Bonaire-klimaatzaak. Greenpeace had de rechtbank gevraagd twee punten in rov. 12.2 van het dictum te corrigeren. Ten eerste vond Greenpeace dat daar ten onrechte was verwezen naar artikel 4 lid 1 van het Akkoord van Parijs, terwijl volgens haar artikel 4 lid 4 had moeten worden genoemd. Ten tweede stelde Greenpeace dat uit rov. 11.58 volgde dat de Staat binnen zes maanden inzicht moest geven in de resterende emissieruimte voor Nederland, zodat die termijn ook in het dictum had moeten worden opgenomen. De rechtbank stelt voorop dat artikel 31 Rv alleen ruimte biedt voor herstel van een kennelijk rekenfout, schrijffout of andere kennelijke fout die zich leent voor eenvoudig herstel; daarvan is alleen sprake als onmiddellijk duidelijk is dat een vergissing is gemaakt. De uitspraak met ECLI:NL:RBDHA:2026:6483 is bovendien de Engelse vertaling van het verbeteringsvonnis; de Nederlandse tekst met ECLI:NL:RBDHA:2026:5739 is de authentieke versie.
Rechtbank Rotterdam veroordeelt verkoper van afslankcapsules met amfetamine en cafeïne tot 16 maanden gevangenisstraf
Rb. Rotterdam 25 februari 2026, IT&R 5139; LS&R 2360; ECLI:NL:RBROT:2026:2570 (Officier van justitie tegen [verdachte]). In dit vonnis is de verdachte veroordeeld voor de handel in afslankcapsules die amfetamine en cafeïne bevatten. De rechtbank acht bewezen dat hij in de periode van 15 juli 2022 tot en met 13 oktober 2022 meermalen afslanktabletten en -capsules heeft verkocht, te koop heeft aangeboden en afgeleverd, terwijl hij wist dat deze middelen amfetamine en cafeïne bevatten en daarmee schadelijk waren voor het leven of de gezondheid, maar dat schadelijke karakter heeft verzwegen. Daarnaast heeft hij in de periode van 22 juni 2022 tot en met 13 oktober 2022 opzettelijk amfetamine bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt en vervoerd, in strijd met de Opiumwet. Verder heeft hij in de periode van 10 oktober 2022 tot en met 13 oktober 2022 zonder de vereiste vergunning capsules bevattende dexamfetamine in voorraad gehad, te koop aangeboden en afgeleverd, en geneesmiddelen zonder handelsvergunning in het handelsverkeer gebracht en verhandeld, in strijd met de Geneesmiddelenwet. De rechtbank verwerpt het verweer dat de verdachte slechts in opdracht van een Albanese man handelde. Dat alternatieve scenario heeft volgens de rechtbank geen concrete onderbouwing en vindt geen steun in het dossier. Uit de eigen verklaring van de verdachte, de Facebook- en Instagramaccounts waarop de capsules werden aangeboden, de bestellingen van lege capsules, gripzakjes en cafeïne, de verklaring van een getuige die capsules voor hem vulde, onderschepte poststukken en de bankgegevens leidt de rechtbank af dat de verdachte zelf de handel organiseerde en uitvoerde. Ook het verweer dat de capsules niet schadelijk waren of geen geneesmiddelen zouden zijn, wordt verworpen. Uit NFI-rapportages en de productbeoordeling van de NVWA volgt dat de capsules aanzienlijke hoeveelheden amfetamine en cafeïne bevatten, ernstige gezondheidsrisico’s konden veroorzaken en als geneesmiddel in de zin van art. 1 lid 1 onder b Geneesmiddelenwet moesten worden aangemerkt, terwijl daarvoor geen handelsvergunning was verleend en de verdachte ook niet beschikte over de vereiste vergunningen of ontheffingen. Medeplegen is niet bewezen, zodat de verdachte in zoverre wordt vrijgesproken.
