Overig  

LS&R 2453

Pluripharm krijgt in kort geding geen betaling van miljoenenachterstand

Rechtbank Amsterdam 2 jul 2026,, LS&R 2453; ECLI:NL:RBAMS:2026:6725 (Pluripharm tegen de apotheken), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/pluripharm-krijgt-in-kort-geding-geen-betaling-van-miljoenenachterstand

Rb. Amsterdam 2 juli 2026, LS&R2453; ECLI:NL:RBAMS:2026:6725 (Pluripharm tegen de apotheken). In deze zaak tussen Pluripharm en een aantal apotheken uit de Apotheekgroep Noordplein staat een omvangrijke betalingsachterstand voor geleverde genees- en hulpmiddelen centraal. Pluripharm levert sinds 2019 dagelijks farmaceutische producten aan de apotheken. De bestellingen werden op basis van vooruitbetaling geplaatst, waarna eventuele restbedragen moesten worden voldaan. Vanaf 2023 waren de vooruitbetalingen steeds vaker ontoereikend en liepen de betalingsachterstanden op. Pluripharm vordert in kort geding betaling van de openstaande facturen en verlangt daarnaast dat de apotheken zekerheid stellen door middel van pandrechten op onder meer vorderingen en aandelen.

LS&R 2451

Zwaarwegend belang rechtvaardigt inzage vader in medisch dossier overleden dochter

Rechtbank Gelderland 12 jun 2026,, LS&R 2451; ECLI:NL:RBGEL:2026:5964 ([de verzoeker] tegen de huisartsenpraktijk), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/zwaarwegend-belang-rechtvaardigt-inzage-vader-in-medisch-dossier-overleden-dochter

Rb. Gelderland 12 juni 2026, LS&R 2451; ECLI:NL:RBGEL:2026:5964 ([de verzoeker] tegen de huisartsenpraktijk). De rechtbank oordeelt dat de vader van een in 2022 door suïcide overleden 17-jarige op grond van artikel 7:458a lid 1 onder c BW recht heeft op inzage in een deel van haar medisch dossier. Hoewel het medisch beroepsgeheim ook na het overlijden van een patiënt blijft gelden, kan dit worden doorbroken wanneer de verzoeker een zwaarwegend belang heeft, aannemelijk maakt dat dit belang door geheimhouding mogelijk wordt geschaad en inzage noodzakelijk is voor de behartiging daarvan. Volgens de rechtbank heeft de vader voldoende aannemelijk gemaakt dat er concrete aanknopingspunten bestaan voor een mogelijk tekortschieten van de huisartsenpraktijk. Daarbij betrekt de rechtbank onder meer dat de dochter kampte met complexe psychische en verslavingsproblematiek, in de periode voorafgaand aan haar overlijden herhaaldelijk samen met jongerenwerkers de huisarts bezocht en dat het uiteindelijk vijf maanden duurde voordat een afspraak met de praktijkondersteuner jeugd plaatsvond. Ook het rapport van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd laat volgens de rechtbank reële vragen open over de verleende zorg, waaronder de samenwerking en regie, de dossiervoering, de inschatting van de psychische problematiek en het voortbouwen op reeds bekende informatie. In deze procedure hoeft niet vast te staan dat de huisartsenpraktijk daadwerkelijk is tekortgeschoten; beslissend is dat het vermoeden van een mogelijk tekortschieten voldoende aannemelijk is gemaakt. Het medisch dossier is noodzakelijk om duidelijkheid te verkrijgen over welke signalen wanneer met de huisartsenpraktijk zijn gedeeld en hoe daarop vervolgens is gereageerd.

LS&R 2448

CBb: afwijzing eco-regeling onjuist, maar geen aanspraak op tarief goud

College van Beroep voor het Bedrijfsleven 18 aug 2026,, LS&R 2448; ECLI:NL:CBB:2026:372 (landbouwer tegen de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/cbb-afwijzing-eco-regeling-onjuist-maar-geen-aanspraak-op-tarief-goud

