DOSSIERS
Alle dossiers

rechtspraak  

LS&R 2383

Recht op inzage ex art. 15 AVG omvat ook telefoongesprekken met medische behandelaar

Rechtbank Midden-Nederland 23 apr 2026, LS&R 2383; ECLI:NL:RBMNE:2026:2162 (([verzoekster] tegen [verweerder])), https://lsenr.nl/artikelen/recht-op-inzage-ex-art-15-avg-omvat-ook-telefoongesprekken-met-medische-behandelaar

Rb. Midden-Nederland 23 april 2026, LS&R 2383; IT 5275; ECLI:NL:RBMNE:2026:2162 ([verzoekster] tegen [verweerder]). In deze zaak tussen [verzoekster] en [verweerder] staat het inzagerecht op grond van artikel 15 AVG centraal. [verzoekster] heeft in 2023 bij [verweerder] een behandeling met aligners (gebitsbeugel) ondergaan, maar stelt dat deze niet het gewenste resultaat heeft opgeleverd en zelfs schade heeft veroorzaakt, doordat haar tanden los zijn gaan zitten. In dat kader heeft zij verzocht om inzage in haar medisch dossier en om afgifte van opgenomen telefoongesprekken. [verweerder] heeft op deze verzoeken niet (volledig) gereageerd en is bovendien, hoewel deugdelijk opgeroepen, niet verschenen in de procedure. De rechtbank stelt voorop dat artikel 15 AVG ertoe strekt dat een betrokkene kan nagaan welke persoonsgegevens worden verwerkt en of die verwerking rechtmatig is. Dit omvat ook medische gegevens, zoals opgenomen in een medisch dossier, evenals andere tot de persoon herleidbare gegevens, waaronder telefoongesprekken. De rechtbank kwalificeert het medisch dossier en de opgenomen telefoongesprekken als persoonsgegevens van [verzoekster]. Nu de gevraagde stukken persoonsgegevens bevatten en [verzoekster] een concreet belang heeft bij inzage – mede met het oog op een mogelijke aansprakelijkheidsprocedure – bestaat aanspraak op afgifte.

LS&R 2374

Rechterlijke machtiging onder de Wzd: klinisch geriater kan gelden als ter zake kundig arts

Rechtbank Midden-Nederland 20 feb 2026, LS&R 2374; ECLI:NL:RBMNE:2026:1100 (het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) tegen [betrokkene]), https://lsenr.nl/artikelen/rechterlijke-machtiging-onder-de-wzd-klinisch-geriater-kan-gelden-als-ter-zake-kundig-arts

Rb. Midden-Nederland 20 februari 2026, LS&R 2374; ECLI:NL:RBMNE:2026:1100 (het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) tegen [betrokkene]). In deze beschikking verleent de rechtbank Midden-Nederland op verzoek van het CIZ een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf voor de duur van zes maanden op grond van de Wet zorg en dwang (Wzd). De rechtbank oordeelt dat betrokkene lijdt aan een psychogeriatrische aandoening, namelijk dementie, en dat het gedrag dat daaruit voortvloeit leidt tot ernstig nadeel in de vorm van ernstig lichamelijk letsel, ernstige psychische schade, ernstige verwaarlozing en het oproepen van agressie van een ander door hinderlijk gedrag. Bijzonder is dat de rechtbank ambtshalve toetst of de medische verklaring voldoet aan de wettelijke eisen en daarbij expliciet oordeelt dat een klinisch geriater in dit geval kan worden aangemerkt als een ter zake kundig arts in de zin van de Wzd. De rechtbank leidt uit de parlementaire geschiedenis af dat de gebruikelijke opsomming van artsen, arts voor verstandelijk gehandicapten, specialist ouderengeneeskunde en psychiater, niet limitatief is. Omdat dementie tot het vakgebied van de klinisch geriater behoort, deze specialist is opgeleid in interne geneeskunde, somatische problematiek bij ouderen en ouderenpsychiatrie, en als medisch specialist geregistreerd is op grond van art. 14 BIG, voldoet de medische verklaring volgens de rechtbank aan de wettelijke voorschriften.

