LS&R 2472
1 oktober 2026
Artikel

De volgende stap voor de ervaren IE-jurist: Mr. S.K. Martens Academie 2026-2027

 
LS&R 2471
30 september 2026
Uitspraak

Deskundige moet beoordelen of Vion voedselketeninformatie zelf had moeten controleren

 
LS&R 2470
28 september 2026
Artikel

Laatste kans: aanmelden voor het BIE-symposium op woensdag 30 september 2026

 
LS&R 2451

Zwaarwegend belang rechtvaardigt inzage vader in medisch dossier overleden dochter

Rechtbank Gelderland 12 jun 2026, LS&R 2451; ECLI:NL:RBGEL:2026:5964 ([de verzoeker] tegen de huisartsenpraktijk), https://lsenr.nl/artikelen/zwaarwegend-belang-rechtvaardigt-inzage-vader-in-medisch-dossier-overleden-dochter

Rb. Gelderland 12 juni 2026, LS&R 2451; ECLI:NL:RBGEL:2026:5964 ([de verzoeker] tegen de huisartsenpraktijk). De rechtbank oordeelt dat de vader van een in 2022 door suïcide overleden 17-jarige op grond van artikel 7:458a lid 1 onder c BW recht heeft op inzage in een deel van haar medisch dossier. Hoewel het medisch beroepsgeheim ook na het overlijden van een patiënt blijft gelden, kan dit worden doorbroken wanneer de verzoeker een zwaarwegend belang heeft, aannemelijk maakt dat dit belang door geheimhouding mogelijk wordt geschaad en inzage noodzakelijk is voor de behartiging daarvan. Volgens de rechtbank heeft de vader voldoende aannemelijk gemaakt dat er concrete aanknopingspunten bestaan voor een mogelijk tekortschieten van de huisartsenpraktijk. Daarbij betrekt de rechtbank onder meer dat de dochter kampte met complexe psychische en verslavingsproblematiek, in de periode voorafgaand aan haar overlijden herhaaldelijk samen met jongerenwerkers de huisarts bezocht en dat het uiteindelijk vijf maanden duurde voordat een afspraak met de praktijkondersteuner jeugd plaatsvond. Ook het rapport van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd laat volgens de rechtbank reële vragen open over de verleende zorg, waaronder de samenwerking en regie, de dossiervoering, de inschatting van de psychische problematiek en het voortbouwen op reeds bekende informatie. In deze procedure hoeft niet vast te staan dat de huisartsenpraktijk daadwerkelijk is tekortgeschoten; beslissend is dat het vermoeden van een mogelijk tekortschieten voldoende aannemelijk is gemaakt. Het medisch dossier is noodzakelijk om duidelijkheid te verkrijgen over welke signalen wanneer met de huisartsenpraktijk zijn gedeeld en hoe daarop vervolgens is gereageerd.

LS&R 2452

Deze UPC-rechters en -experts zijn aanwezig tijdens het BIE-symposium op 30 september

Woensdag 30 september organiseren we samen met het tijdschrift Berichten Industriële Eigendom (BIE) het BIE-symposium 2026. Tijdens dit symposium bespreken we de recente ontwikkelingen van het Unified Patent Court (UPC). Het symposium vindt plaats in het Auditorium van De Brauw Blackstone Westbroek in Amsterdam en staat onder leiding van de voorzitter van de redactie van de BIE, Prof.mr. C.J.J.C. (Constant) van Nispen.

Tijdens het symposium introduceren verschillende sprekers actuele onderwerpen rond het UPC, waarna UPC-rechters en andere deskundigen vanuit hun eigen praktijk en ervaring op deze onderwerpen reageren. Tijdens het symposium zijn namelijk Rian Kalden, Margot Kokke, Peter Blok, Robert van Peursem, Bart van den Broek, Edger Brinkman én Willem Hoyng aanwezig om commentaar te leveren vanuit UPC perspectief. 

LS&R 2450

Hof Den Haag stelt vergoeding voor buitenlandse CAR-T-behandeling met Yescarta vast op € 412.736,71

Hof Den Haag 28 jul 2026, LS&R 2450; ECLI:NL:GHDHA:2026:2460 (Avéro Achmea tegen [geïntimeerde]), https://lsenr.nl/artikelen/hof-den-haag-stelt-vergoeding-voor-buitenlandse-car-t-behandeling-met-yescarta-vast-op-412-736-71