CBb 18 augustus 2026, LS&R 2448; ECLI:NL:CBB:2026:372 (landbouwer tegen de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur). Een landbouwer had voor 2023 betaling aangevraagd voor onder meer de eco-regeling van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid. In zijn Gecombineerde opgaven werd aanvankelijk berekend dat hij voor tarief goud in aanmerking kwam. De minister wees de extra betaling echter af, omdat voor de eco-activiteit stikstofbindende gewassen op de percelen 4, 23 en 70 geen waarde was toegekend. Deze percelen waren volgens de minister mede gebruikt om te voldoen aan GLMC 8. Op grond van artikel 31 lid 5 onder a Verordening (EU) 2021/2115 mogen betalingen uit de eco-regeling uitsluitend worden gedaan voor verbintenissen die verder gaan dan de toepasselijke conditionaliteiten. Tijdens de zitting liet de minister zijn standpunt voor de percelen 4 en 70 vallen, omdat deze percelen niet nodig waren om aan de 7%-grens van GLMC 8 te voldoen. Voor die percelen wordt daarom alsnog waarde toegekend, waardoor de landbouwer in aanmerking komt voor tarief zilver. Het geschil beperkte zich daarna tot perceel 23. Niet in geschil was dat dit perceel wel nodig was om de 7%-grens te halen en dat de eco-activiteit stikstofbindende gewassen op dit perceel daarom niet voor waardering in aanmerking kwam.

LS&R 2425

Prejudiciële vragen aan HvJ EU over openbaarmaking persoonsgegevens bij overtreding van antidopingregels

Hof van Justitie EU 14 jul 2026,, LS&R 2425; ECLI:EU:C:2026:579 (AR e.a. tegen Österreichische Datenschutzbehörde e.a.), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/prejudiciele-vragen-aan-hvj-eu-over-openbaarmaking-persoonsgegevens-bij-overtreding-van-antidopingregels

HvJ EU 14 juli 2026, LS&R 2425; IT 5399; ECLI:EU:C:2026:579 (AR e.a. tegen Österreichische Datenschutzbehörde e.a.). In deze zaak worden zeven prejudiciële vragen gesteld omtrent de openbaarmaking van persoonsgegevens van sporters die de antidopingregels hebben overtreden. AR, YT, DI en RN zijn vier sporters aan wie wegens overtreding van de Oostenrijkse antidopingregels een tijdelijke dan wel levenslange uitsluiting van deelname aan wedstrijden is opgelegd. Op grond van de Oostenrijkse antidopingwetgeving moet NADA Austria op haar website een lijst publiceren met onder meer de voor- en achternaam van de betrokken sporter, de beoefende sport, de begane overtreding, de opgelegde sanctie en de begin- en einddatum daarvan. De ÖADR publiceert deze gegevens daarnaast via persberichten op haar website. In oktober 2021 verzoeken de sporters NADA Austria en de ÖADR om hun namen en de betreffende sporten van de websites te verwijderen. Nadat hieraan geen gehoor wordt gegeven, dienen zij een klacht in bij de Oostenrijkse toezichthouder wegens schending van het recht op gegevenswissing uit artikel 17 AVG. Zij stellen onder meer dat sprake is van bijzondere persoonsgegevens in de zin van artikel 9 AVG en van persoonsgegevens betreffende strafrechtelijke veroordelingen en strafbare feiten in de zin van artikel 10 AVG. Ook achten zij het Oostenrijkse systeem van algemene openbaarmaking niet noodzakelijk en onevenredig. De Oostenrijkse toezichthouder verklaart de klachten van AR, DI en RN ongegrond. Volgens de toezichthouder is de publicatie noodzakelijk om te voldoen aan een wettelijke verplichting, zodat op grond van artikel 17, derde lid, onder b, AVG geen recht op gegevenswissing bestaat. De klacht van YT wordt afgewezen wegens gebrek aan procesbelang, omdat haar gegevens op dat moment nog niet waren gepubliceerd. De sporters stellen tegen deze beslissing beroep in bij het Bundesverwaltungsgericht. YT voert daarbij aan dat haar een uitsluiting van vier jaar is opgelegd en dat de publicatie van haar gegevens daarom ophanden is.

LS&R 2416

Rechtbank wijst vorderingen fysiotherapiepraktijken over hogere CZ-tarieven af wegens ontbreken spoedeisend beelang

Rechtbank Den Haag 23 jul 2026,, LS&R 2416; ECLI:NL:RBDHA:2026:17894 (de fysiotherapiepraktijken tegen CZ), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/rechtbank-wijst-vorderingen-fysiotherapiepraktijken-over-hogere-cz-tarieven-af-wegens-ontbreken-spoedeisend-beelang

