Zorgverzekeraars  

LS&R 2393

Geen wettelijke rente voor zorgverzekeraar wegens ontbreken algemene voorwaarden

Rechtbank Limburg 20 mei 2026, LS&R 2393; ECLI:NL:RBLIM:2026:3714 ((VGZ tegen [gedaagde])), https://lsenr.nl/artikelen/geen-wettelijke-rente-voor-zorgverzekeraar-wegens-ontbreken-algemene-voorwaarden

Rb. Limburg 20 mei 2026, LS&R 2393; ECLI:NL:RBLIM:2026:3714 (VGZ tegen [gedaagde]). De kantonrechter van de Rechtbank Limburg heeft geoordeeld dat [gedaagde] een openstaande premieachterstand aan zijn zorgverzekeraar moet voldoen. De gevorderde wettelijke rente werd echter afgewezen, omdat de zorgverzekeraar de toepasselijke algemene voorwaarden niet in het geding had gebracht. Daardoor kon de kantonrechter niet beoordelen of de bedingen waarop de rentevordering was gebaseerd verenigbaar zijn met het consumentenrecht. Tussen partijen bestond een zorgverzekeringsovereenkomst. Nadat een betalingsachterstand was ontstaan, hadden partijen een betalingsregeling getroffen. [gedaagde] bleef echter ook tijdens de looptijd van die regeling achter met het voldoen van nieuwe premietermijnen. Volgens de zorgverzekeraar was de betalingsregeling daardoor vervallen en werd het resterende openstaande bedrag direct opeisbaar. De kantonrechter stelt vast dat sprake is van een consumentenovereenkomst en toetst daarom ambtshalve of de aan de vordering ten grondslag gelegde bedingen voldoen aan het consumentenrecht.

LS&R 2387

Kantonrechter: onbegrensd incassobeding zorgverzekeraar strijdig met het consumentenrecht

Rechtbank Limburg 8 apr 2026, LS&R 2387; ECLI:NL:RBLIM:2026:3102 ((De Friesland tegen [gedaagde])), https://lsenr.nl/artikelen/kantonrechter-onbegrensd-incassobeding-zorgverzekeraar-strijdig-met-het-consumentenrecht

Rb. Limburg 8 april 2026, LS&R 2387; ECLI:NL:RBLIM:2026:3102 (De Friesland tegen [gedaagde]). In deze zaak tussen zorgverzekeraar De Friesland en [gedaagde] staat de vraag centraal in hoeverre bijkomende kosten – met name buitengerechtelijke incassokosten – toewijsbaar zijn bij een betalingsachterstand onder een zorgverzekeringsovereenkomst, en hoe ver de rechter ambtshalve moet gaan bij de toetsing aan het consumentenrecht. Tussen partijen staat vast dat [gedaagde] een achterstand heeft in de betaling van premies en zorgkosten over 2024 en 2025. De openstaande posten bedragen in totaal € 1.416,26. Na een deelbetaling van € 46,47 resteert een hoofdsom van € 1.369,79, vermeerderd met rente. [gedaagde] erkent deze schuld, maar verzet zich tegen de bijkomende kosten. Hij beroept zich daarbij op zijn moeilijke financiële situatie en doet een beroep op de redelijkheid en billijkheid. De kantonrechter verwerpt dit verweer. Dat [gedaagde] zich in een moeilijke financiële positie bevindt, ontslaat hem niet van zijn contractuele verplichtingen. De rechter benadrukt dat van [gedaagde] mocht worden verwacht dat hij eerder maatregelen had getroffen, bijvoorbeeld door hulp in te schakelen bij zijn financiële problemen. Dat dit is uitgebleven, komt voor zijn rekening. Ook het feit dat partijen geen passende betalingsregeling hebben bereikt, brengt niet mee dat De Friesland had moeten afzien van incassomaatregelen. De hoofdsom en de wettelijke rente (tot aan de dagvaarding berekend) worden dan ook toegewezen, evenals de verdere wettelijke rente over de resterende hoofdsom vanaf de dagvaarding. Vervolgens komt de kantonrechter toe aan de beoordeling van de buitengerechtelijke incassokosten, waarbij ambtshalve wordt getoetst of het contractuele incassokostenbeding in de polisvoorwaarden verenigbaar is met het consumentenrecht. Onder verwijzing naar het Dexia‑arrest en het Gupfinger‑arrest van het Hof van Justitie wordt vooropgesteld dat de rechter ook dan gehouden is een beding te vernietigen wanneer de schuldeiser zich primair beroept op wettelijke grondslagen (zoals artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten), maar het beding in algemene voorwaarden oneerlijk is.