Hof Den Haag 28 juli 2026, LS&R 2450; ECLI:NL:GHDHA:2026:2460 (Avéro Achmea tegen [geïntimeerde]). Het Gerechtshof stelt in dit eindarrest de hoogte vast van de vergoeding voor een CAR-T-behandeling die een Nederlandse verzekerde in 2018 in het buitenland heeft ondergaan. De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa), die door het hof als deskundige was benoemd, berekende een passende totale vergoeding van € 435.746,36. Daarbij werd voor Yescarta, het geneesmiddel dat bij de CAR-T-behandeling werd gebruikt, een bedrag van € 310.650 gehanteerd. De deskundige sloot daarvoor aan bij de door Zorginstituut Nederland geadviseerde minimumkorting van 5% op de toenmalige vraagprijs van € 327.000. Avéro Achmea voerde aan dat mogelijk een hogere vertrouwelijke korting met fabrikant Gilead was overeengekomen en daarom van een lagere vergoedingsprijs moest worden uitgegaan. Het hof volgt dit niet. De daadwerkelijke korting was niet bekend en het hof ziet, gelet op het deskundigenbericht en de informatie van Zorginstituut Nederland en het ministerie van VWS, geen aanleiding om van het advies van de deskundige af te wijken.

LS&R 2449

NZa hoefde niet nader te onderzoeken of vergoeding voor niet-gecontracteerde MSR-zorg een hinderpaal vormde

College van Beroep voor het Bedrijfsleven 14 jul 2026, LS&R 2449; ECLI:NL:CBB:2026:323 (Medinello Revalidatiezorg B.V. tegen NZa), https://lsenr.nl/artikelen/nza-hoefde-niet-nader-te-onderzoeken-of-vergoeding-voor-niet-gecontracteerde-msr-zorg-een-hinderpaal-vormde

CBb 14 juli 2026, LS&R 2449; ECLI:NL:CBB:2026:323 (Medinello Revalidatiezorg B.V. tegen NZa). Het College van Beroep voor het bedrijfsleven oordeelt dat de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) het handhavingsverzoek van revalidatiezorgaanbieder Medinello tegen Zilveren Kruis terecht heeft afgewezen. Medinello leverde in 2024 medisch-specialistische revalidatiezorg (MSR-zorg) zonder contract met Zilveren Kruis. Voor verzekerden met een naturapolis vergoedde Zilveren Kruis maximaal 75% van het gemiddelde tarief waarvoor zij de zorg bij gecontracteerde zorgaanbieders had ingekocht. Medinello stelde dat de vergoeding voor niet-gecontracteerde MSR-zorg bij zelfstandige behandelcentra (zbc’s) zo laag was dat verzekerden feitelijk werden belemmerd om voor haar zorg te kiezen, in strijd met het hinderpaalcriterium van artikel 13 Zvw. Het College oordeelt dat Medinello belanghebbende is bij haar handhavingsverzoek en voldoende procesbelang heeft, onder meer omdat zij aannemelijk heeft gemaakt in 2024 financieel nadeel te hebben geleden doordat zij het niet-vergoede deel uit coulance niet bij haar patiënten in rekening bracht.

LS&R 2446

Rechtbank: niet-transparant prijsbeding bij medische behandeling niet oneerlijk, rentebeding mogelijk wel

Rechtbank Noord-Holland 27 mei 2026, LS&R 2446; ECLI:NL:RBNHO:2026:10262 (Anders Medical Factoring B.V. tegen [gedaagde]), https://lsenr.nl/artikelen/rechtbank-niet-transparant-prijsbeding-bij-medische-behandeling-niet-oneerlijk-rentebeding-mogelijk-wel

Rb. Noord-Holland 27 mei 2026, LS&R 2446; ECLI:NL:RBNHO:2026:10262 (Anders Medical Factoring B.V. tegen [gedaagde]). Anders Medical Factoring B.V. vordert van een consument betaling van € 1.291,57 uit hoofde van een geneeskundige behandelingsovereenkomst, vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten. Omdat sprake is van een overeenkomst tussen een handelaar en een consument, moet de kantonrechter ook bij verstek ambtshalve toetsen aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht. De informatieplichten van afdeling 6.5.2B BW zijn hier niet van toepassing, omdat geneeskundige behandelingsovereenkomsten op grond van artikel 6:230h lid 2 onder d BW daarvan zijn uitgezonderd. Het prijsbeding wordt wel getoetst aan Richtlijn 93/13/EEG. De kantonrechter oordeelt dat dit beding niet transparant is, omdat geen vindplaats van de toepasselijke NZa-tarievenlijst is opgenomen en bovendien onzeker is of een patiënt aan de hand daarvan zelf de prijs van de behandeling kan vaststellen. Omdat het beding niet transparant is, kan het op oneerlijkheid worden getoetst. De kantonrechter acht het beding echter niet oneerlijk, omdat de behandelingskosten worden berekend aan de hand van door de NZa vastgestelde tarieven. Het prijsbeding blijft daarom in stand.

