alle rechtspraak  

LS&R 2474

Rechtbank benoemt longarts als deskundige in zaak

Rechtbank Noord-Holland 18 jun 2026, LS&R 2474; ECLI:NL:RBNHO:2026:8384 ([verzoekers] tegen Centramed), https://lsenr.nl/artikelen/rechtbank-benoemt-longarts-als-deskundige-in-zaak

Rb. Noord-Holland 18 juni 2026, LS&R 2474; ECLI:NL:RBNHO:2026:8384 ([verzoekers] tegen Centramed). In deze zaak tussen de erfgenamen van [erflater] (hierna: [verzoekers]) en Centramed anderzijds staat de vraag centraal of bij de behandeling van [erflater] medisch onzorgvuldig is gehandeld. [erflater] werd op 12 oktober 2023 met een acute pneumothorax opgenomen in het Dijklander Ziekenhuis. Er werd een thoraxdrain geplaatst. In de dagen daarna ontwikkelde hij subcutaan emfyseem en verslechterde zijn toestand. Na een reanimatiesetting werd hij overgeplaatst naar de intensive care, waar hij op 20 oktober 2023 overleed. De erfgenamen hebben het ziekenhuis aansprakelijk gesteld, maar Dijklander en Centramed hebben aansprakelijkheid afgewezen. De rechtbank wijst het verzoek om een voorlopig deskundigenbericht toe. Partijen zijn het eens over de benoeming van longarts dr. J.P. Janssen, die onder meer pneumothorax als aandachtsgebied heeft. De deskundige moet beoordelen hoe de behandeling volgens de professionele standaard had moeten verlopen en hoe deze in dit geval daadwerkelijk is verlopen. Daarmee kan worden beoordeeld of het handelen van Dijklander, in het bijzonder van de behandelend longarts, in overeenstemming was met art. 7:453 BW.

LS&R 2468

Geen opschortingsrecht wegens ontbrekende zorgdossiers en rapportages

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 18 mrt 2026, LS&R 2468; ECLI:NL:RBZWB:2026:2004 (De curator tegen Umbra Zorg B.V.), https://lsenr.nl/artikelen/geen-opschortingsrecht-wegens-ontbrekende-zorgdossiers-en-rapportages

Rb. Zeeland-West-Brabant 18 maart 2026, LS&R 2468; ECLI:NL:RBZWB:2026:2004 (De curator tegen Umbra Zorg B.V.). In deze zaak tussen de curator van De Zorgboom B.V. en Umbra Zorg B.V. staat de vraag centraal of Umbra Zorg B.V. betaling van een factuur voor geleverde wijkverpleging mocht opschorten omdat De Zorgboom B.V. volgens haar onvoldoende rapportages en dossierstukken had aangeleverd. Partijen hadden een raamovereenkomst gesloten op grond waarvan De Zorgboom B.V. thuiszorg verleende aan cliënten van Umbra Zorg B.V. De laatste factuur van meer dan € 11.600 bleef onbetaald. Umbra Zorg B.V. stelde dat De Zorgboom B.V. tekort was geschoten in haar verplichtingen uit de raamovereenkomst, omdat onder meer ECD-rapportages, zorgplannen en andere controleerbare gegevens ontbraken. Volgens Umbra Zorg B.V. waren deze stukken nodig om te kunnen controleren welke zorg was geleverd en of aan de kwaliteitseisen was voldaan. Daarom meende zij de betaling van de factuur te mogen opschorten.

LS&R 2421

Ziekenhuis aansprakelijk voor gebrekkige nazorg na operatie

Rechtbank Rotterdam 20 mei 2026, LS&R 2421; ECLI:NL:RBROT:2026:6715 ([eiseres] tegen [ziekenhuis X]), https://lsenr.nl/artikelen/ziekenhuis-aansprakelijk-voor-gebrekkige-nazorg-na-operatie

