DOSSIERS
Alle dossiers

rechtspraak  

LS&R 2387

Kantonrechter: onbegrensd incassobeding zorgverzekeraar strijdig met het consumentenrecht

Rechtbank Limburg 8 apr 2026, LS&R 2387; ECLI:NL:RBLIM:2026:3102 ((De Friesland tegen [gedaagde])), https://lsenr.nl/artikelen/kantonrechter-onbegrensd-incassobeding-zorgverzekeraar-strijdig-met-het-consumentenrecht

Rb. Limburg 8 april 2026, LS&R 2387; ECLI:NL:RBLIM:2026:3102 (De Friesland tegen [gedaagde]). In deze zaak tussen zorgverzekeraar De Friesland en [gedaagde] staat de vraag centraal in hoeverre bijkomende kosten – met name buitengerechtelijke incassokosten – toewijsbaar zijn bij een betalingsachterstand onder een zorgverzekeringsovereenkomst, en hoe ver de rechter ambtshalve moet gaan bij de toetsing aan het consumentenrecht. Tussen partijen staat vast dat [gedaagde] een achterstand heeft in de betaling van premies en zorgkosten over 2024 en 2025. De openstaande posten bedragen in totaal € 1.416,26. Na een deelbetaling van € 46,47 resteert een hoofdsom van € 1.369,79, vermeerderd met rente. [gedaagde] erkent deze schuld, maar verzet zich tegen de bijkomende kosten. Hij beroept zich daarbij op zijn moeilijke financiële situatie en doet een beroep op de redelijkheid en billijkheid. De kantonrechter verwerpt dit verweer. Dat [gedaagde] zich in een moeilijke financiële positie bevindt, ontslaat hem niet van zijn contractuele verplichtingen. De rechter benadrukt dat van [gedaagde] mocht worden verwacht dat hij eerder maatregelen had getroffen, bijvoorbeeld door hulp in te schakelen bij zijn financiële problemen. Dat dit is uitgebleven, komt voor zijn rekening. Ook het feit dat partijen geen passende betalingsregeling hebben bereikt, brengt niet mee dat De Friesland had moeten afzien van incassomaatregelen. De hoofdsom en de wettelijke rente (tot aan de dagvaarding berekend) worden dan ook toegewezen, evenals de verdere wettelijke rente over de resterende hoofdsom vanaf de dagvaarding. Vervolgens komt de kantonrechter toe aan de beoordeling van de buitengerechtelijke incassokosten, waarbij ambtshalve wordt getoetst of het contractuele incassokostenbeding in de polisvoorwaarden verenigbaar is met het consumentenrecht. Onder verwijzing naar het Dexia‑arrest en het Gupfinger‑arrest van het Hof van Justitie wordt vooropgesteld dat de rechter ook dan gehouden is een beding te vernietigen wanneer de schuldeiser zich primair beroept op wettelijke grondslagen (zoals artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten), maar het beding in algemene voorwaarden oneerlijk is.

LS&R 2386

Vordering zorgverzekeraar Menzis strandt door latere betalingen

Rechtbank Gelderland 22 apr 2026, LS&R 2386; ECLI:NL:RBGEL:2026:2649 ((Menzis tegen [gedaagde])), https://lsenr.nl/artikelen/vordering-zorgverzekeraar-menzis-strandt-door-latere-betalingen