LS&R 2444

ILT hoeft vóór marktintroductie geen oordeel te geven over markeringsplicht bekers

Rechtbank Den Haag 6 aug 2026, LS&R 2444; ECLI:NL:RBDHA:2026:22077 (LIMM tegen de Staat), https://lsenr.nl/artikelen/ilt-hoeft-voor-marktintroductie-geen-oordeel-te-geven-over-markeringsplicht-bekers

Rb. Den Haag 6 augustus 2026, LS&R 2444; ECLI:NL:RBDHA:2026:22077 (LIMM tegen de Staat). LIMM B.V. wil bekers voor eenmalig gebruik verkopen die volgens haar plasticvrij zijn en daarom niet zijn voorzien van de markering uit artikel 15e Besluit beheer verpakkingen (Bbv). Zij vroeg de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) vooraf duidelijkheid over de vraag of de in de bekers gebruikte lijm en inkt maken dat de bekers toch onder deze markeringsplicht vallen. De ILT liet weten geen rol te hebben bij het vooraf testen van producten op de aanwezigheid van plastic en pas na het daadwerkelijk op de markt brengen te kunnen beoordelen of de bekers terecht zonder markering worden verkocht. LIMM diende daarop een handhavingsverzoek in, maar dat werd afgewezen omdat de bekers nog niet op de markt waren aangeboden. Ook een verzoek om voorlopige voorziening bij de bestuursrechter werd afgewezen. In dit civiele kort geding vordert LIMM vervolgens dat de ILT schriftelijk en gemotiveerd kenbaar maakt of de bekers onder artikel 15e Bbv vallen. De voorzieningenrechter acht LIMM ontvankelijk en neemt spoedeisend belang aan. De civiele procedure betreft namelijk een andere rechtsvraag dan de bestuursrechtelijke procedure: niet of de staatssecretaris moest handhaven, maar of de ILT verplicht is vóór het op de markt brengen van de bekers een inhoudelijk standpunt over de markeringsplicht te geven.

LS&R 2448

CBb: afwijzing eco-regeling onjuist, maar geen aanspraak op tarief goud

College van Beroep voor het Bedrijfsleven 18 aug 2026, LS&R 2448; ECLI:NL:CBB:2026:372 (landbouwer tegen de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur), https://lsenr.nl/artikelen/cbb-afwijzing-eco-regeling-onjuist-maar-geen-aanspraak-op-tarief-goud

CBb 18 augustus 2026, LS&R 2448; ECLI:NL:CBB:2026:372 (landbouwer tegen de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur). Een landbouwer had voor 2023 betaling aangevraagd voor onder meer de eco-regeling van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid. In zijn Gecombineerde opgaven werd aanvankelijk berekend dat hij voor tarief goud in aanmerking kwam. De minister wees de extra betaling echter af, omdat voor de eco-activiteit stikstofbindende gewassen op de percelen 4, 23 en 70 geen waarde was toegekend. Deze percelen waren volgens de minister mede gebruikt om te voldoen aan GLMC 8. Op grond van artikel 31 lid 5 onder a Verordening (EU) 2021/2115 mogen betalingen uit de eco-regeling uitsluitend worden gedaan voor verbintenissen die verder gaan dan de toepasselijke conditionaliteiten. Tijdens de zitting liet de minister zijn standpunt voor de percelen 4 en 70 vallen, omdat deze percelen niet nodig waren om aan de 7%-grens van GLMC 8 te voldoen. Voor die percelen wordt daarom alsnog waarde toegekend, waardoor de landbouwer in aanmerking komt voor tarief zilver. Het geschil beperkte zich daarna tot perceel 23. Niet in geschil was dat dit perceel wel nodig was om de 7%-grens te halen en dat de eco-activiteit stikstofbindende gewassen op dit perceel daarom niet voor waardering in aanmerking kwam.

LS&R 2445

Afwijzing handhavingsverzoek tegen lelieteelt onvoldoende gemotiveerd

Rechtbank Noord-Nederland 4 aug 2026, LS&R 2445; ECLI:NL:RBNNE:2026:3255 (eisers tegen Gedeputeerde Staten van de Provincie Drenthe), https://lsenr.nl/artikelen/afwijzing-handhavingsverzoek-tegen-lelieteelt-onvoldoende-gemotiveerd

Rb. Noord-Nederland 4 augustus 2026, LS&R 2445; ECLI:NL:RBNNE:2026:3255 (eisers tegen Gedeputeerde Staten van de Provincie Drenthe). Twaalf eisers verzochten Gedeputeerde Staten van Drenthe om handhavend op te treden tegen lelieteelt en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op percelen nabij het Natura 2000-gebied Drents-Friese Wold & Leggelderveld. Volgens hen was sprake van een project dat significante gevolgen voor het Natura 2000-gebied kon hebben en waarvoor op grond van artikel 2.7 lid 2 Wnb een vergunning nodig was. Voor eisers 1 tot en met 11 staat het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a Awb eraan in de weg dat hun beroepsgronden tot vernietiging van het besluit kunnen leiden. Hun woon-, leef- en bedrijfseconomische belangen zijn volgens de rechtbank onvoldoende verweven met de natuurbelangen die de Wnb beschermt. Voor eiseres 12, een stichting die blijkens haar doelstelling en feitelijke werkzaamheden opkomt voor natuurbelangen, geldt dat niet.