Rb. Rotterdam 20 mei 2026, LS&R 2421; ECLI:NL:RBROT:2026:6715 ([eiseres] tegen [ziekenhuis X]). In deze zaak tussen een patiënte en een ziekenhuis staat de nazorg na een laparoscopie centraal. Enkele dagen na de kijkoperatie werd bij de patiënte een darmperforatie en multipel orgaanfalen vastgesteld. De rechtbank had eerder een gynaecoloog als deskundige benoemd om te beoordelen of bij de operatie en de nazorg volgens de professionele standaard was gehandeld. Volgens de deskundige is de operatie zelf volgens de professionele standaard uitgevoerd. Ook was het gebruikelijk dat de patiënte dezelfde dag werd ontslagen. De nazorg schoot echter tekort. De familie nam meerdere keren contact op met het ziekenhuis en meldde onder meer toenemende buikpijn, braken en het niet meer kunnen binnenhouden van vocht. Vanaf het tweede telefoongesprek hadden deze klachten volgens de deskundige aanleiding moeten zijn om de patiënte direct terug te laten komen. Door het ontbreken van continuïteit en centrale regie werden de signalen niet tijdig herkend.

LS&R 2400

P-G: schending informatieplicht leidt niet tot aansprakelijkheid Sint Maartenskliniek

Hoge Raad 12 jun 2026, LS&R 2400; ECLI:NL:PHR:2026:575 (([de patiënt] tegen Sint Maartenskliniek)), https://lsenr.nl/artikelen/p-g-schending-informatieplicht-leidt-niet-tot-aansprakelijkheid-sint-maartenskliniek

HR 12 juni 2026, LS&R 2400; ECLI:NL:PHR:2026:575 ([de patiënt] tegen Sint Maartenskliniek). In deze zaak tussen [de patiënt] en de Sint Maartenskliniek staat de vraag centraal of een ziekenhuis aansprakelijk is voor de schade die een patiënt heeft geleden na een rugoperatie, wanneer vaststaat dat het ziekenhuis zijn informatieplicht heeft geschonden maar onzeker is of de patiënt bij volledige voorlichting van de operatie zou hebben afgezien. De procureur-generaal concludeert dat het cassatieberoep van [de patiënt] moet worden verworpen. [de patiënt] werd in 2013 wegens ernstige rugklachten verwezen naar de Sint Maartenskliniek. Op 27 november 2013 onderging hij daar een operatie. Tijdens die ingreep trad een complicatie op, waardoor een incomplete dwarslaesie ontstond. Daarna volgden nog twee operaties. Als gevolg van de eerste operatie liep [de patiënt] een partiële dwarslaesie op en raakte hij rolstoelgebonden. In de civiele procedure vorderde [de patiënt] een verklaring voor recht dat de Sint Maartenskliniek aansprakelijk is voor zijn schade. Daarbij voerde hij onder meer aan dat de kliniek hem voorafgaand aan de operatie onvoldoende had geïnformeerd over de aard van de ingreep, de daaraan verbonden risico's en mogelijke alternatieven. Het hof stelde vast dat de Sint Maartenskliniek inderdaad haar informatieplicht uit de WGBO (afdeling geneeskundige behandelingsovereenkomst in het Burgerlijk Wetboek, waaronder Artikel 7:448 BW over de informatieverstrekking door de hulpverlener) had geschonden. Daarmee stond echter nog niet vast dat de kliniek ook aansprakelijk was voor alle schade die [de patiënt] had geleden. Doorslaggevend is immers of voldoende aannemelijk is dat de patiënt bij een behoorlijke voorlichting van de behandeling zou hebben afgezien. Het hof heeft bij die beoordeling aansluiting gezocht bij de maatstaf van de redelijk handelend patiënt. Daarbij zijn onder meer de ernst van de klachten, de kans op herstel zonder operatie, de alternatieve behandelmethoden en de risico's van de ingreep betrokken. Het hof kwam tot het oordeel dat een redelijk handelend patiënt in de positie van [de patiënt] ook bij volledige voorlichting voor de operatie zou hebben gekozen.

