Overig  

LS&R 2366

Geen handhaving tegen niet‑permanente bollenteelt binnen 250 meter van woningen

Rechtbank Noord-Holland 28 jan 2026, LS&R 2366; ECLI:NL:RBNHO:2026:629 (verzoekers tegen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Opmeer), https://lsenr.nl/artikelen/geen-handhaving-tegen-niet-permanente-bollenteelt-binnen-250-meter-van-woningen

Rb Noord-Holland 28 januari 2026, LS&R 2366; ECLI:NL:RBNHO:2026:629 (verzoekers tegen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Opmeer). De bewoners van twee woningen in de gemeente Opmeer hebben het college verzocht handhavend op te treden tegen alle vormen van tuinbouw, waaronder bollenteelt, binnen 250 meter van hun percelen, specifiek op drie omliggende agrarische percelen. Zij stellen dat bollenteelt en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, waaronder PFAS-pesticiden, in strijd zijn met het bestemmingsplan “Landelijk gebied Opmeer 2014” en met de gebiedsaanduiding “overige zone weidevogelgebied”, en dat dit hun gezondheid, die van hun dieren en de natuur aantast. Het college wees het handhavingsverzoek af, omdat bij controle geen overtreding was geconstateerd en omdat volgens het bestemmingsplan niet‑permanente bollenteelt op deze agrarische gronden is toegestaan. Het college schreef de eigenaren van de omliggende percelen wel aan dat permanente bollenteelt niet is toegestaan. Verzoekers maakten bezwaar en vroegen in afwachting daarvan om een voorlopige voorziening, zodat de bollenteelt en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de nabijheid van hun woningen voorlopig zouden worden stilgelegd.

LS&R 2361

Hof onderscheidt tussen levering en aanplant: kwekerij alleen aansprakelijk voor bomen die zij zelf heeft geplant

Hof Arnhem-Leeuwarden 17 mrt 2026, LS&R 2361; ECLI:NL:GHARL:2026:1623 (De Limieten tegen [geïntimeerden] c.s.), https://lsenr.nl/artikelen/hof-onderscheidt-tussen-levering-en-aanplant-kwekerij-alleen-aansprakelijk-voor-bomen-die-zij-zelf-heeft-geplant

Hof Arnhem-Leeuwarden 17 maart 2026, LS&R 2361; ECLI:NL:GHARL:2026:1623 (De Limieten tegen [geïntimeerden] c.s.). In dit hoger beroep gaat het om een geschil tussen een kwekerij en de eigenaren van een particulier landgoed over volwassen bomen die in verschillende fases zijn geleverd en deels ook door de kwekerij zelf zijn geplant. Een aantal bomen is doodgegaan doordat zij in te natte grond stonden. Het hof oordeelt eerst dat de algemene voorwaarden van de kwekerij niet van toepassing zijn, omdat in de relevante orderbevestigingen voor bos 2 en bos 3 geen duidelijke verwijzing naar die voorwaarden stond; een latere verwijzing op facturen is daarvoor niet genoeg. Vervolgens maakt het hof een duidelijk onderscheid tussen bos 2 en bos 3. Voor bos 2 geldt dat de kwekerij de bomen niet alleen leverde, maar ook zelf plantte. Daarom is sprake van een gemengde overeenkomst van consumentenkoop en aanneming van werk. Uit deskundigenonderzoek blijkt dat op ongeveer 55 cm diepte een storende kleilaag aanwezig was, waardoor de grote wortelkluiten van de zeven beuken en de tulpenboom deels in een slecht doorlatende laag terechtkwamen en in feite in een soort “badkuip” kwamen te staan. Het hof oordeelt dat de kwekerij daardoor is tekortgeschoten in haar verplichting om geschikte bomen op een geschikte manier te planten. Zij had de eigenaren bovendien uitdrukkelijk moeten waarschuwen voor de ongeschiktheid van de standplaats en voor de noodzaak van aanvullende maatregelen, zoals drainage of aanplant op een terp; die waarschuwingsplicht baseert het hof op art. 7:754 BW. Daarom blijft de partiële ontbinding voor de zeven beuken en de tulpenboom in stand, net als de toegewezen terugbetaling van € 38.350 en de aanvullende schadevergoeding van € 9.000. De extra vordering over de haagbeuk wijst het hof af, omdat niet is gebleken dat die boom daadwerkelijk was afgestorven.