LS&R 2373

Zorgmachtiging op grond van de Wvggz: rechtbank wijst ook niet-verzochte, maar noodzakelijke medische verplichte zorg toe

Rechtbank Midden-Nederland 6 apr 2026, LS&R 2373; ECLI:NL:RBMNE:2026:1330 (de officier van justitie tegen [betrokkene]), https://lsenr.nl/artikelen/zorgmachtiging-op-grond-van-de-wvggz-rechtbank-wijst-ook-niet-verzochte-maar-noodzakelijke-medische-verplichte-zorg-toe

Rb. Midden-Nederland 6 maart 2026, LS&R 2373; ECLI:NL:RBMNE:2026:1330 (de officier van justitie tegen [betrokkene]). In deze beschikking verleent de rechtbank Midden-Nederland op verzoek van de officier van justitie een zorgmachtiging voor de duur van twaalf maanden op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz). De rechtbank oordeelt dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis, bestaande uit een autismespectrumstoornis, een kwetsbaarheid voor psychoses en middelenmisbruik, en baseert zich daarbij op de medische verklaring van 6 februari 2026. Volgens de rechtbank veroorzaakt deze stoornis ernstig nadeel, bestaande uit ernstig lichamelijk letsel, ernstige psychische schade en gevaar voor de algemene veiligheid van personen en goederen. Om dat ernstig nadeel af te wenden is zorg nodig, terwijl mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis ontbreken. Op grond van het zorgplan, de medische verklaring, het advies van de geneesheer-directeur en de toelichting ter zitting acht de rechtbank daarom diverse vormen van verplichte zorg noodzakelijk, te weten: het toedienen van medicatie, het verrichten van medische controles, het verrichten van andere medische handelingen en therapeutische maatregelen ter behandeling van een psychische stoornis dan wel, vanwege die stoornis, van een somatische aandoening, het beperken van de bewegingsvrijheid, insluiten, het uitoefenen van toezicht, onderzoek aan kleding of lichaam, onderzoek van de woon- of verblijfsruimte op gedrag-beïnvloedende middelen en gevaarlijke voorwerpen, controle op de aanwezigheid van gedrag-beïnvloedende middelen, het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen, beperking van het recht op het ontvangen van bezoek en opname in een accommodatie.

LS&R 2295

Geneeskundige behandelingsovereenkomst gedeeltelijk ontbonden wegens tekortkoming van Het Rughuis

Rechtbank Rotterdam 21 feb 2025, LS&R 2295; ECLI:NL:RBROT:2025:2589 (Het Rughuis tegen gedaagde), https://lsenr.nl/artikelen/geneeskundige-behandelingsovereenkomst-gedeeltelijk-ontbonden-wegens-tekortkoming-van-het-rughuis

Rb. Rotterdam 21 februari 2025, LSR 2295; ECLI:NL:RBROT:2025:2589 (Het Rughuis tegen gedaagde). Tussen Het Rughuis en gedaagde is in 2022 een geneeskundige behandelingsovereenkomst gesloten na verwijzing door de huisarts. Het Rughuis heeft behandelingen uitgevoerd en daarvoor ruim € 10.000 aan gedaagde gefactureerd, waarvan het grootste deel onbetaald is gebleven. Gedaagde stelt dat hij niet voldoende is geïnformeerd over de kosten van de behandeling voorafgaand aan de overeenkomst. Het Rughuis vordert betaling van de openstaande facturen, vermeerderd met rente en kosten, en veroordeling van gedaagde in de proceskosten. De rechter oordeelt dat Het Rughuis haar wettelijke informatieplicht heeft geschonden door gedaagde niet tijdig en duidelijk te informeren over de tarieven van de behandelingen, zoals vereist op grond van artikel 7:448 lid 1 BW, artikel 38 lid 1 Wet marktordening gezondheidszorg en de Regeling transparantie zorgaanbieders. Door deze schending kon gedaagde geen weloverwogen keuze maken en werd hij pas na afloop van de behandelingen geconfronteerd met de hoge kosten. De rechter acht de tekortkoming van Het Rughuis ernstig genoeg om de behandelingsovereenkomst gedeeltelijk te ontbinden, namelijk voor zover het de betalingsverplichting van gedaagde betreft. De vorderingen van Het Rughuis worden afgewezen en Het Rughuis wordt veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van gedaagde.