LS&R 2383

Recht op inzage ex art. 15 AVG omvat ook telefoongesprekken met medische behandelaar

Rechtbank Midden-Nederland 23 apr 2026, LS&R 2383; ECLI:NL:RBMNE:2026:2162 (([verzoekster] tegen [verweerder])), https://lsenr.nl/artikelen/recht-op-inzage-ex-art-15-avg-omvat-ook-telefoongesprekken-met-medische-behandelaar

Rb. Midden-Nederland 23 april 2026, LS&R 2383; IT 5275; ECLI:NL:RBMNE:2026:2162 ([verzoekster] tegen [verweerder]). In deze zaak tussen [verzoekster] en [verweerder] staat het inzagerecht op grond van artikel 15 AVG centraal. [verzoekster] heeft in 2023 bij [verweerder] een behandeling met aligners (gebitsbeugel) ondergaan, maar stelt dat deze niet het gewenste resultaat heeft opgeleverd en zelfs schade heeft veroorzaakt, doordat haar tanden los zijn gaan zitten. In dat kader heeft zij verzocht om inzage in haar medisch dossier en om afgifte van opgenomen telefoongesprekken. [verweerder] heeft op deze verzoeken niet (volledig) gereageerd en is bovendien, hoewel deugdelijk opgeroepen, niet verschenen in de procedure. De rechtbank stelt voorop dat artikel 15 AVG ertoe strekt dat een betrokkene kan nagaan welke persoonsgegevens worden verwerkt en of die verwerking rechtmatig is. Dit omvat ook medische gegevens, zoals opgenomen in een medisch dossier, evenals andere tot de persoon herleidbare gegevens, waaronder telefoongesprekken. De rechtbank kwalificeert het medisch dossier en de opgenomen telefoongesprekken als persoonsgegevens van [verzoekster]. Nu de gevraagde stukken persoonsgegevens bevatten en [verzoekster] een concreet belang heeft bij inzage – mede met het oog op een mogelijke aansprakelijkheidsprocedure – bestaat aanspraak op afgifte.

LS&R 2295

Geneeskundige behandelingsovereenkomst gedeeltelijk ontbonden wegens tekortkoming van Het Rughuis

Rechtbank Rotterdam 21 feb 2025, LS&R 2295; ECLI:NL:RBROT:2025:2589 (Het Rughuis tegen gedaagde), https://lsenr.nl/artikelen/geneeskundige-behandelingsovereenkomst-gedeeltelijk-ontbonden-wegens-tekortkoming-van-het-rughuis

Rb. Rotterdam 21 februari 2025, LSR 2295; ECLI:NL:RBROT:2025:2589 (Het Rughuis tegen gedaagde). Tussen Het Rughuis en gedaagde is in 2022 een geneeskundige behandelingsovereenkomst gesloten na verwijzing door de huisarts. Het Rughuis heeft behandelingen uitgevoerd en daarvoor ruim € 10.000 aan gedaagde gefactureerd, waarvan het grootste deel onbetaald is gebleven. Gedaagde stelt dat hij niet voldoende is geïnformeerd over de kosten van de behandeling voorafgaand aan de overeenkomst. Het Rughuis vordert betaling van de openstaande facturen, vermeerderd met rente en kosten, en veroordeling van gedaagde in de proceskosten. De rechter oordeelt dat Het Rughuis haar wettelijke informatieplicht heeft geschonden door gedaagde niet tijdig en duidelijk te informeren over de tarieven van de behandelingen, zoals vereist op grond van artikel 7:448 lid 1 BW, artikel 38 lid 1 Wet marktordening gezondheidszorg en de Regeling transparantie zorgaanbieders. Door deze schending kon gedaagde geen weloverwogen keuze maken en werd hij pas na afloop van de behandelingen geconfronteerd met de hoge kosten. De rechter acht de tekortkoming van Het Rughuis ernstig genoeg om de behandelingsovereenkomst gedeeltelijk te ontbinden, namelijk voor zover het de betalingsverplichting van gedaagde betreft. De vorderingen van Het Rughuis worden afgewezen en Het Rughuis wordt veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van gedaagde.

LS&R 1268

Onterechte declaratie farmaceutische zorg door apotheek

Rechtbank Gelderland 20 januari 2016, LS&R 1268; ECLI:NL:RBGEL:2016:226 (Agis tegen gedaagde)
agis.pngTen onrechte farmaceutische zorg gedeclareerd door apotheek bij zorgverzekeraar. Bij tussenvonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat ter zake van medicijncassettes een bedrag van € 277.496,91 is gedeclareerd voor zorg waarvan geen enkele aanwijzing bestaat dat deze daadwerkelijk is geleverd, en dat ter zake van het project ‘dagleveringen’ tussen november 2009 en december 2010 ten hoogste een vergoeding voor weekterhandstelling gedeclareerd mocht worden. Na bewijslevering is fraude komen vast te staan.