Rb. Gelderland 22 april 2025, LS&R 2386; ECLI:NL:RBGEL:2026:2649 (Menzis tegen [gedaagde]). In deze zaak tussen zorgverzekeraar Menzis en [de gedaagde] stond de vraag centraal of nog premie, rente en buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd waren, en welke betekenis toekomt aan betalingen die na aanvang van de procedure zijn verricht. Menzis had [de gedaagde] gedagvaard wegens een betalingsachterstand in de zorgpremie over september en oktober 2023. De maandpremie bedroeg € 141,25, zodat de hoofdsom uitkwam op € 282,50. Daarnaast vorderde Menzis wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten. In de loop van de procedure erkende zij echter dat [de gedaagde] in 2025 aanvullende betalingen had gedaan, waarna de eis werd verminderd. Per saldo resteerde volgens Menzis nog een beperkt bedrag. [de gedaagde] voerde verweer op meerdere fronten. Zij betwistte allereerst de geldigheid van de dagvaarding, onder meer omdat de deurwaarder volgens haar niet bevoegd zou zijn en de handtekening onleesbaar was. Daarnaast stelde zij dat haar financiële en medische situatie betaling bemoeilijkte en dat zij meer had voldaan dan Menzis aannam. De kantonrechter verwerpt het formele verweer. Uit het register van de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders volgt dat de betrokken deurwaarder bevoegd was om te betekenen. Ook het argument over de handtekening slaagt niet: de wet stelt geen eisen aan de leesbaarheid daarvan, zolang deze maar door de deurwaarder is geplaatst. De dagvaarding voldoet daarmee aan de wettelijke vereisten.

LS&R 2375

Hof laat contracteervrijheid van ONVZ voorgaan in kort geding over tarieven voor luchtweghulpmiddelen

Hof Arnhem-Leeuwarden 31 mrt 2026, LS&R 2375; ECLI:NL:GHARL:2026:1943 (ONVZ tegen de hulpmiddelenaanbieders), https://lsenr.nl/artikelen/hof-laat-contracteervrijheid-van-onvz-voorgaan-in-kort-geding-over-tarieven-voor-luchtweghulpmiddelen

Hof Arnhem-Leeuwarden 31 maart 2026, LS&R 2375; ECLI:NL:GHARL:2026:1943 (ONVZ tegen de hulpmiddelenaanbieders). In dit kort geding in hoger beroep staat centraal of ONVZ gehouden is de contracttarieven 2025 voor aanbieders van hulpmiddelen voor luchtwegaandoeningen aan te passen. De hulpmiddelenaanbieders, Westfalen, Mediq, Vivisol, VitalAire en Total Care, stelden dat de door ONVZ voor 2025 eenzijdig aangeboden tarieven, die ten opzichte van 2024 voor de meeste contracten waren verlaagd en niet waren geïndexeerd, niet reëel en niet kostendekkend waren. Zij baseerden hun vorderingen op drie grondslagen: schending van NZa-regelgeving en de Gedragscode Goed Zorgverzekeraarschap, schending van de zorgplicht van art. 11 Zvw, en strijd met redelijkheid en billijkheid wegens hun gestelde afhankelijkheid van ONVZ. Het hof verwerpt deze grondslagen. Ook als ONVZ in strijd zou hebben gehandeld met NZa-regels over transparantie of met de Gedragscode, kan dat volgens het hof niet leiden tot rechterlijke aanpassing van de inhoud van de reeds gesloten contracten, omdat die normen zien op de totstandkoming van contracten en niet op de concrete tariefinhoud. Ook is voorshands niet aannemelijk geworden dat ONVZ met de tarieven 2025 haar zorgplicht uit art. 11 Zvw schendt. Wel erkent het hof dat ook zorgaanbieders in zoverre rechten aan art. 11 Zvw kunnen ontlenen dat zorgverzekeraars geen beleid mogen voeren waardoor de Zvw-zorg waarop aanspraak bestaat wordt beperkt, maar in dit kort geding is niet aannemelijk geworden dat de tarieven 2025 niet kostendekkend zijn of dat een “race to the bottom” ontstaat die de toekomstbestendigheid van het zorgstelsel aantast. Daarbij weegt het hof ook mee dat naast gecontracteerde zorg de mogelijkheid van niet-gecontracteerde zorg blijft bestaan, onder het hinderpaalcriterium van art. 13 Zvw.