LS&R 2294

Voorkeursbeleid CDK4/6-remmers onrechtmatig, zorgverzekeraars mogen ziekenhuizen niet sturen op gebruik palbociclib

Rechtbank Gelderland 25 feb 2025, LS&R 2294; ECLI:NL:RBGEL:2025:1468 (Novartis tegen Nederlandse zorgverzekeraars), https://lsenr.nl/artikelen/voorkeursbeleid-cdk4-6-remmers-onrechtmatig-zorgverzekeraars-mogen-ziekenhuizen-niet-sturen-op-gebruik-palbociclib

Rb. Gelderland 25 februari 2025, LSR 2294; ECLI:NL:RBGEL:2025:1468 (Novartis tegen Nederlandse zorgverzekeraars). Novartis en andere farmaceuten hebben in Nederland CDK4/6-remmers op de markt gebracht voor de behandeling van hormoongevoelige, uitgezaaide borstkanker. Drie middelen (palbociclib, ribociclib en abemaciclib) zijn geregistreerd en worden door ziekenhuizen ingekocht. Gedaagden zijn Nederlandse zorgverzekeraars. Deze zorgverzekeraars, verenigd in het Clean Team van Zorgverzekeraars Nederland (ZN), hebben een gezamenlijke inkoopronde georganiseerd met als doel één voorkeursmiddel aan te wijzen op basis van de laagste prijs per verpakking. Palbociclib werd als voorkeursmiddel geselecteerd, waarbij financiële prikkels worden ingebouwd om ziekenhuizen te stimuleren dit middel voor te schrijven en het gebruik van de andere middelen te ontmoedigen. Novartis c.s. vorderen een verbod op het voortzetten van het voorkeursbeleid voor CDK4/6-remmers, met name het sturen op het voorschrijven van palbociclib en het ontmoedigen van ribociclib en abemaciclib. Zij stellen dat de middelen niet therapeutisch gelijkwaardig zijn en dat de prijsvergelijking niet objectief en discriminerend is. Daarnaast wordt gevorderd dat zorgverzekeraars alle zorginstellingen informeren over het verbod op het voorkeursbeleid.

LS&R 2231

Goedkeuring van de CTA is geen formaliteit

Rechtbanken 19 dec 2023, LS&R 2231; ECLI:NL:RBGEL:2023:6908 (Stichting Researchfonds Cardiologie tegen Stichting Nijmeegs Interconfessioneel Ziekenhuis Canisius-Wilhelmina), https://lsenr.nl/artikelen/goedkeuring-van-de-cta-is-geen-formaliteit

Vzr. Rb. Gelderland 19 december 2023, LS&R 2231, ECLI:NL:RBGEL:2023:6908 (Stichting Researchfonds Cardiologie tegen Stichting Nijmeegs Interconfessioneel Ziekenhuis Canisius-Wilhelmina) Binnen de Stichting Nijmeegs Interconfessioneel Ziekenhuis Canisius-Wilhelmina (hierna: CWZ) werken vrijgevestigde cardiologen, georganiseerd in de Medisch specialisten vrij beroepsbeoefenaren Cardiologie. Een farmaceutisch bedrijf heeft een Clinical Trial voor het medicijn Milvexian opgezet, waarvoor de Stichting Researchfonds Cardiologie (hierna: Researchfonds) zich heeft ingeschreven. Ondanks acceptatie van de inschrijving, heeft de Raad van Bestuur de bijbehorende CTA niet ondertekend vanwege hangend beleid. Dit heeft geleid tot uitstel van het onderzoek, terwijl andere deelnemers wel zijn gestart met patiënteninclusie.

LS&R 1283

Landelijke infrastructuur voor elektronische gegevensuitwisseling in de zorg niet onrechtmatig

Hof Arnhem-Leeuwarden , LS&R 1283; ECLI:NL:GHARL:2016:1697 (VPH tegen VZZ), https://lsenr.nl/artikelen/landelijke-infrastructuur-voor-elektronische-gegevensuitwisseling-in-de-zorg-niet-onrechtmatig

Hof Arnhem-Leeuwarden 8 maart 2016, LS&R 1283; ECLI:NL:GHARL:2016:1697 (VPH tegen VZZ)
Zie eerder LS&R 950. De onderhavige zaak heeft betrekking op de in 2012 ingevoerde landelijke infrastructuur voor elektronische gegevensuitwisseling in de zorg. VPH c.s. hebben bezwaren tegen de inrichting en het gebruik van de zorginfrastructuur. Zij stellen dat de inrichting van de landelijke infrastructuur voor elektronische gegevensuitwisseling in de zorg onrechtmatig is, gezien het medisch beroepsgeheim en de wijze waarop aan patiënten toestemming voor gegevensuitwisseling wordt gevraagd. Het hoger beroep faalt. 