2.7.
De verklaring van [getuige A] dat het idee van het ompakken en het dagelijks declareren van een standaardterhandstelling van [gedaagde] afkomstig was, is door [gedaagde] niet betwist. Hiermee staat vast dat [gedaagde] in feite de initiator is geweest van deze wijze van declareren. Juist hierin is het frauduleuze karakter gelegen. Dat hij volgens eigen zeggen niet zelf direct bij het declareren betrokken is geweest, maakt niet dat hij niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor deze wijze van declareren. In die zin is sprake van voldoende persoonlijke betrokkenheid.

Medicatiecassettes
Uit de getuigenverhoren blijkt dat, ondanks het feit dat [getuige A] beherend apotheker van Apotheek [plaats A] is geweest in de relevante periode, [gedaagde] in feite de financiële administratie van Apotheek [plaats A] deed. [gedaagde] heeft niet betwist dat [getuige A] geen inzicht had in de hoogte van de gedeclareerde bedragen. Hij had daarin de vrije hand, zodat hij niet bang hoefde te zijn voor lastige vragen en eventuele ontdekking van ten onrechte gedeclareerde medicatiecassettes.

2.12.
Wat betreft overigens de kans op ontdekking van de onterecht gedeclareerde medicatiecassettes overweegt de rechtbank het volgende. Uit de getuigenverklaringen blijkt dat de patiënten waarvoor ten onrechte een medicatiecassette is gedeclareerd zowel in Apotheek [plaats B] als in Apotheek [plaats A] zijn opgenomen in een bestand voor chronische medicatie. Dit heeft tot gevolg dat, anders dan bij medicatie per recept, het systeem slechts eenmaal een waarschuwing afgeeft dat dezelfde werkzame stof reeds is afgeleverd aan de betreffende patiënt. De waarschuwing staat niet eraan in de weg dat de werkzame stof dubbel kan worden ingevoerd. Aldus verkleint opname in een chronisch bestand aanzienlijk de kans dat wordt ontdekt dat naast de werkzame stof in pilvorm ook dezelfde werkzame stof in een medicatiecassette wordt verstrekt. Het voorgaande is alleen van belang als de systemen van Apotheek [plaats A] en Apotheek [plaats B] onderling uitwisselbaar waren, hetgeen gelet op de getuigenverklaringen niet vaststaat. Is dit niet het geval, dan treedt geen waarschuwingssysteem in werking.

Samengevat
2.14.
Vordering A: [gedaagden] zullen hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 277.496,91 ter zake van de medicatiecassettes.
Vordering B: deze vordering ter zake van de dubbele betalingen is ingetrokken.
Vordering C: voor recht zal worden verklaard dat Apotheek [plaats A] ter zake van de dagleveringen in de periode van 1 november 2009 tot en met 8 december 2010 slechts recht heeft op wekelijks een vergoeding voor weekterhandstelling.
Vordering D: deze vordering is ingetrokken.
Vordering E: voor recht zal worden verklaard dat [gedaagden] hoofdelijk verbonden zijn tot terugbetaling aan Agis van hetgeen Agis ter zake van de dagleveringen onverschuldigd aan Apotheek [plaats A] heeft betaald. Agis zal in de gelegenheid worden gesteld om bij akte deze vordering met de uitgangspunten als in dit vonnis (onder 2.7) geformuleerd nader te onderbouwen.
Vordering F: bij eindvonnis zal [gedaagden] worden veroordeeld in de proceskosten en nakosten.
Het voorgaande leidt tot na te melden beslissing.
LS&R 1246