LS&R 2367

Verplichte zorgverzekering en premiebetaling: vordering Zilveren Kruis toegewezen

Rechtbank Overijssel 13 jan 2026, LS&R 2367; ECLI:NL:RBOVE:2026:582 (Zilveren Kruis tegen [gedaagde]), https://lsenr.nl/artikelen/verplichte-zorgverzekering-en-premiebetaling-vordering-zilveren-kruis-toegewezen

Rb Overijssel 13 januari 2026, IEF 2367; ECLI:NL:RBOVE:2026:582 (Zilveren Kruis tegen [gedaagde]). De kantonrechter beoordeelt een vordering van zorgverzekeraar Zilveren Kruis tegen een verzekerde die de basispremie zorgverzekering over de maanden maart 2025 tot en met augustus 2025 onbetaald heeft gelaten. Zilveren Kruis vordert betaling van 943,50 euro aan achterstallige premies (zes keer 156,25 euro plus 6 euro acceptgirokosten), vermeerderd met rente en buitengerechtelijke kosten. Gedaagde verweert zich met de stelling dat zij geen zorgverzekering met Zilveren Kruis heeft afgesloten, dat het CAK tegen haar wil een verzekering op haar naam heeft geregeld en dat zij om principiële redenen sinds 1 januari 2023 geen zorgverzekering meer wil, onder meer wegens onvrede over de kwaliteit van de zorg en de communicatie met instanties. De kantonrechter stelt voorop dat iedereen die in Nederland woont of werkt op grond van de Zorgverzekeringswet en de Wet langdurige zorg verplicht is een zorgverzekering te hebben, tenzij een ontheffing wegens gemoedsbezwaren is verleend, wat hier niet het geval is. Bovendien mag het CAK voor een hardnekkig onverzekerde namens betrokkene een zorgverzekering afsluiten. Op basis van die overeenkomst is gedaagde gehouden premie te betalen.

LS&R 2327

Vordering Mylan tegen preferentiebeleid pancreatine afgewezen wegens uitwisselbaarheid Micrazym–Creon

Rechtbank Den Haag 30 okt 2025, LS&R 2327; ECLI:NL:RBDHA:2025:20203 (Mylan tegen Zilveren Kruis en Allgen), https://lsenr.nl/artikelen/vordering-mylan-tegen-preferentiebeleid-pancreatine-afgewezen-wegens-uitwisselbaarheid-micrazym-creon

Rb. Den Haag 30 oktober 2025, LS&R 2327; ECLI:NL:RBDHA:2025:20203 (Mylan tegen  Zilveren Kruis en Allgen). De Rechtbank Den Haag wijst de vorderingen van Mylan (Creon) tegen Zilveren Kruis af over het preferentiebeleid voor pancreatine 25.000. Zilveren Kruis voerde inkoop 2025–2027 met de eis van “absolute uitwisselbaarheid”, toegelicht als: een apotheker moet zonder tussenkomst van de voorschrijver kunnen wisselen, niet: chemische identiekheid. Allgen (Micrazym) won voorlopig (22 aug. 2025) voor 1 maart 2026–31 dec. 2027. De rechter stelt voorop: preferentiebeleid is toegestaan (Zvw/Bzv), mits het aangewezen middel voldoende uitwisselbaar is en bij medische noodzaak kan worden afgeweken. Mylan heeft bovendien haar rechten verwerkt door bezwaren niet vóór de in de leidraad gestelde vragen-deadline (4 juli 2025) te melden.

LS&R 2294

Voorkeursbeleid CDK4/6-remmers onrechtmatig, zorgverzekeraars mogen ziekenhuizen niet sturen op gebruik palbociclib

Rechtbank Gelderland 25 feb 2025, LS&R 2294; ECLI:NL:RBGEL:2025:1468 (Novartis tegen Nederlandse zorgverzekeraars), https://lsenr.nl/artikelen/voorkeursbeleid-cdk4-6-remmers-onrechtmatig-zorgverzekeraars-mogen-ziekenhuizen-niet-sturen-op-gebruik-palbociclib