LS&R 2362

Rechtbank Den Haag wijst verbeteringsverzoek van Greenpeace in Bonaire-klimaatzaak af

Rechtbank Den Haag 18 mrt 2026, LS&R 2362; ECLI:NL:RBDHA:2026:6483 (Greenpeace tegen the State), https://lsenr.nl/artikelen/rechtbank-den-haag-wijst-verbeteringsverzoek-van-greenpeace-in-bonaire-klimaatzaak-af

Rb. Den Haag 18 maart 2026, LS&R 2362; ECLI:NL:RBDHA:2026:6483 (Greenpeace tegen the State). In deze uitspraak beslist de rechtbank Den Haag op een verzoek tot verbetering op grond van artikel 31 Rv van het vonnis van 28 januari 2026 in de Bonaire-klimaatzaak. Greenpeace had de rechtbank gevraagd twee punten in rov. 12.2 van het dictum te corrigeren. Ten eerste vond Greenpeace dat daar ten onrechte was verwezen naar artikel 4 lid 1 van het Akkoord van Parijs, terwijl volgens haar artikel 4 lid 4 had moeten worden genoemd. Ten tweede stelde Greenpeace dat uit rov. 11.58 volgde dat de Staat binnen zes maanden inzicht moest geven in de resterende emissieruimte voor Nederland, zodat die termijn ook in het dictum had moeten worden opgenomen. De rechtbank stelt voorop dat artikel 31 Rv alleen ruimte biedt voor herstel van een kennelijk rekenfout, schrijffout of andere kennelijke fout die zich leent voor eenvoudig herstel; daarvan is alleen sprake als onmiddellijk duidelijk is dat een vergissing is gemaakt. De uitspraak met ECLI:NL:RBDHA:2026:6483 is bovendien de Engelse vertaling van het verbeteringsvonnis; de Nederlandse tekst met ECLI:NL:RBDHA:2026:5739 is de authentieke versie.

LS&R 2359

Bewijslast boomkwekerij bij Naktuinbouw‑heffingen

College van Beroep voor het Bedrijfsleven 10 mrt 2026, LS&R 2359; ECLI:NL:CBB:2026:98 ([naam 1] B.V., te [woonplaats] ([naam 2]) tegen de Stichting Nederlandse Algemene Kwaliteitsdienst Tuinbouw (Naktuinbouw)), https://lsenr.nl/artikelen/bewijslast-boomkwekerij-bij-naktuinbouw-heffingen

CBB 10 maart 2026, LS&R 2359; ECLI:NL:CBB:2026:98 ([naam 1] B.V., te [woonplaats] ([naam 2]) tegen de Stichting Nederlandse Algemene Kwaliteitsdienst Tuinbouw (Naktuinbouw)). Deze zaak gaat over bijdragen die de Stichting Nederlandse Algemene Kwaliteitsdienst Tuinbouw (Naktuinbouw) heeft opgelegd aan een boomkwekerij ([naam 1] B.V.) voor de seizoenen 2022, 2023 en 2025. Naktuinbouw bracht zowel areaalbijdragen (berekend per vierkante meter kwekerijoppervlak) als keuringsbijdragen (voor administratieve controles en veldkeuringen) in rekening. De kwekerij maakte bezwaar tegen deze facturen, maar Naktuinbouw verklaarde de bezwaren ongegrond, waarna beroep werd ingesteld. Volgens de kwekerij werden planten ten onrechte als teeltmateriaal aangemerkt, terwijl het volgens haar ging om eindproducten die via hoveniers aan consumenten worden verkocht. Daardoor zouden de keuringen en bijdragen geen wettelijke basis hebben. Ook stelde de kwekerij dat fytosanitaire controles overbodig zijn omdat zij die zelf uitvoert en dat door de traceerbaarheidsregels uit Verordening (EU) 2016/2031 eenvoudig kan worden vastgesteld waar planten uiteindelijk terechtkomen.

