Vordering zorgverzekeraar Menzis strandt door latere betalingen
Rb. Gelderland 22 april 2025, LS&R 2386; ECLI:NL:RBGEL:2026:2649 (Menzis tegen [gedaagde]). In deze zaak tussen zorgverzekeraar Menzis en [de gedaagde] stond de vraag centraal of nog premie, rente en buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd waren, en welke betekenis toekomt aan betalingen die na aanvang van de procedure zijn verricht. Menzis had [de gedaagde] gedagvaard wegens een betalingsachterstand in de zorgpremie over september en oktober 2023. De maandpremie bedroeg € 141,25, zodat de hoofdsom uitkwam op € 282,50. Daarnaast vorderde Menzis wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten. In de loop van de procedure erkende zij echter dat [de gedaagde] in 2025 aanvullende betalingen had gedaan, waarna de eis werd verminderd. Per saldo resteerde volgens Menzis nog een beperkt bedrag. [de gedaagde] voerde verweer op meerdere fronten. Zij betwistte allereerst de geldigheid van de dagvaarding, onder meer omdat de deurwaarder volgens haar niet bevoegd zou zijn en de handtekening onleesbaar was. Daarnaast stelde zij dat haar financiële en medische situatie betaling bemoeilijkte en dat zij meer had voldaan dan Menzis aannam. De kantonrechter verwerpt het formele verweer. Uit het register van de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders volgt dat de betrokken deurwaarder bevoegd was om te betekenen. Ook het argument over de handtekening slaagt niet: de wet stelt geen eisen aan de leesbaarheid daarvan, zolang deze maar door de deurwaarder is geplaatst. De dagvaarding voldoet daarmee aan de wettelijke vereisten.
Ten onrechte farmaceutische zorg gedeclareerd door apotheek bij zorgverzekeraar. Bij tussenvonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat ter zake van medicijncassettes een bedrag van € 277.496,91 is gedeclareerd voor zorg waarvan geen enkele aanwijzing bestaat dat deze daadwerkelijk is geleverd, en dat ter zake van het project ‘dagleveringen’ tussen november 2009 en december 2010 ten hoogste een vergoeding voor weekterhandstelling gedeclareerd mocht worden. Na bewijslevering is fraude komen vast te staan.
Centrale vraag is of appellante, ook nadat zij geen werkzaamheden meer uitvoerde voor het mantelcontract t.b.v. Oracle, nog aanspraak kon maken jegens VGZ op provisie op grond van de samenwerkingsovereenkomst. De rechtbank beantwoordde deze vraag eerder ontkennend. Voor beantwoording is uitleg van de samenwerkingsovereenkomst tussen zorgverzekeraar en bemiddelaar noodzakelijk, met name uitleg van het begrip “bemiddeling”. Partijen hebben onvoldoende gesteld dat er sprake is van een éénduidig gebruik van het begrip “bemiddeling” in de branche. Het hof komt tot het oordeel dat artikel 7 van de samenwerkingsovereenkomst zo moet worden uitgelegd dat voor [appellante] aanspraak op provisie bestaat voor de door haar verrichte bemiddeling ter zake het mantelcontract gedurende de looptijd van dat mantelcontract. Het bestreden arrest wordt vernietigd en de vordering toegewezen.
Inkoopprocedure. Zie ook