Rb. Gelderland 25 februari 2025, LSR 2294; ECLI:NL:RBGEL:2025:1468 (Novartis tegen Nederlandse zorgverzekeraars). Novartis en andere farmaceuten hebben in Nederland CDK4/6-remmers op de markt gebracht voor de behandeling van hormoongevoelige, uitgezaaide borstkanker. Drie middelen (palbociclib, ribociclib en abemaciclib) zijn geregistreerd en worden door ziekenhuizen ingekocht. Gedaagden zijn Nederlandse zorgverzekeraars. Deze zorgverzekeraars, verenigd in het Clean Team van Zorgverzekeraars Nederland (ZN), hebben een gezamenlijke inkoopronde georganiseerd met als doel één voorkeursmiddel aan te wijzen op basis van de laagste prijs per verpakking. Palbociclib werd als voorkeursmiddel geselecteerd, waarbij financiële prikkels worden ingebouwd om ziekenhuizen te stimuleren dit middel voor te schrijven en het gebruik van de andere middelen te ontmoedigen. Novartis c.s. vorderen een verbod op het voortzetten van het voorkeursbeleid voor CDK4/6-remmers, met name het sturen op het voorschrijven van palbociclib en het ontmoedigen van ribociclib en abemaciclib. Zij stellen dat de middelen niet therapeutisch gelijkwaardig zijn en dat de prijsvergelijking niet objectief en discriminerend is. Daarnaast wordt gevorderd dat zorgverzekeraars alle zorginstellingen informeren over het verbod op het voorkeursbeleid.

LS&R 1832

Afslagenbeleid van zorgverzekeraar niet onrechtmatig

Rechtbank Midden-Nederland , LS&R 1832; ECLI:NL:RBMNE:2020:2117 (Eureco-Pharma tegen Zilveren Kruis), https://lsenr.nl/artikelen/afslagenbeleid-van-zorgverzekeraar-niet-onrechtmatig

Vzr. Rechtbank Midden-Nederland 8 juni 2020, LS&R 1832; ECLI:NL:RBMNE:2020:2117 (Eureco-Pharma tegen Zilveren Kruis) Mededingingsrecht. Kort geding. Verschillende ziekenhuizen kochten bij Eureco-Pharma het geneesmiddel Imbruvica. Zorgverzekeraar Zilveren Kruis vergoedde het gehele bedrag van Imbruvica, terwijl ziekenhuizen soms (achteraf) een korting ontvingen van Eureca-Pharma. De korting kwam dan ten goede aan de ziekenhuizen. Zilveren Kruis vond dit onwenselijk en ging daarom deelnemen aan een ‘gezamenlijk inkoopverband’ met andere zorgverzekeraars. Het inkoopverband heeft een overeenkomst met Janssen-Cilag, een aanbieder die rechtstreeks verkoopt en levert aan de ziekenhuizen. Hierbij wordt de korting uitgekeerd aan de zorgverzekeraars in plaats van aan de ziekenhuizen. Zilveren Kruis wil bereiken dat ziekenhuizen Imbruvica alleen bij Janssen-Cilag afnemen en niet bij andere aanbieders. Daarom past Zilveren Kruis een verschil in afslagen toe: in 2020 geldt geen afslag als Imbruvica wordt aangeschaft bij Janssen-Cilag en een afslag van 49% als Imbruvica wordt aangeschaft bij een andere leverancier. Eureco-Pharma stelt dat Zilveren Kruis met dit afslagenbeleid onrechtmatig handelt en vordert een verbod op dit afslagenbeleid. Hiertoe voert Eureco-Pharma aan dat het afslagenbeleid van Zilveren Kruis zijn grondslag heeft in de overeenkomst die het inkoopverband met Janssen-Cilag heeft gesloten. Dit betoog gaat niet op, omdat uit de stellingen en stukken moet worden afleid dat Zilveren Kruis de afslag op Imbruvica vaststelt met het doel om feitelijk altijd de laagste prijs te betalen. Die ruimte moet een concurrerende onderneming worden gegund. Daarnaast voert Eureco-Pharma aan dat het inkoopverband als zodanig een verboden overeenkomst of feitelijk afgestemde gedraging is op grond van artikel 101 lid 1 VWEU. Dit bezwaar stuit af op een gebrek aan belang. De vorderingen van Eureco-Pharma strekken immers tot het verbieden van het afslagenbeleid en niet tot het verbieden van het inkoopverband. Ook voert Eureco-Pharma aan dat Zilveren Kruis en de ziekenhuizen hebben afgestemd dat het afslagenbeleid geldt en dat deze onderling afgestemde feitelijke gedragingen verboden zijn, omdat Eureco-Pharma hierdoor van mededinging wordt buitengesloten. Een onderling afgestemde gedraging is alleen verboden als het gaat om een welbewuste afstemming. Dat heeft Eureco-Pharma niet aannemelijk gemaakt, dus het verweer wordt verworpen. Het verweer dat Zilveren Kruis in strijd met artikel 34 VWEU zou handelen, omdat zij de paralleldistributie van Imbruvica in Nederland belemmert, wordt eveneens verworpen. Artikel 34 VWEU is namelijk niet van toepassing. Er is dus geen sprake van onrechtmatig handelen door Zilveren Kruis.

