Zorgverzekeraars  

LS&R 2450

Hof Den Haag stelt vergoeding voor buitenlandse CAR-T-behandeling met Yescarta vast op € 412.736,71

Hof Den Haag 28 jul 2026,, LS&R 2450; ECLI:NL:GHDHA:2026:2460 (Avéro Achmea tegen [geïntimeerde]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/hof-den-haag-stelt-vergoeding-voor-buitenlandse-car-t-behandeling-met-yescarta-vast-op-412-736-71

Hof Den Haag 28 juli 2026, LS&R 2450; ECLI:NL:GHDHA:2026:2460 (Avéro Achmea tegen [geïntimeerde]). Het Gerechtshof stelt in dit eindarrest de hoogte vast van de vergoeding voor een CAR-T-behandeling die een Nederlandse verzekerde in 2018 in het buitenland heeft ondergaan. De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa), die door het hof als deskundige was benoemd, berekende een passende totale vergoeding van € 435.746,36. Daarbij werd voor Yescarta, het geneesmiddel dat bij de CAR-T-behandeling werd gebruikt, een bedrag van € 310.650 gehanteerd. De deskundige sloot daarvoor aan bij de door Zorginstituut Nederland geadviseerde minimumkorting van 5% op de toenmalige vraagprijs van € 327.000. Avéro Achmea voerde aan dat mogelijk een hogere vertrouwelijke korting met fabrikant Gilead was overeengekomen en daarom van een lagere vergoedingsprijs moest worden uitgegaan. Het hof volgt dit niet. De daadwerkelijke korting was niet bekend en het hof ziet, gelet op het deskundigenbericht en de informatie van Zorginstituut Nederland en het ministerie van VWS, geen aanleiding om van het advies van de deskundige af te wijken.

LS&R 2449

NZa hoefde niet nader te onderzoeken of vergoeding voor niet-gecontracteerde MSR-zorg een hinderpaal vormde

College van Beroep voor het Bedrijfsleven 14 jul 2026,, LS&R 2449; ECLI:NL:CBB:2026:323 (Medinello Revalidatiezorg B.V. tegen NZa), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/nza-hoefde-niet-nader-te-onderzoeken-of-vergoeding-voor-niet-gecontracteerde-msr-zorg-een-hinderpaal-vormde

CBb 14 juli 2026, LS&R 2449; ECLI:NL:CBB:2026:323 (Medinello Revalidatiezorg B.V. tegen NZa). Het College van Beroep voor het bedrijfsleven oordeelt dat de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) het handhavingsverzoek van revalidatiezorgaanbieder Medinello tegen Zilveren Kruis terecht heeft afgewezen. Medinello leverde in 2024 medisch-specialistische revalidatiezorg (MSR-zorg) zonder contract met Zilveren Kruis. Voor verzekerden met een naturapolis vergoedde Zilveren Kruis maximaal 75% van het gemiddelde tarief waarvoor zij de zorg bij gecontracteerde zorgaanbieders had ingekocht. Medinello stelde dat de vergoeding voor niet-gecontracteerde MSR-zorg bij zelfstandige behandelcentra (zbc’s) zo laag was dat verzekerden feitelijk werden belemmerd om voor haar zorg te kiezen, in strijd met het hinderpaalcriterium van artikel 13 Zvw. Het College oordeelt dat Medinello belanghebbende is bij haar handhavingsverzoek en voldoende procesbelang heeft, onder meer omdat zij aannemelijk heeft gemaakt in 2024 financieel nadeel te hebben geleden doordat zij het niet-vergoede deel uit coulance niet bij haar patiënten in rekening bracht.