LS&R 2386

Vordering zorgverzekeraar Menzis strandt door latere betalingen

Rechtbank Gelderland 22 apr 2026, LS&R 2386; ECLI:NL:RBGEL:2026:2649 ((Menzis tegen [gedaagde])), https://lsenr.nl/artikelen/vordering-zorgverzekeraar-menzis-strandt-door-latere-betalingen

Rb. Gelderland 22 april 2025, LS&R 2386; ECLI:NL:RBGEL:2026:2649 (Menzis tegen [gedaagde]). In deze zaak tussen zorgverzekeraar Menzis en [de gedaagde] stond de vraag centraal of nog premie, rente en buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd waren, en welke betekenis toekomt aan betalingen die na aanvang van de procedure zijn verricht. Menzis had [de gedaagde] gedagvaard wegens een betalingsachterstand in de zorgpremie over september en oktober 2023. De maandpremie bedroeg € 141,25, zodat de hoofdsom uitkwam op € 282,50. Daarnaast vorderde Menzis wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten. In de loop van de procedure erkende zij echter dat [de gedaagde] in 2025 aanvullende betalingen had gedaan, waarna de eis werd verminderd. Per saldo resteerde volgens Menzis nog een beperkt bedrag. [de gedaagde] voerde verweer op meerdere fronten. Zij betwistte allereerst de geldigheid van de dagvaarding, onder meer omdat de deurwaarder volgens haar niet bevoegd zou zijn en de handtekening onleesbaar was. Daarnaast stelde zij dat haar financiële en medische situatie betaling bemoeilijkte en dat zij meer had voldaan dan Menzis aannam. De kantonrechter verwerpt het formele verweer. Uit het register van de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders volgt dat de betrokken deurwaarder bevoegd was om te betekenen. Ook het argument over de handtekening slaagt niet: de wet stelt geen eisen aan de leesbaarheid daarvan, zolang deze maar door de deurwaarder is geplaatst. De dagvaarding voldoet daarmee aan de wettelijke vereisten.

LS&R 2375

Hof laat contracteervrijheid van ONVZ voorgaan in kort geding over tarieven voor luchtweghulpmiddelen

Hof Arnhem-Leeuwarden 31 mrt 2026, LS&R 2375; ECLI:NL:GHARL:2026:1943 (ONVZ tegen de hulpmiddelenaanbieders), https://lsenr.nl/artikelen/hof-laat-contracteervrijheid-van-onvz-voorgaan-in-kort-geding-over-tarieven-voor-luchtweghulpmiddelen

Hof Arnhem-Leeuwarden 31 maart 2026, LS&R 2375; ECLI:NL:GHARL:2026:1943 (ONVZ tegen de hulpmiddelenaanbieders). In dit kort geding in hoger beroep staat centraal of ONVZ gehouden is de contracttarieven 2025 voor aanbieders van hulpmiddelen voor luchtwegaandoeningen aan te passen. De hulpmiddelenaanbieders, Westfalen, Mediq, Vivisol, VitalAire en Total Care, stelden dat de door ONVZ voor 2025 eenzijdig aangeboden tarieven, die ten opzichte van 2024 voor de meeste contracten waren verlaagd en niet waren geïndexeerd, niet reëel en niet kostendekkend waren. Zij baseerden hun vorderingen op drie grondslagen: schending van NZa-regelgeving en de Gedragscode Goed Zorgverzekeraarschap, schending van de zorgplicht van art. 11 Zvw, en strijd met redelijkheid en billijkheid wegens hun gestelde afhankelijkheid van ONVZ. Het hof verwerpt deze grondslagen. Ook als ONVZ in strijd zou hebben gehandeld met NZa-regels over transparantie of met de Gedragscode, kan dat volgens het hof niet leiden tot rechterlijke aanpassing van de inhoud van de reeds gesloten contracten, omdat die normen zien op de totstandkoming van contracten en niet op de concrete tariefinhoud. Ook is voorshands niet aannemelijk geworden dat ONVZ met de tarieven 2025 haar zorgplicht uit art. 11 Zvw schendt. Wel erkent het hof dat ook zorgaanbieders in zoverre rechten aan art. 11 Zvw kunnen ontlenen dat zorgverzekeraars geen beleid mogen voeren waardoor de Zvw-zorg waarop aanspraak bestaat wordt beperkt, maar in dit kort geding is niet aannemelijk geworden dat de tarieven 2025 niet kostendekkend zijn of dat een “race to the bottom” ontstaat die de toekomstbestendigheid van het zorgstelsel aantast. Daarbij weegt het hof ook mee dat naast gecontracteerde zorg de mogelijkheid van niet-gecontracteerde zorg blijft bestaan, onder het hinderpaalcriterium van art. 13 Zvw.