LS&R 1278

AP: Abrona verwerkt in strijd met wet medische gegevens medewerkers

Uit het persbericht: Stichting Abrona handelt bij ziekmelding van haar werknemers in strijd met de Wet bescherming persoonsgegevens. Dat is de conclusie van de Autoriteit Persoonsgegevens na onderzoek. Abrona is gespecialiseerd in dienstverlening aan mensen met een verstandelijke beperking in de provincie Utrecht. Er werken 1300 werknemers en 800 vrijwilligers. De organisatie blijkt bij ziekmelding aard en oorzaak van de ziekte van de zieke werknemer te registeren. Bijvoorbeeld of het gaat om psychische klachten of om fysieke beperkingen. Dat mag niet omdat de wet bepaalt dat werkgevers bij ziekmelding aan zieke werknemers alleen gegevens mogen vragen die noodzakelijk zijn voor de vaststelling van de verplichting om loon door te betalen en hoe het verder moet met hun werkzaamheden. Abrona heeft na sluiting van het onderzoek aan de Autoriteit Persoonsgegevens medegedeeld maatregelen te hebben getroffen. De Autoriteit Persoonsgegevens zal nu gaan bekijken in hoeverre deze maatregelen voldoende zijn om de overtreding van de wet te beëindigen en beslissen of het nemen van handhavende maatregelen noodzakelijk is.

Onderzoek Abrona
Uit het onderzoek blijkt dat Abrona aard en oorzaak van de ziekte vastlegt en ook of een werknemer zwanger is. Dit is ook een gegeven over de gezondheid van de werknemer. Werkgevers mogen volgens de wet deze bijzondere persoonsgegevens van hun medewerkers niet verwerken.

Daarnaast heeft de Autoriteit Persoonsgegevens geconstateerd dat de zieke werknemer zelf het arbeidsongeschiktheidspercentage vaststelt en dat de leidinggevende dit vervolgens invult in het verzuimsysteem. Het vaststellen of een werknemer arbeidsongeschikt is en de advisering daarover aan de werkgever is uitsluitend een taak van de bedrijfsarts. Abrona zou dus hiervoor de arbodienst of bedrijfsarts moeten inschakelen. De werkgever kan vervolgens samen met de werknemer bekijken wat voor werkzaamheden de werknemer (nog) wel kan doen.

Noodzakelijke medische gegevens
Medische gegevens zijn gegevens van gevoelige aard waarvoor strenge wettelijke eisen gelden. Een werkgever mag in het kader van zijn loondoorbetalingsverplichting en voor de re-integratie een beperkt aantal noodzakelijke medische gegevens verwerken van zijn zieke werknemers. Zo mag hij onder meer vragen naar de verwachte duur van het verzuim en of er mogelijkheden zijn voor het doen van (andere) werkzaamheden. De werkgever mag niet vragen naar de aard en oorzaak van de ziekte.

Do’s and don’ts
De Autoriteit Persoonsgegevens heeft bijzondere aandacht voor de verwerking van gevoelige medische gegevens en het gebruik van persoonsgegevens binnen de arbeidsrelatie. De Autoriteit heeft eerder ook al onderzoek gedaan bij onder meer een verzuimbedrijf, arbodiensten en een werkgever die in strijd met de wet medische gegevens van werknemers verwerkten. Ook heeft de Autoriteit Persoonsgegevens do’s & don’ts gepubliceerd voor werkgevers en werknemers.

LS&R 1249

Ontijdige implementatie Richtlijn kwaliteit transplantatie organen door Liechenstein

EFTA Court 1 februari 2016, LS&R 1249; zaak E-23/15 (EFTA Surveillance Authority tegen Liechtenstein)
Implementatie richtlijn. Liechtenstein heeft de Richtlijn inzake kwaliteits- en veiligheidsnormen van organen voor transplantatie niet tijdig geïmplementeerd. Hiermee hebben zij hun verplichting onder de EEA Agreement geschonden. Liechtenstein geeft toe te laat te hebben geïmplementeerd, maar benadrukt haar welwillendheid om het alsnog te doen. Bij de beoordeling wordt echter de periode uit de ‘reasoned opinion’ als uitgangspunt genomen. Liechtenstein wordt veroordeeld tot het betalen van de kosten.

21 The question whether an EEA/EFTA State has failed to fulfil its obligations must be determined by reference to the situation as it stood at the end of the period laid down in the reasoned opinion (see, inter alia, ESA v Iceland, cited above, paragraph 20 and case law cited). It is undisputed that Liechtenstein had not adopted the measures necessary to implement the Directives by the expiry of the time limit set out in the reasoned opinion.