LS&R 2446

Rechtbank: niet-transparant prijsbeding bij medische behandeling niet oneerlijk, rentebeding mogelijk wel

Rechtbank Noord-Holland 27 mei 2026,, LS&R 2446; ECLI:NL:RBNHO:2026:10262 (Anders Medical Factoring B.V. tegen [gedaagde]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/rechtbank-niet-transparant-prijsbeding-bij-medische-behandeling-niet-oneerlijk-rentebeding-mogelijk-wel

Rb. Noord-Holland 27 mei 2026, LS&R 2446; ECLI:NL:RBNHO:2026:10262 (Anders Medical Factoring B.V. tegen [gedaagde]). Anders Medical Factoring B.V. vordert van een consument betaling van € 1.291,57 uit hoofde van een geneeskundige behandelingsovereenkomst, vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten. Omdat sprake is van een overeenkomst tussen een handelaar en een consument, moet de kantonrechter ook bij verstek ambtshalve toetsen aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht. De informatieplichten van afdeling 6.5.2B BW zijn hier niet van toepassing, omdat geneeskundige behandelingsovereenkomsten op grond van artikel 6:230h lid 2 onder d BW daarvan zijn uitgezonderd. Het prijsbeding wordt wel getoetst aan Richtlijn 93/13/EEG. De kantonrechter oordeelt dat dit beding niet transparant is, omdat geen vindplaats van de toepasselijke NZa-tarievenlijst is opgenomen en bovendien onzeker is of een patiënt aan de hand daarvan zelf de prijs van de behandeling kan vaststellen. Omdat het beding niet transparant is, kan het op oneerlijkheid worden getoetst. De kantonrechter acht het beding echter niet oneerlijk, omdat de behandelingskosten worden berekend aan de hand van door de NZa vastgestelde tarieven. Het prijsbeding blijft daarom in stand.

LS&R 2440

Opzettelijke misleiding bij letselschadeclaim rechtvaardigt registratie in waarschuwingsregisters

Rechtbank Den Haag 3 jun 2026,, LS&R 2440; ECLI:NL:RBDHA:2026:15375 ([eiseres] tegen Ohra), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/opzettelijke-misleiding-bij-letselschadeclaim-rechtvaardigt-registratie-in-waarschuwingsregisters

Rb. Den Haag 3 juni 2026, IT 5444; LS&R 2440; ECLI:NL:RBDHA:2026:15375 ([eiseres] tegen Ohra). In deze zaak vordert [eiseres] onder meer aanvullende schadevergoeding naar aanleiding van een verkeersongeval in 2019 en verwijdering van haar persoonsgegevens uit het Incidentenregister, het Extern Verwijzingsregister (EVR), de Gebeurtenissenadministratie en het Intern Verwijzingsregister (IVR). Ohra, onderdeel van Nationale-Nederlanden, had aansprakelijkheid voor het ongeval erkend en € 10.000 aan voorschotten betaald, maar ontdekte later dat [eiseres] een eerder verkeersongeval uit 2016 en de daaruit voortvloeiende, grotendeels vergelijkbare nek-, rug-, hoofd- en concentratieklachten niet had gemeld. Voor dat eerdere ongeval had zij in 2019 met een andere verzekeraar een vaststellingsovereenkomst van € 36.000 gesloten. Ohra kwalificeerde het achterhouden van deze medische voorgeschiedenis als fraude, beëindigde de schadeafwikkeling en registreerde [eiseres] in de genoemde waarschuwingsregisters.

LS&R 2431

Hof benoemt NZa-deskundige voor vaststelling van Nederlandse prestatiebeschrijvingen en passende tarieven

Hof Den Haag 11 nov 2025,, LS&R 2431; ECLI:NL:GHDHA:2025:3063 (Avéro Achmea tegen [geïntimeerde]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/hof-benoemt-nza-deskundige-voor-vaststelling-van-nederlandse-prestatiebeschrijvingen-en-passende-tarieven

Hof Den Haag 11 november 2025, LS&R 2431; ECLI:NL:GHDHA:2025:3063 (Avéro Achmea tegen [geïntimeerde]). In het hoger beroep tussen Avéro Achmea en een inmiddels overleden verzekerde is aan de orde of in het buitenland verleende zorg met een kostbaar geneesmiddel als verzekerde zorg onder de Zorgverzekeringswet voor vergoeding in aanmerking komt, hoewel voor het geneesmiddel destijds in Nederland nog geen handelsvergunning gold. Dit arrest bevat nog geen inhoudelijk oordeel over die dekkingsaanspraak. Nadat het hof in een eerder arrest van 7 oktober 2025 een aangepaste vraagstelling had voorgesteld, stemden beide partijen in met die vragen en met de benoeming van een beleidsmedewerker van de Nederlandse Zorgautoriteit als deskundige. De verzekerde verzocht daarnaast om twee extra deskundigen, maar het hof acht de kwestie voldoende belegd bij de NZa als enige deskundige.