LS&R 2367

Verplichte zorgverzekering en premiebetaling: vordering Zilveren Kruis toegewezen

Rechtbank Overijssel 13 jan 2026, LS&R 2367; ECLI:NL:RBOVE:2026:582 (Zilveren Kruis tegen [gedaagde]), https://lsenr.nl/artikelen/verplichte-zorgverzekering-en-premiebetaling-vordering-zilveren-kruis-toegewezen

Rb Overijssel 13 januari 2026, IEF 2367; ECLI:NL:RBOVE:2026:582 (Zilveren Kruis tegen [gedaagde]). De kantonrechter beoordeelt een vordering van zorgverzekeraar Zilveren Kruis tegen een verzekerde die de basispremie zorgverzekering over de maanden maart 2025 tot en met augustus 2025 onbetaald heeft gelaten. Zilveren Kruis vordert betaling van 943,50 euro aan achterstallige premies (zes keer 156,25 euro plus 6 euro acceptgirokosten), vermeerderd met rente en buitengerechtelijke kosten. Gedaagde verweert zich met de stelling dat zij geen zorgverzekering met Zilveren Kruis heeft afgesloten, dat het CAK tegen haar wil een verzekering op haar naam heeft geregeld en dat zij om principiële redenen sinds 1 januari 2023 geen zorgverzekering meer wil, onder meer wegens onvrede over de kwaliteit van de zorg en de communicatie met instanties. De kantonrechter stelt voorop dat iedereen die in Nederland woont of werkt op grond van de Zorgverzekeringswet en de Wet langdurige zorg verplicht is een zorgverzekering te hebben, tenzij een ontheffing wegens gemoedsbezwaren is verleend, wat hier niet het geval is. Bovendien mag het CAK voor een hardnekkig onverzekerde namens betrokkene een zorgverzekering afsluiten. Op basis van die overeenkomst is gedaagde gehouden premie te betalen.

LS&R 2328

Preferentiebeleid voor pancreatine toegestaan

Rechtbank Rotterdam 24 okt 2025, LS&R 2328; ECLI:NL:RBROT:2025:12570 (Mylan c.s. tegen DSW c.s. en Nordmark), https://lsenr.nl/artikelen/preferentiebeleid-voor-pancreatine-toegestaan

Rb. Rotterdam 24 oktober 2025, LS&R 2328; ECLI:NL:RBROT:2025:12570 (Mylan c.s. tegen DSW c.s. en Nordmark). Mylan (Mylan Healthcare B.V. en Mylan B.V.) spande een kort geding aan tegen DSW Zorgverzekeraar en Stad Holland over het preferent aanwijzen van Pantriozyme (Nordmark) en het uitsluiten van Creon 25.000 per 1 januari 2026. Nordmark voegde zich aan de zijde van de verzekeraars. Mylan vorderde dat het exclusieve preferentiebeleid zou worden verboden, althans dat Creon vergoed zou blijven of zelf als preferent middel zou worden aangewezen. De voorzieningenrechter schetst het kader van het kort geding en het verloop (dagvaarding, stukken, zitting) en wijst de vorderingen af.

LS&R 2327

Vordering Mylan tegen preferentiebeleid pancreatine afgewezen wegens uitwisselbaarheid Micrazym–Creon

Rechtbank Den Haag 30 okt 2025, LS&R 2327; ECLI:NL:RBDHA:2025:20203 (Mylan tegen Zilveren Kruis en Allgen), https://lsenr.nl/artikelen/vordering-mylan-tegen-preferentiebeleid-pancreatine-afgewezen-wegens-uitwisselbaarheid-micrazym-creon

Rb. Den Haag 30 oktober 2025, LS&R 2327; ECLI:NL:RBDHA:2025:20203 (Mylan tegen  Zilveren Kruis en Allgen). De Rechtbank Den Haag wijst de vorderingen van Mylan (Creon) tegen Zilveren Kruis af over het preferentiebeleid voor pancreatine 25.000. Zilveren Kruis voerde inkoop 2025–2027 met de eis van “absolute uitwisselbaarheid”, toegelicht als: een apotheker moet zonder tussenkomst van de voorschrijver kunnen wisselen, niet: chemische identiekheid. Allgen (Micrazym) won voorlopig (22 aug. 2025) voor 1 maart 2026–31 dec. 2027. De rechter stelt voorop: preferentiebeleid is toegestaan (Zvw/Bzv), mits het aangewezen middel voldoende uitwisselbaar is en bij medische noodzaak kan worden afgeweken. Mylan heeft bovendien haar rechten verwerkt door bezwaren niet vóór de in de leidraad gestelde vragen-deadline (4 juli 2025) te melden.

