Rb Gelderland: zorgpremievordering verjaard omdat ontvangst stuitingsbrieven niet vaststaat
Rb. Gelderland 21 januari 2026, LS&R 2397; ECLI:NL:RBGEL:2026:2599 (Menzis tegen [gedaagde]). De kantonrechter van de Rechtbank Gelderland heeft geoordeeld dat de vordering van Menzis tot betaling van achterstallige zorgpremies is verjaard. Hoewel Menzis meerdere schriftelijke aanmaningen en e-mails heeft verstuurd, staat niet vast dat deze [de gedaagde] hebben bereikt. Daardoor is de verjaring niet tijdig gestuit en wordt de vordering afgewezen. Tussen Menzis en [de gedaagde] bestond in de periode van 27 maart 2017 tot en met 23 november 2017 een zorgverzekeringsovereenkomst. De premie bedroeg € 119 per maand. Volgens Menzis heeft [de gedaagde] gedurende zes maanden geen premie betaald, waardoor een achterstand van € 733,83 is ontstaan. Inclusief rente en buitengerechtelijke incassokosten vordert Menzis een bedrag van € 971,18. [de gedaagde] voert aan dat de vordering inmiddels is verjaard en betwist daarnaast dat hij de premie onbetaald heeft gelaten. De kantonrechter stelt voorop dat een rechtsvordering tot nakoming van periodieke betalingen verjaart door verloop van vijf jaar nadat de vordering opeisbaar is geworden. Die termijn kan worden gestuit door een schriftelijke aanmaning of een andere schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt. Vast staat dat [de gedaagde] in ieder geval de brief van 17 september 2018 heeft kunnen ontvangen en dat de brief van 27 mei 2019 de bewindvoerder van [de gedaagde] heeft bereikt. Daarmee is de verjaring op 27 mei 2019 gestuit en is een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar gaan lopen. Centraal staat vervolgens de vraag of Menzis de verjaring tussen 27 mei 2019 en 11 april 2025 opnieuw heeft gestuit. Volgens de kantonrechter rusten de stelplicht en bewijslast daarvan op Menzis. Daarbij geldt dat een verklaring pas werking heeft wanneer deze de geadresseerde heeft bereikt. De kantonrechter verwijst in dit verband naar de maatstaf van de Hoge Raad, inhoudende dat de afzender moet stellen en zo nodig bewijzen dat de verklaring is verzonden, dat deze is verstuurd naar een adres waarvan redelijkerwijs mocht worden aangenomen dat de geadresseerde daar bereikbaar was en dat de verklaring daar is aangekomen.