LS&R 2357

Verplichte bufferstroken niet in strijd met eigendomsrecht agrariërs

Rechtbank Den Haag 18 feb 2026, LS&R 2357; ECLI:NL:RBDHA:2026:4118 ([eiseres 1], te [vestigingsplaats 1], gemeente [gemeente 1] en [eiseres 2] tegen DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur)), https://lsenr.nl/artikelen/verplichte-bufferstroken-niet-in-strijd-met-eigendomsrecht-agrariers

Rb Den Haag 18 februari 2026, LS&R 2357; ECLI:NL:RBDHA:2026:4118 ([eiseres 1], te [vestigingsplaats 1], gemeente [gemeente 1] en [eiseres 2] tegen DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur)). Deze uitspraak gaat over een groep agrarische ondernemers (eiseressen) die landbouwbedrijven exploiteren en op grond van recente milieuwetgeving verplicht zijn langs waterlopen op hun percelen zogeheten bufferstroken in te richten waarop geen bemesting mag plaatsvinden. Zij stellen dat deze bufferstrookverplichting hun eigendomsrecht onevenredig aantast en kwalificeren de regeling als een ongeoorloofde inmenging in eigendom in de zin van artikel 1 Eerste Protocol EVRM en artikel 17 EU‑Handvest. In de procedure vorderen zij kort gezegd een verklaring voor recht dat het onderliggende besluit (de regeling waarin de bufferstrookverplichting is vastgelegd) jegens hen buiten toepassing moet blijven zolang geen adequate schadecompensatie is voorzien, alsmede veroordeling van de Staat tot vergoeding van de door hen geleden en nog te lijden schade, op te maken bij staat. Hun stelling is dat de verplichting hen in hun bedrijfsvoering beperkt, tot waardevermindering en inkomensderving leidt en dat zonder passende compensatie sprake is van een disproportionele last die vooral op hun schouders neerkomt.

LS&R 2351

Callistemon‑kwekerij en Meloidogyne enterolobii: rechtmatigheid en evenredigheid van maatregelen na vastgestelde besmetting

College van Beroep voor het Bedrijfsleven 17 feb 2026, LS&R 2351; ECLI:NL:CBB:2026:56 (([naam 1] Kwekerij B.V., te [woonplaats] ( [naam 1] ) tegen de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid)), https://lsenr.nl/artikelen/callistemon-kwekerij-en-meloidogyne-enterolobii-rechtmatigheid-en-evenredigheid-van-maatregelen-na-vastgestelde-besmetting

Cbb 17 februari 2026, LS&R 2351; ECLI:NL:CBB:2026:56 ([naam 1] Kwekerij B.V., te [woonplaats] ( [naam 1] ) tegen de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid)). De zaak betreft een kwekerij ([naam 1] Kwekerij B.V.) waar bij een op verzoek uitgevoerde exportinspectie van 252 Callistemon citrinus-planten, afkomstig uit een derde land, een verdenking is gerezen van besmetting met het EU‑quarantaineorganisme Meloidogyne enterolobii. De minister heeft die partij nog dezelfde dag mondeling “vastgelegd” en bij nader onderzoek is in wortelmonsters van de verwerkingsloods‑partij daadwerkelijk Meloidogyne enterolobii aangetroffen. Vervolgens heeft de minister (i) met een vastleggingsbesluit het verhandelen, verplaatsen, behandelen en vernietigen van de vastgelegde partij en het verpakkingsmateriaal verboden, (ii) met een maatregelenbesluit de vastgelegde partij besmet verklaard en alle overige wortelplanten op het bedrijf, waaronder een deel van dezelfde importpartij in de kas, aangesloten op hetzelfde watergeefsysteem, als waarschijnlijk besmet aangemerkt, met vernietigings- en saneringsmaatregelen en de verplichting tot een plan van aanpak, en (iii) met een aanvullend maatregelenbesluit toegestaan dat de waarschijnlijk besmette planten tien weken in quarantaine mochten worden gehouden in plaats van vernietigd. De kwekerij betoogt in bezwaar en beroep onder meer dat het onderzoek onzorgvuldig is, dat de kasplanten feitelijk niet in contact hebben gestaan met de besmette loods‑partij en ten onrechte tot “waarschijnlijk besmet” zijn verklaard, dat er onvoldoende wetenschappelijke basis is voor besmettingsrisico via drain- en irrigatiewater en dat een wateronderzoek van 10 liter kaswater geen aaltjes aantoonde. Daarnaast klaagt zij dat de minister haar niet actief heeft gewezen op het recht op een second opinion (tweede deskundige) op grond van artikel 35 Verordening 2017/625, dat een volledige hertest had moeten worden toegestaan, en dat de opgelegde maatregelen, inclusief de mogelijkheid van quarantaine en de duur daarvan, disproportioneel zijn en haar bedrijfsvoering onnodig hebben stilgelegd. In beroep verzoekt zij ook om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