Aanhouden oude, strengere, strafmaat na wetswijziging schending artikel 7 EVRM

EHRM 12 januari 2016, LS&R 1246; Requête no 33427/10 (Gouarré Patte v. Andorra)
echr.pngArtikel 7 EVRM. In een eerdere procedure was klager, een dokter, veroordeeld tot een levenslange ban op werken in zijn beroepsveld. Op grond van de toen geldende wetgeving werd de dokter eveneens tot vijf jaar gevangenisstraf veroordeeld. Later heeft een wetsaanpassing de mogelijkheid gegeven tot een mildere strafmaat. De klacht betreft het feit dat hij geen enkele mogelijkheid heeft om herziening van deze beslissing te vragen. Het Hof oordeelt dat het aanhouden van de oude strafmaat, welke verder ging dan de voorwaarden van de huidige strafwet, leidt tot schending van het recht van klager onder artikel 7 EVRM.

Op andere blogs:
European Courts Blogspot

LS&R 1235

TCG overdracht patiëntenbestand onvoldoende aannemelijk gemaakt

Hof Den Bosch 21 juli 2015, LS&R 1235; ECLI:NL:GHSHE:2015:2778 (TCG tegen [geïntimeerde])
tandarts.jpgExecutiegeschil. Partijen zijn overeengekomen dat TCG de praktijk van geïntimeerde zal overnemen. In het kader van deze overname is het patiëntenbestand overgedragen. TCG blijkt niet voldoende financiering te kunnen krijgen. Zij wordt door de rechter verplicht het patiëntenbestand terug over te dragen aan [geïntimeerde], wat in een vaststellingovereenkomst wordt neergelegd. Centraal staat de vraag of het patiëntenbestand is overgedragen. Deze overeenkomst zou zijn uitgevoerd door een medewerkster van TCG. [geïntimeerde] stelt echter niets te hebben ontvangen. TCG heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt te hebben voldaan aan haar verplichtingen uit de vaststellingsovereenkomst. De bestuurder van TCG was de aangewezen om de vaststellingsovereenkomst uit te voeren, maar heeft dit overgelaten aan een medewerkster. De grieven falen.

3.7.3. Het hof is met de voorzieningenrechter van oordeel dat TCG onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt te hebben voldaan aan haar verplichtingen uit de vaststellingsovereenkomst om het patiëntenbestand (inclusief afspraken, behandelplannen, foto’s en dergelijke) aan [geïntimeerde] ter beschikking te stellen.

3.7.4. Het hof wijst er daartoe eerst op dat de heer [getuige 4] , als bestuurder en leidinggevende van TCG, en derhalve de eerst aangewezene om de vaststellingsovereenkomst uit te voeren, deze overeenkomst niet zelf heeft uitgevoerd, noch heeft hij toezicht gehouden op de juiste uitvoering daarvan. Bij die uitvoering is hij niet betrokken geweest. Hij heeft zelf geen zaken aan [geïntimeerde] overhandigd noch heeft hij met [geïntimeerde] afgestemd of hetgeen werd c.q. zou zijn overgelegd het juiste (en volledige) materiaal betrof en volstond. In het bijzonder heeft hij niet geverifieerd bij [geïntimeerde] óf hem materiaal is overgelegd, hetgeen bevreemdt gelet op de financiële consequenties. Ten slotte heeft [getuige 4] geen schriftelijke kwijtingsverklaring van [geïntimeerde] verlangd, noch gekregen. Dat [getuige 4] thans (in het kader van een kort geding, waarin geen getuigen worden gehoord) in bewijsnood verkeert, komt voor zijn risico.

3.7.5. De heer [getuige 4] heeft de uitvoering van de vaststellingsovereenkomst overgelaten aan zijn medewerkster mevr. [manager en chef de bureau bij TCG] . Zij kreeg de opdracht om het proces-verbaal van de schikking uit te voeren, overigens zonder nadere toelichting. Gesteld noch gebleken is dat zij ter zitting aanwezig is geweest, zodat zij af heeft moeten gaan op haar eigen interpretatie.

En dat er verschil van interpretatie mogelijk was volgt uit de brief van [getuige 4] van 12 november 2014, (dus ná de gestelde overhandiging van een envelop aan [geïntimeerde] door mevrouw [manager en chef de bureau bij TCG] op 3 november 2014) door de voorzieningenrechter in rov. 4.5 van het bestreden vonnis in de beoordeling betrokken. Tegen deze achtergrond kan voorshands niet worden vastgesteld dat [geïntimeerde] heeft gekregen – zo hij al iets heeft gekregen; [geïntimeerde] betwist dat juist - wat hij uit hoofde van de overeenkomst mocht verwachten.