LS&R 2413

CBb schrapt beperking op terugwerkende kracht herziene ggz- en fz-tarieven

College van Beroep voor het Bedrijfsleven 16 jun 2026,, LS&R 2413; ECLI:NL:CBB:2026:258 (De Verenigingen, DFZS e.a. en SolutionS e.a. tegen de zorgaanbieders), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/cbb-schrapt-beperking-op-terugwerkende-kracht-herziene-ggz-en-fz-tarieven

College van Beroep voor het bedrijfsleven 16 juni 2026, LS&R 2413; ECLI:NL:CBB:2026:258 (De Verenigingen, DFZS e.a. en SolutionS e.a. tegen de zorgaanbieders). In deze zaak tussen verschillende aanbieders en brancheverenigingen binnen de geestelijke gezondheidszorg en de forensische zorg enerzijds en de Nederlandse Zorgautoriteit anderzijds staat de vraag centraal of de NZa de werking van herziene tariefbeschikkingen voor 2022, 2023 en 2024 mocht beperken. Verschillende zorgverzekeraars zijn als derde partijen bij de procedures betrokken. De procedure volgt op een eerdere uitspraak van het CBb uit 2024. Daarin droeg het College de NZa op om de tarieven voor de geestelijke gezondheidszorg en de forensische zorg opnieuw vast te stellen. Bij deze herijking moest de NZa de indirecte tijd op basis van actuele gegevens in de tarieven verwerken. De NZa herzag daarop de tariefbeschikkingen voor 2022 en 2023 en stelde ook voor 2024 een herziene tariefbeschikking vast. In de herziene beschikkingen nam de NZa een passage op waarin stond dat de nieuwe tarieven geen rechtsgevolgen hadden voor declaraties die vóór de inwerkingtreding al waren betaald en voor overeenkomsten die vóór die datum waren gesloten. Volgens de zorgaanbieders stond deze passage eraan in de weg dat zij voor eerder verleende zorg alsnog een vergoeding op basis van de herziene tarieven konden ontvangen. De herziene tarieven zelf bestreden zij niet. De NZa stelde dat de passage uitsluitend informatief van aard was. Daarmee wilde zij voorkomen dat de herziene tarieven via de administratieve systemen van zorgaanbieders en zorgverzekeraars automatisch met terugwerkende kracht zouden worden toegepast. Dat zou volgens de NZa tot grote administratieve lasten kunnen leiden, omdat reeds verwerkte zorgprestaties mogelijk moesten worden gecrediteerd en opnieuw gedeclareerd. Zorgaanbieders en zorgverzekeraars konden volgens de NZa wel nieuwe afspraken maken binnen de ruimte die de herziene tarieven boden.

LS&R 2408

Rb. Gelderland: contractsvrijheid staat contracteerverplichting zorgverzekeraar in de weg

Rechtbank Gelderland 6 jul 2026,, LS&R 2408; ECLI:NL:RBGEL:2026:5079 (Morecare Clinics tegen VGZ), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/rb-gelderland-contractsvrijheid-staat-contracteerverplichting-zorgverzekeraar-in-de-weg