LS&R 2294

Voorkeursbeleid CDK4/6-remmers onrechtmatig, zorgverzekeraars mogen ziekenhuizen niet sturen op gebruik palbociclib

Rechtbank Gelderland 25 feb 2025, LS&R 2294; ECLI:NL:RBGEL:2025:1468 (Novartis tegen Nederlandse zorgverzekeraars), https://lsenr.nl/artikelen/voorkeursbeleid-cdk4-6-remmers-onrechtmatig-zorgverzekeraars-mogen-ziekenhuizen-niet-sturen-op-gebruik-palbociclib

Rb. Gelderland 25 februari 2025, LSR 2294; ECLI:NL:RBGEL:2025:1468 (Novartis tegen Nederlandse zorgverzekeraars). Novartis en andere farmaceuten hebben in Nederland CDK4/6-remmers op de markt gebracht voor de behandeling van hormoongevoelige, uitgezaaide borstkanker. Drie middelen (palbociclib, ribociclib en abemaciclib) zijn geregistreerd en worden door ziekenhuizen ingekocht. Gedaagden zijn Nederlandse zorgverzekeraars. Deze zorgverzekeraars, verenigd in het Clean Team van Zorgverzekeraars Nederland (ZN), hebben een gezamenlijke inkoopronde georganiseerd met als doel één voorkeursmiddel aan te wijzen op basis van de laagste prijs per verpakking. Palbociclib werd als voorkeursmiddel geselecteerd, waarbij financiële prikkels worden ingebouwd om ziekenhuizen te stimuleren dit middel voor te schrijven en het gebruik van de andere middelen te ontmoedigen. Novartis c.s. vorderen een verbod op het voortzetten van het voorkeursbeleid voor CDK4/6-remmers, met name het sturen op het voorschrijven van palbociclib en het ontmoedigen van ribociclib en abemaciclib. Zij stellen dat de middelen niet therapeutisch gelijkwaardig zijn en dat de prijsvergelijking niet objectief en discriminerend is. Daarnaast wordt gevorderd dat zorgverzekeraars alle zorginstellingen informeren over het verbod op het voorkeursbeleid.

LS&R 2200

Hof benoemt deskundige in zaak tussen VGZ en MediReva

Hof Arnhem-Leeuwarden 2 aug 2023, LS&R 2200; ECLI:NL:GHARL:2022:6787 (Eisers/MediReva), https://lsenr.nl/artikelen/hof-benoemt-deskundige-in-zaak-tussen-vgz-en-medireva

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2 augsutus 2022, LS&R 2200; ECLI:NL:GHARL:2022:6787 (Eisers/MediReva) In dit geschil buigt het hof zich over de vraag of VGZ, appellanten in het geschil, gehouden zijn om de lijmrestverwijderaars die door MediReva worden verstrekt aan hun verzekerden te vergoeden. MediReva produceert en verkoopt een middel om lijmresten van een stoma weg te halen. VGZ beschouwt dit middel als een schoonmaakmiddel dat buiten het basispakket valt. MediReva is het daar niet mee eens en start een procedure, waarbij zij in eerste aanleg gelijk krijgt. VGZ gaat in beroep. In onderhavige tussenuitspraak laten partijen zich uit over de deskundigenbenoeming van het hof. 

LS&R 2125

Zorgverzekeraars moeten ADHD-geneesmiddel vergoeden

Hof Arnhem-Leeuwarden 1 nov 2022, LS&R 2125; ECLI:NL:GHARL:2022:9382 (Regenboog Apotheek tegen Zilveren Kruis c.s.), https://lsenr.nl/artikelen/zorgverzekeraars-moeten-adhd-geneesmiddel-vergoeden

Hof Arnhem-Leeuwarden 1 november 2022, LS&R 2125; ECLI:NL:GHARL:2022:9382 (Regenboog Apotheek tegen Zilveren Kruis c.s.) Regenboog Apotheek verleent farmaceutische zorg en richt zich, naast het leveren van reguliere farmaceutische zorg, met name op de behandeling van patiënten met ADHD. Regenboog Apotheek bereidt en levert op dit moment als enige apotheek in Nederland het ADHD-geneesmiddel dexmethylfenidaat. Zilveren Kruis c.s. weigeren dexmethyfenidaat aan hun verzekerden te vergoeden. Regenboog Apotheek heeft bij kort geding gevorderd dat Zilveren Kruis c.s. veroordeeld moet worden om dexmethyfenidaat aan haar verzekerden te vergoeden indien zij dit geneesmiddel door hun arts voorgeschreven hebben gekregen nadat gebleken is dat andere geneesmiddelen onvoldoende effectief zijn of teveel bijwerkingen hebben. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat de zaak te complex is voor behandeling in kort geding. Het hof wijst de vordering toe omdat verzekerden van Zilveren Kruis c.s. met ADHD aan wie door hun arts dexmethylfenidaat wordt voorgeschreven nadat gebleken is dat andere middelen onvoldoende effectief zijn of teveel bijwerkingen hebben, aanspraak hebben op vergoeding van dexmethylfenidaat op grond van de Zvw en de polisvoorwaarden van Zilveren Kruis c.s.