LS&R 2349

Geen verplichting tot strenger PFAS‑beleid voor de Staat

Rechtbank Den Haag 11 feb 2026, LS&R 2349; ECLI:NL:RBDHA:2026:2175 (VERENIGING NATUUR- EN MILIEUFEDERATIE NOORD-HOLLAND te Zaandam, VERENIGING ZEEUWSE MILIEUFEDERATIE te Middelburg, STICHTING NATUUR- EN MILIEUFEDERATIE ZUID-HOLLAND te Den Haag, STICHTING FRIESE MILIEUFEDERATIE te Leeuwarden, STICHTING GEZOND WATER te Hans), https://lsenr.nl/artikelen/geen-verplichting-tot-strenger-pfas-beleid-voor-de-staat

Rb Den Haag 11 februari 2026, LS&R 2349; ECLI:NL:RBDHA:2026:2175 (VERENIGING NATUUR- EN MILIEUFEDERATIE NOORD-HOLLAND te Zaandam, VERENIGING ZEEUWSE MILIEUFEDERATIE te Middelburg, STICHTING NATUUR- EN MILIEUFEDERATIE ZUID-HOLLAND te Den Haag, STICHTING FRIESE MILIEUFEDERATIE te Leeuwarden, STICHTING GEZOND WATER te Hansweert, eiseressen tegen DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat)). De zaak betreft een collectieve actie van verschillende milieuorganisaties tegen de Staat over het Nederlandse PFAS-beleid. Volgens de organisaties leveren PFAS (zoals PFOA en PFOS) ernstige en grotendeels onomkeerbare risico’s op voor milieu en volksgezondheid. De Staat zou al geruime tijd bekend zijn met deze risico’s, maar desondanks onvoldoende doen om blootstelling van de bevolking en verdere milieubelasting terug te dringen. Zij verwijten de Staat onder meer dat de vergunningspraktijk voor PFAS-lozingen te ruim is, dat te weinig wordt ingezet op het terugdringen van bestaande verontreiniging en dat Nederland, mede gelet op art. 21 Grondwet en internationaal milieurecht, sneller en strenger had moeten optreden. De vorderingen strekken onder meer tot verklaringen voor recht dat de Staat onrechtmatig handelt door geen toereikend PFAS-beleid te voeren, tot bevelen om emissies en concentraties van PFAS binnen relatief korte termijnen aanzienlijk te reduceren, en tot het verbieden van verder uitstel van Europese en nationale normen (zoals drinkwater- en oppervlaktewaternormen en KRW-doelstellingen). Ook verlangen eisers concrete aanvullende maatregelen, waaronder strengere lozingsvergunningen, nationale verboden op bepaalde toepassingen en versnelde sanering van ernstig verontreinigde locaties.

LS&R 2344

Geen aftrek mestafvoer en geen verdere matiging boete bij overschrijding gebruiksnormen

College van Beroep voor het Bedrijfsleven 25 nov 2025, LS&R 2344; ECLI:NL:CBB:2025:624 ([melkveehouderij] tegen de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit), https://lsenr.nl/artikelen/geen-aftrek-mestafvoer-en-geen-verdere-matiging-boete-bij-overschrijding-gebruiksnormen