LS&R 2443

Gewasbeschermingsmiddel Pitcher had niet mogen worden toegelaten

College van Beroep voor het Bedrijfsleven 11 aug 2026, LS&R 2443; ECLI:NL:CBB:2026:370 (PAN tegen Ctgb en Adama Registrations B.V.), https://lsenr.nl/artikelen/gewasbeschermingsmiddel-pitcher-had-niet-mogen-worden-toegelaten

CBb 11 augustus 2026, LS&R 2443; ECLI:NL:CBB:2026:370 (PAN tegen Ctgb en Adama Registrations B.V.). Pesticide Action Network Europe (PAN) komt op tegen de toelating van het gewasbeschermingsmiddel Pitcher van Adama Registrations B.V., een schimmelbestrijder voor professioneel gebruik met de werkzame stoffen fludioxonil en folpet. Na eerdere procedures en prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie moest het Ctgb opnieuw op het bezwaar van PAN beslissen. Het Ctgb erkende daarbij dat fludioxonil hormoonontregelende eigenschappen voor de mens heeft, maar meende dat Pitcher toch kon worden toegelaten omdat die eigenschappen bij gebruik volgens de voorschriften niet tot schadelijke effecten voor de menselijke gezondheid zouden leiden. Het College volgt dat oordeel niet. Het Ctgb moest zelfstandig toetsen aan punt 3.6.5 van bijlage II bij Verordening (EG) 1107/2009. Nu fludioxonil hormoonontregelende eigenschappen heeft die schadelijk kunnen zijn voor de mens, is toelating alleen mogelijk bij verwaarloosbare blootstelling. Daarvan is bij Pitcher geen sprake, omdat het middel niet wordt gebruikt in gesloten systemen of onder andere omstandigheden die contact met mensen uitsluiten. Pitcher voldoet daarom niet aan de toelatingseis van artikel 4 lid 3 onder b van de gewasbeschermingsverordening.

LS&R 2447

VGZ mag vergoeding voor steunzolen door registerpodologen en podoposturaal therapeuten beëindigen

Hof Amsterdam 23 jun 2026, LS&R 2447; ECLI:NL:GHAMS:2026:1670 (LOOP e.a. tegen VGZ e.a.), https://lsenr.nl/artikelen/vgz-mag-vergoeding-voor-steunzolen-door-registerpodologen-en-podoposturaal-therapeuten-beeindigen

Hof Amsterdam 23 juni 2026, LS&R 2447; ECLI:NL:GHAMS:2026:1670 (LOOP e.a. tegen VGZ e.a.). Stichting LOOP en enkele aangesloten zorgaanbieders verzetten zich tegen het besluit van VGZ c.s. om vanuit aanvullende zorgverzekeringen niet langer de kosten te vergoeden van steunzolen die worden afgeleverd door registerpodologen en podoposturaal therapeuten. Steunzolen behoren niet tot de verzekerde prestaties van de basisverzekering; aanvullende verzekeringen van VGZ voorzien in bepaalde gevallen wel in een vergoeding. Het hof stelt voorop dat een aanvullende zorgverzekering een schadeverzekering is en dat zorgverzekeraars bij de vormgeving daarvan in beginsel contractsvrijheid hebben. VGZ mag daarom in de polisvoorwaarden bepalen welke zorgaanbieders steunzolen mogen afleveren die voor vergoeding in aanmerking komen. De schakeljurisprudentie brengt in deze zaak niet mee dat VGZ haar keuzes mede moet laten bepalen door de financiële belangen van LOOP en de aangesloten zorgaanbieders. Daarbij weegt het hof mee dat verzekerden jaarlijks met aangepaste voorwaarden kunnen instemmen of naar een andere verzekeraar kunnen overstappen, dat niet is gebleken dat zij feitelijk worden belemmerd om steunzolen te verkrijgen en dat de door VGZ gemaakte afwegingen, waaronder kosten, kwalificaties van zorgverleners en het stepped-carebeginsel, niet kennelijk onredelijk zijn. Dat de aangesloten zorgaanbieders hierdoor mogelijk cliënten of omzet verliezen, maakt het handelen van VGZ niet onrechtmatig.