Rb. Gelderland 23 april 2026, LS&R 2408; ECLI:NL:RBGEL:2026:5079 (Morecare Clinics tegen VGZ). In deze zaak tussen MoreCare Clinics en VGZ staat de vraag centraal of VGZ verplicht kan worden een zorgovereenkomst te sluiten met MoreCare Clinics voor bariatrische zorg (de medische behandeling van ernstig overgewicht). MoreCare Clinics stelt dat VGZ met de weigering om te contracteren in strijd handelt met haar zorgplicht (artikel 11 Zorgverzekeringswet), het hinderpaalcriterium (artikel 13 Zorgverzekeringswet), de redelijkheid en billijkheid, de doelstellingen van het Integraal Zorgakkoord (IZA) en het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA). De voorzieningenrechter wijst de vorderingen af. Volgens de voorzieningenrechter brengt het stelsel van de Zorgverzekeringswet mee dat zorgverzekeraars in beginsel vrij zijn om te bepalen met welke zorgaanbieders zij een overeenkomst sluiten. MoreCare Clinics exploiteert een zelfstandig behandelcentrum voor bariatrische chirurgie. VGZ weigert al meerdere jaren een zorgovereenkomst aan te bieden, omdat haar inkoopbeleid voorschrijft dat alleen zorgaanbieders in een ziekenhuissetting met een intensive care op locatie worden gecontracteerd wanneer zij ook ASA 3-patiënten (patiënten met een ernstige systematische aandoeningen) opereren. MoreCare Clinics vindt dat dit beleid achterhaald is en wijst erop dat andere zorgverzekeraars, de relevante beroepsvereniging en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd geen bezwaar hebben tegen behandeling van deze patiëntengroep in haar kliniek. Volgens VGZ is het beleid bedoeld om de veiligheid van verzekerden te waarborgen. De voorzieningenrechter oordeelt dat VGZ in beginsel zelf haar inkoopbeleid mag bepalen, zolang dat objectief, transparant en niet-discriminerend wordt toegepast. In dit kort geding is onvoldoende aannemelijk geworden dat VGZ haar beleid inconsistent toepast of dat zij in redelijkheid niet tot dit beleid heeft kunnen komen. Voor een inhoudelijke beoordeling van de medische discussie over de behandeling van ASA 3-patiënten biedt deze procedure geen ruimte.

LS&R 2397

Rb Gelderland: zorgpremievordering verjaard omdat ontvangst stuitingsbrieven niet vaststaat

Rechtbank Gelderland 21 jan 2026,, LS&R 2397; ECLI:NL:RBGEL:2026:2599 ((Menzis tegen [gedaagde])), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/rb-gelderland-zorgpremievordering-verjaard-omdat-ontvangst-stuitingsbrieven-niet-vaststaat

Rb. Gelderland 21 januari 2026, LS&R 2397; ECLI:NL:RBGEL:2026:2599 (Menzis tegen [gedaagde]). De kantonrechter van de Rechtbank Gelderland heeft geoordeeld dat de vordering van Menzis tot betaling van achterstallige zorgpremies is verjaard. Hoewel Menzis meerdere schriftelijke aanmaningen en e-mails heeft verstuurd, staat niet vast dat deze [de gedaagde] hebben bereikt. Daardoor is de verjaring niet tijdig gestuit en wordt de vordering afgewezen. Tussen Menzis en [de gedaagde] bestond in de periode van 27 maart 2017 tot en met 23 november 2017 een zorgverzekeringsovereenkomst. De premie bedroeg € 119 per maand. Volgens Menzis heeft [de gedaagde] gedurende zes maanden geen premie betaald, waardoor een achterstand van € 733,83 is ontstaan. Inclusief rente en buitengerechtelijke incassokosten vordert Menzis een bedrag van € 971,18. [de gedaagde] voert aan dat de vordering inmiddels is verjaard en betwist daarnaast dat hij de premie onbetaald heeft gelaten. De kantonrechter stelt voorop dat een rechtsvordering tot nakoming van periodieke betalingen verjaart door verloop van vijf jaar nadat de vordering opeisbaar is geworden. Die termijn kan worden gestuit door een schriftelijke aanmaning of een andere schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt. Vast staat dat [de gedaagde] in ieder geval de brief van 17 september 2018 heeft kunnen ontvangen en dat de brief van 27 mei 2019 de bewindvoerder van [de gedaagde] heeft bereikt. Daarmee is de verjaring op 27 mei 2019 gestuit en is een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar gaan lopen. Centraal staat vervolgens de vraag of Menzis de verjaring tussen 27 mei 2019 en 11 april 2025 opnieuw heeft gestuit. Volgens de kantonrechter rusten de stelplicht en bewijslast daarvan op Menzis. Daarbij geldt dat een verklaring pas werking heeft wanneer deze de geadresseerde heeft bereikt. De kantonrechter verwijst in dit verband naar de maatstaf van de Hoge Raad, inhoudende dat de afzender moet stellen en zo nodig bewijzen dat de verklaring is verzonden, dat deze is verstuurd naar een adres waarvan redelijkerwijs mocht worden aangenomen dat de geadresseerde daar bereikbaar was en dat de verklaring daar is aangekomen.