CBB 25 november 2025, LS&R 2344; ECLI:NL:CBB:2025:624 ([melkveehouderij] tegen de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit). Het College van Beroep voor het bedrijfsleven bevestigt de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant over een aan een melkveehouderij opgelegde boete wegens overschrijding van de gebruiksnorm dierlijke meststoffen en de stikstofgebruiksnorm op grond van de Meststoffenwet. De veehouderij beschikte in 2018 over een derogatievergunning, maar volgens de minister zijn de normen alsnog overschreden doordat een gehuurd perceel (perceel 48) ten onrechte was opgegeven als tot het bedrijf behorende landbouwgrond. Dit perceel bleek feitelijk te zijn gebruikt voor de teelt van graszoden en maakte daardoor geen deel uit van de normale bedrijfsvoering. Het College volgt het oordeel dat de minister dit perceel terecht buiten beschouwing heeft gelaten bij de berekening van de gebruiksnormen. De door de veehouderij gestelde mestafvoer naar dit perceel is niet met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd; een bemestingsplan en eigen berekeningen zijn daarvoor onvoldoende.

LS&R 2342

Klimaatverplichtingen van de Staat tegenover Bonaire: schending van mensenrechten vastgesteld

Rechtbank Den Haag 28 jan 2026, LS&R 2342; ECLI:NL:RBDHA:2026:1344 (Greenpeace tegen de Staat), https://lsenr.nl/artikelen/klimaatverplichtingen-van-de-staat-tegenover-bonaire-schending-van-mensenrechten-vastgesteld

Rb. Den Haag 28 januari 2026, LS&R 2342; ECLI:NL:RBDHA:2026:1344 (Greenpeace tegen de Staat). De Rechtbank Den Haag oordeelt in deze collectieve actie van Greenpeace dat de Staat der Nederlanden onvoldoende tijdige en samenhangende maatregelen heeft genomen om de inwoners van Bonaire te beschermen tegen de gevolgen van klimaatverandering. De zaak ziet zowel op mitigatie (het terugdringen van broeikasgasemissies) als adaptatie (bescherming tegen concrete klimaatrisico’s zoals zeespiegelstijging, hitte en extreme neerslag). De rechtbank past het toetsingskader toe dat het EHRM heeft ontwikkeld in de KlimaSeniorinnen-uitspraak en beoordeelt het geheel van maatregelen in onderlinge samenhang. Zij concludeert dat het Nederlandse beleid ten aanzien van Bonaire, bezien tegen de achtergrond van internationale klimaatverplichtingen (VN-Klimaatverdrag, Akkoord van Parijs) en de bijzondere kwetsbaarheid van kleine eilanden, tekortschiet. Daarmee handelt de Staat in strijd met zijn positieve verplichtingen uit artikel 8 EVRM (recht op eerbiediging van privéleven en leefomgeving).

LS&R 2343

Nederlandse rechter bevoegd in PFOS-zaak Westerschelde tegen 3M

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 12 nov 2025, LS&R 2343; ECLI:NL:RBZWB:2025:7772 (de NVB tegen 3M), https://lsenr.nl/artikelen/nederlandse-rechter-bevoegd-in-pfos-zaak-westerschelde-tegen-3m

Rb. Zeeland-West-Brabant 12 november 2025, LS&R 2343; ECLI:NL:RBZWB:2025:7772 (de NVB tegen 3M). De Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt in een bevoegdheidsincident dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft in een civiele aansprakelijkheidszaak over PFOS-vervuiling van de Westerschelde. De Nederlandse Vissersbond (NVB) stelt 3M Belgium en het Amerikaanse moederbedrijf 3M Company aansprakelijk voor schade die vissers lijden doordat PFOS, geloosd vanuit de 3M-fabriek in België, via de Schelde in de Westerschelde is terechtgekomen. 3M voerde aan dat de schade louter indirecte vermogensschade betreft en dat het zogeheten Erfolgsort niet in Nederland ligt. De rechtbank volgt dat niet. Zij acht voldoende aannemelijk dat de PFOS-vervuiling ertoe leidt dat (delen van) de Westerschelde niet meer bevist kunnen worden, waardoor vissers directe economische schade en mogelijk ook immateriële schade lijden. Daarmee doet de schade zich in Nederland voor en ligt het Erfolgsort in Nederland in de zin van artikel 7 lid 2 EEX-Verordening.