LS&R 1217

Tariefbeschikking huisartsenzorg hindert vrije artsenkeuze

CBb 1 december 2015, LS&R 1214; ECLI:NL:CBB:2015:370 (Vereniging Praktijkhoudende Huisartsen tegen NZa)
logo-nza.gifTariefbeschikking. Artikel 11 en 13 Zvw. Minister heeft uitgangspunten opgesteld voor nieuw bekostigingsmodel voor huisartsenzorg. Op grond hiervan heeft de NZa een nieuwe tariefbeschikking opgesteld. Berekening is gebaseerd op de arbeidskosten en de praktijkkosten. Dit is volgens het College niet ongebruikelijk. Echter, door het contractsvereiste kunnen prestaties die alleen in rekening mogen worden gebracht als de huisarts is gecontracteerd, slechts in dit geval geleverd worden aan de verzekerde patiënt. Hierdoor werpt de tariefbeschikking een hinderpaal op voor de vrije artsenkeuze. Het beroep wordt gegrond verklaard.

3.3 Het College overweegt dat de methode die verweerster gebruikt heeft niet onredelijk is. De berekening van de tarieven is gebaseerd op een arbeidskostencomponent en een praktijkkostencomponent. Blijkens het Verantwoordingsdocument bij de Beleidsregel huisartsenzorg en multidisciplinaire zorg heeft de arbeidskostencomponent uitsluitend betrekking op de arbeidskosten van praktijkeigenaren, ook huisartseigenaren genoemd. De kosten voor huisartsen in loondienst en ander personeel behoren tot de praktijkkostencomponent. De arbeidsvoorwaarden van huisartsen in dienst van een huisarts (Hidha) en huisartsen in loondienst van een gezondheidscentrum worden bepaald door de CAO Hidha en de CAO Gezondheidscentra.

Verweerster heeft onderzocht wat de gemiddelde tijdsbesteding van een huisartseigenaar is, te weten 48,1 uur. Nu de kosten van de huisartsen in loondienst onder de praktijkkostencomponent vallen en verweerster geen rol speelt bij de vaststelling van de arbeidsvoorwaarden van de huisartsen in loondienst, is het College van oordeel dat verweerster geen aandacht heeft hoeven schenken aan de tijdsbesteding van huisartsen in loondienst.

Verder is het College van oordeel, onder verwijzing naar zijn uitspraak van 5 maart 2015 (ECLI:NL:CBB:2015:43), dat verweerster in redelijkheid tot uitgangspunt heeft mogen nemen dat bij de functie van huisarts en het daarbij behorende norminkomen een tijdsbesteding van meer dan 40 uur per week normaal en gebruikelijk is. Daar waar de gemiddelde tijdsbesteding excessief te noemen zou zijn, bestaat er aanleiding hiervoor een correctie in de berekening toe te passen. Het tijdsbestedingsonderzoek heeft uitgewezen dat de gemiddelde werkweek van een huisartseigenaar een omvang heeft van 48,1 uur. Het College volgt verweerster in haar stelling dat deze omvang, gelet op de zwaarte van de functie van huisartseigenaar en het daarbij horende norminkomen, niet als excessief kan worden bestempeld bij een fulltime invulling van de functie. Deze grond slaagt niet.

4.3.2 Anders dan verweerster heeft aangevoerd is het College van oordeel dat zorgaanbieders die geen overeenkomst met een zorgverzekeraar hebben gesloten, de prestaties waarvoor het contractvereiste geldt, niet tegen het tarief voor een regulier consult of visite in rekening mogen brengen indien zij die aan hun patiënten zouden leveren. Uit de artikelen 35, eerste lid, onder d, en 38, tweede lid, Wmg vloeit voort dat zorgaanbieders geen tarief in rekening mogen brengen voor een andere prestatie dan in de prestatiebeschrijving aangeduid. Dat heeft tot gevolg dat indien een prestatie geleverd is waarvoor op basis van de tariefbeschikking een contractvereiste geldt, de huisarts zonder contract voor die prestatie geen tarief in rekening mag brengen. Indien een huisarts voor het patiëntcontact een consult of visite in rekening brengt, is dat een tarief voor de prestatie consult of visite -eventueel ook als ANW-dienst of voor militair en passant - maar niet een tarief voor een andere in de tariefbeschikking omschreven prestatie die tijdens het consult geleverd is en waarvan patiëntcontact deel uitmaakt.