LS&R 1268

Onterechte declaratie farmaceutische zorg door apotheek

Rechtbank Gelderland 20 januari 2016, LS&R 1268; ECLI:NL:RBGEL:2016:226 (Agis tegen gedaagde)
Ten onrechte farmaceutische zorg gedeclareerd door apotheek bij zorgverzekeraar. Bij tussenvonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat ter zake van medicijncassettes een bedrag van € 277.496,91 is gedeclareerd voor zorg waarvan geen enkele aanwijzing bestaat dat deze daadwerkelijk is geleverd, en dat ter zake van het project ‘dagleveringen’ tussen november 2009 en december 2010 ten hoogste een vergoeding voor weekterhandstelling gedeclareerd mocht worden. Na bewijslevering is fraude komen vast te staan.

2.7.
De verklaring van [getuige A] dat het idee van het ompakken en het dagelijks declareren van een standaardterhandstelling van [gedaagde] afkomstig was, is door [gedaagde] niet betwist. Hiermee staat vast dat [gedaagde] in feite de initiator is geweest van deze wijze van declareren. Juist hierin is het frauduleuze karakter gelegen. Dat hij volgens eigen zeggen niet zelf direct bij het declareren betrokken is geweest, maakt niet dat hij niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor deze wijze van declareren. In die zin is sprake van voldoende persoonlijke betrokkenheid.

Medicatiecassettes
Uit de getuigenverhoren blijkt dat, ondanks het feit dat [getuige A] beherend apotheker van Apotheek [plaats A] is geweest in de relevante periode, [gedaagde] in feite de financiële administratie van Apotheek [plaats A] deed. [gedaagde] heeft niet betwist dat [getuige A] geen inzicht had in de hoogte van de gedeclareerde bedragen. Hij had daarin de vrije hand, zodat hij niet bang hoefde te zijn voor lastige vragen en eventuele ontdekking van ten onrechte gedeclareerde medicatiecassettes.

2.12.
Wat betreft overigens de kans op ontdekking van de onterecht gedeclareerde medicatiecassettes overweegt de rechtbank het volgende. Uit de getuigenverklaringen blijkt dat de patiënten waarvoor ten onrechte een medicatiecassette is gedeclareerd zowel in Apotheek [plaats B] als in Apotheek [plaats A] zijn opgenomen in een bestand voor chronische medicatie. Dit heeft tot gevolg dat, anders dan bij medicatie per recept, het systeem slechts eenmaal een waarschuwing afgeeft dat dezelfde werkzame stof reeds is afgeleverd aan de betreffende patiënt. De waarschuwing staat niet eraan in de weg dat de werkzame stof dubbel kan worden ingevoerd. Aldus verkleint opname in een chronisch bestand aanzienlijk de kans dat wordt ontdekt dat naast de werkzame stof in pilvorm ook dezelfde werkzame stof in een medicatiecassette wordt verstrekt. Het voorgaande is alleen van belang als de systemen van Apotheek [plaats A] en Apotheek [plaats B] onderling uitwisselbaar waren, hetgeen gelet op de getuigenverklaringen niet vaststaat. Is dit niet het geval, dan treedt geen waarschuwingssysteem in werking.