Bewijslast boomkwekerij bij Naktuinbouw‑heffingen
CBB 10 maart 2026, LS&R 2359; ECLI:NL:CBB:2026:98 ([naam 1] B.V., te [woonplaats] ([naam 2]) tegen de Stichting Nederlandse Algemene Kwaliteitsdienst Tuinbouw (Naktuinbouw)). Deze zaak gaat over bijdragen die de Stichting Nederlandse Algemene Kwaliteitsdienst Tuinbouw (Naktuinbouw) heeft opgelegd aan een boomkwekerij ([naam 1] B.V.) voor de seizoenen 2022, 2023 en 2025. Naktuinbouw bracht zowel areaalbijdragen (berekend per vierkante meter kwekerijoppervlak) als keuringsbijdragen (voor administratieve controles en veldkeuringen) in rekening. De kwekerij maakte bezwaar tegen deze facturen, maar Naktuinbouw verklaarde de bezwaren ongegrond, waarna beroep werd ingesteld. Volgens de kwekerij werden planten ten onrechte als teeltmateriaal aangemerkt, terwijl het volgens haar ging om eindproducten die via hoveniers aan consumenten worden verkocht. Daardoor zouden de keuringen en bijdragen geen wettelijke basis hebben. Ook stelde de kwekerij dat fytosanitaire controles overbodig zijn omdat zij die zelf uitvoert en dat door de traceerbaarheidsregels uit Verordening (EU) 2016/2031 eenvoudig kan worden vastgesteld waar planten uiteindelijk terechtkomen.
Nieuw EU‑‘pharma package’: hervorming van bescherming, beschikbaarheid en concurrentie op de geneesmiddelenmarkt
De Raad en het Europees Parlement hebben een politiek akkoord bereikt over het nieuwe EU‑‘pharma package’, een omvangrijke hervorming van de geneesmiddelenwetgeving die bedoeld is om de toegang van patiënten tot veilige, effectieve en betaalbare geneesmiddelen in alle lidstaten te verbeteren én de farmaceutische sector concurrerender te maken. Nieuwe geneesmiddelen krijgen onder de afgesproken regels acht jaar dataprotectie voor de gebruikte preklinische en klinische gegevens, plus één jaar marktbescherming, dat nog met een extra jaar kan worden verlengd voor bepaalde innovatieve middelen die aan twee van drie voorwaarden voldoen. Om leveringsproblemen aan te pakken, blijft een door de Raad geïntroduceerde bepaling (artikel 56a) gehandhaafd, die lidstaten de mogelijkheid geeft bedrijven te verplichten om tijdens de beschermingsperiode voldoende hoeveelheden van hun medicijnen te leveren, met aanvullende waarborgen om de verplichtingen van bedrijven en lidstaten te verduidelijken en misbruik voor parallelhandel te voorkomen.
Verplichte bufferstroken niet in strijd met eigendomsrecht agrariërs
Rb Den Haag 18 februari 2026, LS&R 2357; ECLI:NL:RBDHA:2026:4118 ([eiseres 1], te [vestigingsplaats 1], gemeente [gemeente 1] en [eiseres 2] tegen DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur)). Deze uitspraak gaat over een groep agrarische ondernemers (eiseressen) die landbouwbedrijven exploiteren en op grond van recente milieuwetgeving verplicht zijn langs waterlopen op hun percelen zogeheten bufferstroken in te richten waarop geen bemesting mag plaatsvinden. Zij stellen dat deze bufferstrookverplichting hun eigendomsrecht onevenredig aantast en kwalificeren de regeling als een ongeoorloofde inmenging in eigendom in de zin van artikel 1 Eerste Protocol EVRM en artikel 17 EU‑Handvest. In de procedure vorderen zij kort gezegd een verklaring voor recht dat het onderliggende besluit (de regeling waarin de bufferstrookverplichting is vastgelegd) jegens hen buiten toepassing moet blijven zolang geen adequate schadecompensatie is voorzien, alsmede veroordeling van de Staat tot vergoeding van de door hen geleden en nog te lijden schade, op te maken bij staat. Hun stelling is dat de verplichting hen in hun bedrijfsvoering beperkt, tot waardevermindering en inkomensderving leidt en dat zonder passende compensatie sprake is van een disproportionele last die vooral op hun schouders neerkomt.