4.3.3. Het voorgaande betekent dat de prestaties die alleen in rekening mogen worden gebracht als de huisarts is gecontracteerd, niet geleverd kunnen worden aan de verzekerde patiënt indien de huisarts niet is gecontracteerd. Daarom kan bij de toetsing van het contractvereiste niet worden voorbijgegaan aan het bepaalde in artikel 11, eerste lid, Zvw in samenhang met artikel 13 Zvw. Op grond van artikel 11, eerste lid, Zvw heeft de verzekerde jegens de zorgverzekeraar recht op prestaties bestaande uit (de vergoeding van de kosten van) de zorg of de overige diensten waaraan hij behoefte heeft. De inhoud en omvang van deze prestaties zijn op grond van artikel 11, derde en vierde lid, Zvw nader geregeld in het Besluit, en in de Regeling zorgverzekering. Artikel 2.1, tweede lid, van het Besluit bepaalt in dit verband dat de inhoud en omvang van de vormen van zorg of diensten waarop recht bestaat, mede worden bepaald door de stand van de wetenschap en praktijk en, bij ontbreken van een zodanige maatstaf, door hetgeen in het betrokken vakgebied geldt als verantwoorde en adequate zorg en diensten. Artikel 2.1, derde lid, van het Besluit voegt hieraan toe dat de verzekerde op een vorm van zorg of een dienst slechts recht heeft voor zover hij daarop naar inhoud en omvang redelijkerwijs is aangewezen.

Voor de beoordeling van het effect van het contractvereiste is het van belang onder ogen te zien, dat de verzekerde in beginsel geacht wordt alle zorg zoals huisartsen die plegen te bieden, af te nemen van één door hem gekozen huisarts, bij wie hij vaak duurzaam staat ingeschreven. Dat heeft in beginsel tot gevolg dat die huisarts alle prestaties waar de betrokken verzekerde behoefte aan heeft, zal dienen te verrichten. Indien de huisarts voor sommige van die prestaties geen vergoeding kan krijgen, omdat hij geen contract met de verzekeraar gesloten heeft, kan hij de verzekerde immers niet enkel daarvoor naar een andere huisarts verwijzen, maar zal hij ze om niet moeten verstrekken of de relatie met deze verzekerde geheel moeten beëindigen.

Artikel 13 Zvw strekt er primair toe te bewerkstelligen dat de verzekerde er vanuit kan gaan dat de beloning van de voor het verrichten van de prestaties gekozen arts voor hem niet onbetaalbaar zal zijn. Maar om de zorg van de betreffende arts te verkrijgen is het dus evenzeer noodzakelijk dat die arts aanneemt dat hij daarvoor die beloning zal ontvangen. Dat betekent dat verweerster, als zij een tariefbeschikking doelbewust zodanig vaststelt dat een zorgverzekeraar niet een redelijke vergoeding voor de prestaties van de door de verzekerde uitverkoren arts hoeft te betalen, de beoogde werking van de artikelen 11 en 13 Zvw frustreert en aldus in strijd daarmee handelt. Het College vindt voor dit oordeel ook steun in het door appellante aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2014 waarin wordt overwogen, dat artikel 13 van de Zvw er uitdrukkelijk in voorziet, dat een verzekerde ondanks een contractvereiste extramurale zorg moet kunnen inroepen bij een niet-gecontracteerde aanbieder en voor de daarmee gemoeide kosten een vergoeding moet kunnen ontvangen die niet zodanig laag is dat daardoor een feitelijke hinderpaal ontstaat voor het inroepen van de zorg van die aanbieder.

Op andere blogs:
Wieringa Advocaten