Samengevat
2.14.
Vordering A: [gedaagden] zullen hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 277.496,91 ter zake van de medicatiecassettes.
Vordering B: deze vordering ter zake van de dubbele betalingen is ingetrokken.
Vordering C: voor recht zal worden verklaard dat Apotheek [plaats A] ter zake van de dagleveringen in de periode van 1 november 2009 tot en met 8 december 2010 slechts recht heeft op wekelijks een vergoeding voor weekterhandstelling.
Vordering D: deze vordering is ingetrokken.
Vordering E: voor recht zal worden verklaard dat [gedaagden] hoofdelijk verbonden zijn tot terugbetaling aan Agis van hetgeen Agis ter zake van de dagleveringen onverschuldigd aan Apotheek [plaats A] heeft betaald. Agis zal in de gelegenheid worden gesteld om bij akte deze vordering met de uitgangspunten als in dit vonnis (onder 2.7) geformuleerd nader te onderbouwen.
Vordering F: bij eindvonnis zal [gedaagden] worden veroordeeld in de proceskosten en nakosten.
Het voorgaande leidt tot na te melden beslissing.
LS&R 1266

Beslag in zorgsector opgeheven in belang van zorgverlening

Vzr. Rechtbank Midden-Nederland 3 februari 2016, LS&R 1266 ; ECLI:NL:RBMNE:2016:490 (Combinatie Zorg A en Safa Zorg)
Opheffen beslag in de zorgsector. Safa Zorg van vordert van Joost Zorgt en CZA een bedrag van € 547.111,69 aan, over de periode 2013 tot en met 2015, niet betaalde winstrechten en wettelijke handelsrente berekend tot 1 januari 2016. Berekening winst uit overeenkomst tussen zorgverleners. Belangenafweging tussen zorgverleners, werknemers, cliënten, weegt in het voordeel van de werknemers en cliënten. De beslagen worden opgeheven.

4.13. Daarnaast is er ook op grond van de belangenafweging reden om de gevraagde opheffing van de beslagen en het gevraagde verbod op toekomstige beslaglegging toe te wijzen. Joost Zorgt en CZA hebben aannemelijk gemaakt dat hun belang bij opheffing van dan wel verbod op beslaglegging niet alleen bestaat uit een onbelemmerde bedrijfsvoering, maar dat er tevens sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang. Dat belang bestaat uit het kunnen blijven verlenen van zorg aan honderden cliënten die daarvan afhankelijk zijn en uit het kunnen blijven betalen van de lonen en het in dienst houden van de circa 700 werknemers waarvoor Joost Zorgt verantwoordelijk is. Dit belang dient naar het oordeel van de voorzieningenrechter zwaarder te wegen dan het (bedrijfs)belang van Safa Zorg bij handhaving en uitbreiding van de beslagen. Daarbij heeft de voorzieningenrechter in aanmerking genomen dat Safa Zorg niet heeft weersproken dat vrijwel al het personeel in CZA is ondergebracht, zodat het door haar gestelde belang bij betaling van het personeel slechts minimaal kan zijn.
LS&R 1261

Bemiddelaar houdt aanspraak op provisie gedurende looptijd mantelcontract, ook na voortijdige opzegging

Hof Arnhem-Leeuwarden 2 februari 2016, LS&R 1261; ECLI:NL:GHARL:2016:621 (appellante tegen VGZ)
Centrale vraag is of appellante, ook nadat zij geen werkzaamheden meer uitvoerde voor het mantelcontract t.b.v. Oracle, nog aanspraak kon maken jegens VGZ op provisie op grond van de samenwerkingsovereenkomst. De rechtbank beantwoordde deze vraag eerder ontkennend. Voor beantwoording is uitleg van de samenwerkingsovereenkomst tussen zorgverzekeraar en bemiddelaar noodzakelijk, met name uitleg van het begrip “bemiddeling”. Partijen hebben onvoldoende gesteld dat er sprake is van een éénduidig gebruik van het begrip “bemiddeling” in de branche. Het hof komt tot het oordeel dat artikel 7 van de samenwerkingsovereenkomst zo moet worden uitgelegd dat voor [appellante] aanspraak op provisie bestaat voor de door haar verrichte bemiddeling ter zake het mantelcontract gedurende de looptijd van dat mantelcontract. Het bestreden arrest wordt vernietigd en de vordering toegewezen.