LS&R 2395

Onrechtmatige frauderegistratie door zorgverzekeraar: onvoldoende grond voor opname in IR en EVR

Rechtbank Den Haag 22 apr 2026,, LS&R 2395; ECLI:NL:RBDHA:2026:10688 (Novacura c.s. tegen VGZ), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/onrechtmatige-frauderegistratie-door-zorgverzekeraar-onvoldoende-grond-voor-opname-in-ir-en-evr

Rb. Den Haag 22 april 2026, LS&R 2395; ECLI:NL:RBDHA:2026:10688 (Novacura c.s. tegen VGZ). De Rechtbank Den Haag oordeelt dat VGZ de persoonsgegevens van zorgaanbieder Novacura en haar bestuurder ten onrechte heeft opgenomen in het Incidentenregister en het Extern Verwijzingsregister wegens vermeende zorgfraude. VGZ had haar fraudeverwijt gebaseerd op verschillen tussen urenregistraties en dagrapportages, verklaringen van verzekerden en volgens VGZ misleidende uitlatingen van de bestuurder over contacten met onder meer Zilveren Kruis en de IGJ. De rechtbank stelt voorop dat verwerking van persoonsgegevens in deze registers alleen rechtmatig is als wordt voldaan aan de AVG, in het bijzonder artikel 6 lid 1 onder f en artikel 17 lid 1 onder d AVG, en aan het Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen. Voor EVR-registratie moet in voldoende mate vaststaan dat de betrokkene betrokken is bij gedragingen die een bedreiging vormen voor de financiële belangen of integriteit van de financiële sector; bij strafrechtelijke persoonsgegevens is méér vereist dan een redelijk vermoeden van schuld. Voor IR-registratie moet sprake zijn van een incident in de zin van het Protocol.

LS&R 2393

Geen wettelijke rente voor zorgverzekeraar wegens ontbreken algemene voorwaarden

Rechtbank Limburg 20 mei 2026,, LS&R 2393; ECLI:NL:RBLIM:2026:3714 ((VGZ tegen [gedaagde])), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/geen-wettelijke-rente-voor-zorgverzekeraar-wegens-ontbreken-algemene-voorwaarden

Rb. Limburg 20 mei 2026, LS&R 2393; ECLI:NL:RBLIM:2026:3714 (VGZ tegen [gedaagde]). De kantonrechter van de Rechtbank Limburg heeft geoordeeld dat [gedaagde] een openstaande premieachterstand aan zijn zorgverzekeraar moet voldoen. De gevorderde wettelijke rente werd echter afgewezen, omdat de zorgverzekeraar de toepasselijke algemene voorwaarden niet in het geding had gebracht. Daardoor kon de kantonrechter niet beoordelen of de bedingen waarop de rentevordering was gebaseerd verenigbaar zijn met het consumentenrecht. Tussen partijen bestond een zorgverzekeringsovereenkomst. Nadat een betalingsachterstand was ontstaan, hadden partijen een betalingsregeling getroffen. [gedaagde] bleef echter ook tijdens de looptijd van die regeling achter met het voldoen van nieuwe premietermijnen. Volgens de zorgverzekeraar was de betalingsregeling daardoor vervallen en werd het resterende openstaande bedrag direct opeisbaar. De kantonrechter stelt vast dat sprake is van een consumentenovereenkomst en toetst daarom ambtshalve of de aan de vordering ten grondslag gelegde bedingen voldoen aan het consumentenrecht.