Gepubliceerd op dinsdag 26 mei 2026
LS&R 2386
Rechtbank Gelderland ||
22 apr 2026
Rechtbank Gelderland 22 apr 2026, LS&R 2386; ECLI:NL:RBGEL:2026:2649 ((Menzis tegen [gedaagde])), https://lsenr.nl/artikelen/vordering-zorgverzekeraar-menzis-strandt-door-latere-betalingen

Vordering zorgverzekeraar Menzis strandt door latere betalingen

Rb. Gelderland 22 april 2025, LS&R 2386; ECLI:NL:RBGEL:2026:2649 (Menzis tegen [gedaagde]). In deze zaak tussen zorgverzekeraar Menzis en [de gedaagde] stond de vraag centraal of nog premie, rente en buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd waren, en welke betekenis toekomt aan betalingen die na aanvang van de procedure zijn verricht. Menzis had [de gedaagde] gedagvaard wegens een betalingsachterstand in de zorgpremie over september en oktober 2023. De maandpremie bedroeg € 141,25, zodat de hoofdsom uitkwam op € 282,50. Daarnaast vorderde Menzis wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten. In de loop van de procedure erkende zij echter dat [de gedaagde] in 2025 aanvullende betalingen had gedaan, waarna de eis werd verminderd. Per saldo resteerde volgens Menzis nog een beperkt bedrag. [de gedaagde] voerde verweer op meerdere fronten. Zij betwistte allereerst de geldigheid van de dagvaarding, onder meer omdat de deurwaarder volgens haar niet bevoegd zou zijn en de handtekening onleesbaar was. Daarnaast stelde zij dat haar financiële en medische situatie betaling bemoeilijkte en dat zij meer had voldaan dan Menzis aannam. De kantonrechter verwerpt het formele verweer. Uit het register van de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders volgt dat de betrokken deurwaarder bevoegd was om te betekenen. Ook het argument over de handtekening slaagt niet: de wet stelt geen eisen aan de leesbaarheid daarvan, zolang deze maar door de deurwaarder is geplaatst. De dagvaarding voldoet daarmee aan de wettelijke vereisten.

Ten aanzien van de inhoudelijke vordering stelt de kantonrechter voorop dat [de gedaagde] de verschuldigdheid van de premie erkent. Persoonlijke omstandigheden, hoe begrijpelijk ook, doen niet af aan de contractuele betalingsverplichting. De hoofdsom is daarmee in beginsel toewijsbaar. De gevorderde wettelijke rente houdt echter geen stand in de opgevoerde omvang. Menzis had bij de berekening geen rekening gehouden met een betaling van 19 november 2025, die pas later in de procedure werd erkend. Daardoor is het rentebedrag te hoog vastgesteld en dient dit te worden gecorrigeerd. Voor de buitengerechtelijke incassokosten oordeelt de kantonrechter dat aan de vereisten is voldaan. De verzonden veertiendagenbrief voldoet aan de eisen van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, zodat deze kosten in beginsel verschuldigd zijn. Beslissend is uiteindelijk de optelsom van alle betalingen. [de gedaagde] heeft in totaal € 354,80 voldaan. Dit bedrag overstijgt de hoofdsom, de (gecorrigeerde) rente en de incassokosten tezamen. Daarmee staat vast dat per saldo niets meer verschuldigd is. De vordering van Menzis wordt daarom volledig afgewezen. De proceskosten worden gecompenseerd. Hoewel [de gedaagde] aanvankelijk een betalingsachterstand had, heeft Menzis haar vordering door een onjuiste renteberekening en het pas laat verwerken van betalingen niet in stand kunnen houden. Dat leidt ertoe dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

4.2. Tussen partijen is in geschil of [de gedaagde] nog premie aan Menzis moet betalen en of [de gedaagde] rente en kosten verschuldigd is.

4.3. [de gedaagde] erkent dat zij € 282,50 aan premie had moeten betalen, maar voert aan dat zij een beperkte financiële draagkracht heeft en dat haar gezondheid ernstig beperkt is. De kantonrechter oordeelt dat deze omstandigheden, hoe vervelend ook, niet afdoen aan haar betalingsverplichting jegens Menzis. Nu [de gedaagde] verder geen inhoudelijk verweer heeft gevoerd tegen de gevorderde hoofdsom, zal deze worden toegewezen.

4.4. Menzis vordert wettelijke rente. De kantonrechter oordeelt dat Menzis bij de berekening van de vervallen rente geen rekening heeft gehouden met de betaling van 19 november 2025, aangezien zij deze pas bij repliek heeft erkend. Het toewijsbare bedrag aan rente zal daarom lager zijn dan het bedrag van € 21,43 dat Menzis heeft gevorderd.

4.5. Menzis vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [de gedaagde] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. GGN, de incassogemachtigde van Menzis, heeft aan [de gedaagde] op 22 november 2023 een aanmaning gestuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. De hoogte van het gevorderde bedrag is in overeenstemming met de tarieven die zijn weergegeven in het Besluit. De vordering van € 48,80 is daarom eveneens toewijsbaar.

4.6. [de gedaagde] heeft een totaalbedrag van € 354,80 aan betalingen verricht. De kantonrechter overweegt dat [de gedaagde] meer heeft betaald dan het totaal aan toewijsbare buitengerechtelijke incassokosten (€ 48,80), de toewijsbare wettelijke rente (minder dan € 21,43) en de toewijsbare hoofdsom (€ 282,50). Deze vorderingen zullen daarom alsnog worden afgewezen.