4.5 Gelet op de hiervoor geschetste wijze van totstandkoming van de samenwerkingsovereenkomst, waarvan vast staat dat die éénzijdig door VGZ is opgesteld zonder dat [appellante] daarop invloed heeft uitgeoefend, komt naast de tekst van de overeenkomst gewicht toe aan de specifieke achtergrond van de overeenkomst, de wijze van totstandkoming daarvan en de verhouding tussen partijen. Dit geldt te meer nu onvoldoende is gesteld en onderbouwd om aan te nemen dat sprake is van een éénduidig gebruik van het begrip “bemiddeling” in de branche. Beide partijenstellen weliswaar dat de eigen uitleg van de overeenkomst gebruikelijk is in de branche, maar zij onderbouwen dit geen van beiden in voldoende mate. Uit de overgelegde (delen van) contracten met andere verzekeraars dan VGZ blijkt weliswaar dat een aantal verzekeraars in hun afspraken met bemiddelaars als regel hanteert dat bij overgang van een verzekering op verzoek van de klant de oude bemiddelaar aanspraak blijft houden op provisie tot de eerstvolgende vervaldatum van het verzekeringscontract van die klant. Onduidelijk is echter of dit alle zorgverzekeraars betreft. Uit die stukken blijkt ook dat ONVZ en Achmea in hun contracten met bemiddelaars uitdrukkelijk bepalen dat deze regel ook geldt voor collectieve ziektekostenverzekeringen, met dien verstande dat dan de vervaldatum van het collectieve contract wordt gehanteerd als einddatum voor de aanspraak op provisie. In de overgelegde stukken afkomstig uit contracten met andere verzekeraars valt niet te lezen dat deze regel daar ook wordt toegepast op mantelcontracten.

4.6 Op grond van nadere beschouwing van de hiervoor onder 4.3 geschetste achtergronden van de samenwerkingsovereenkomst, de wijze van totstandkoming van die overeenkomst en de verhouding tussen partijen komt het hof tot het oordeel dat artikel 7 van de samenwerkingsovereenkomst zo moet worden uitgelegd dat voor [appellante] aanspraak op provisie bestaat voor de door haar verrichte bemiddeling ter zake het mantelcontract gedurende de looptijd van dat mantelcontract. Daarvoor is het volgende van belang.

In de memorie van grieven en tijdens het pleidooi in hoger beroep is door [appellante] betoogd dat provisie (in het algemeen en in dit geval) niet gelijk te stellen valt met rechtstreekse beloning, in die zin dat er niet noodzakelijkerwijze een rechtstreeks verband bestaat tussen de aanspraak op provisie (die vaak gebaseerd is op de hoogte van de verzekeringspremie) en de door de bemiddelaar voor de individuele klant te verrichten werkzaamheden. Dit vanwege het feit dat minder bewerkelijke klanten de werkzaamheden voor bewerkelijke klanten als het ware subsidiëren en de bemiddelaar met de totale jaarlijkse provisie die binnenkomt ook alle advieswerkzaamheden moet bekostigen voor (potentiële) klanten die uiteindelijk geen verzekering afsluiten via de bemiddelaar. VGZ heeft de strekking van dit betoog niet betwist en daarmee gaan haar argumenten niet op, voor zover die zijn gebaseerd op de stelling dat [appellante] geen aanspraak meer heeft op provisie omdat zij na 1 januari 2014 (noodgedwongen) geen werkzaamheden meer ter zake het mantelcontract heeft uitgevoerd.

Afgezien daarvan heeft [appellante] voldoende aannemelijk gemaakt, zoals blijkt uit het hiervoor onder 4.3 weergegevene, dat het zwaartepunt van haar werkzaamheden lag in het totstandbrengen van het mantelcontract, hetgeen rijmt met haar uitleg dat de looptijd van de provisieregeling gekoppeld is aan de looptijd van dat mantelcontract. Vast staat dat die looptijd 3 jaar bedraagt en dat door VGZ en Oracle, na bemiddeling door [appellante], bewust is gekozen voor die langere looptijd, omdat die zowel gunstig was voor VGZ als voor Oracle. In het mantelcontract is voorts niet voorzien in een tussentijdse opzegging door Oracle, terwijl noch in de samenwerkingsovereenkomst, noch in de bijlage is geregeld dat de provisie voor [appellante] stopt bij tussentijdse opzegging door de klant (in dit geval Oracle).