Rechtbank Den Haag 2 juli 2026, LS&R 2416; ECLI:NL:RBDHA:2026:17894 (De fysiotherapiepraktijken tegen CZ). In deze zaak tussen een aantal fysiotherapiepraktijken en zorgverzekeraar CZ staat de vraag centraal of CZ haar tarieven voor fysiotherapeutische zorg in 2026 en 2027 moet verhogen en nader moet onderbouwen. Enkele andere fysiotherapiepraktijken zijn in de procedure tussengekomen en hebben zich bij de vorderingen aangesloten. De fysiotherapiepraktijken stellen dat CZ geen reële, kostendekkende en voldoende geïndexeerde tarieven hanteert. Volgens hen leidt dit tot financiële problemen, achterblijvende salarissen, onbetaald werk en uitstroom uit de sector. Zij vorderen daarom onder meer tariefverhogingen, toepassing van kostprijzen en indexaties, een kostprijsonderzoek en een verbod om vergoedingen voor aanvullende eisen zonder voorafgaand onderzoek te verlagen.

LS&R 2397

Rb Gelderland: zorgpremievordering verjaard omdat ontvangst stuitingsbrieven niet vaststaat

Rechtbank Gelderland 21 jan 2026,, LS&R 2397; ECLI:NL:RBGEL:2026:2599 ((Menzis tegen [gedaagde])), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/rb-gelderland-zorgpremievordering-verjaard-omdat-ontvangst-stuitingsbrieven-niet-vaststaat

Rb. Gelderland 21 januari 2026, LS&R 2397; ECLI:NL:RBGEL:2026:2599 (Menzis tegen [gedaagde]). De kantonrechter van de Rechtbank Gelderland heeft geoordeeld dat de vordering van Menzis tot betaling van achterstallige zorgpremies is verjaard. Hoewel Menzis meerdere schriftelijke aanmaningen en e-mails heeft verstuurd, staat niet vast dat deze [de gedaagde] hebben bereikt. Daardoor is de verjaring niet tijdig gestuit en wordt de vordering afgewezen. Tussen Menzis en [de gedaagde] bestond in de periode van 27 maart 2017 tot en met 23 november 2017 een zorgverzekeringsovereenkomst. De premie bedroeg € 119 per maand. Volgens Menzis heeft [de gedaagde] gedurende zes maanden geen premie betaald, waardoor een achterstand van € 733,83 is ontstaan. Inclusief rente en buitengerechtelijke incassokosten vordert Menzis een bedrag van € 971,18. [de gedaagde] voert aan dat de vordering inmiddels is verjaard en betwist daarnaast dat hij de premie onbetaald heeft gelaten. De kantonrechter stelt voorop dat een rechtsvordering tot nakoming van periodieke betalingen verjaart door verloop van vijf jaar nadat de vordering opeisbaar is geworden. Die termijn kan worden gestuit door een schriftelijke aanmaning of een andere schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt. Vast staat dat [de gedaagde] in ieder geval de brief van 17 september 2018 heeft kunnen ontvangen en dat de brief van 27 mei 2019 de bewindvoerder van [de gedaagde] heeft bereikt. Daarmee is de verjaring op 27 mei 2019 gestuit en is een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar gaan lopen. Centraal staat vervolgens de vraag of Menzis de verjaring tussen 27 mei 2019 en 11 april 2025 opnieuw heeft gestuit. Volgens de kantonrechter rusten de stelplicht en bewijslast daarvan op Menzis. Daarbij geldt dat een verklaring pas werking heeft wanneer deze de geadresseerde heeft bereikt. De kantonrechter verwijst in dit verband naar de maatstaf van de Hoge Raad, inhoudende dat de afzender moet stellen en zo nodig bewijzen dat de verklaring is verzonden, dat deze is verstuurd naar een adres waarvan redelijkerwijs mocht worden aangenomen dat de geadresseerde daar bereikbaar was en dat de verklaring daar is aangekomen.

LS&R 2396

Rb Rotterdam: afgifte medisch dossier kan in kort geding niet via verzoekschrift worden afgedwongen

Rechtbank Rotterdam 23 mrt 2026,, LS&R 2396; ECLI:NL:RBROT:2026:3605 (([verzoeker] tegen Veldhuis Kliniek)), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/rb-rotterdam-afgifte-medisch-dossier-kan-in-kort-geding-niet-via-verzoekschrift-worden-afgedwongen

Rb. Rotterdam 23 maart 2026, LS&R 2396; ECLI:NL:RBROT:2026:3605 ([verzoeker] tegen Veldhuis Kliniek). In deze zaak tussen [verzoeker] en Velthuis Kliniek staat de vraag centraal of een patiënt in kort geding via een verzoekschrift afgifte van een volledig medisch dossier kan afdwingen. [verzoeker] verzoekt de voorzieningenrechter om Velthuis Kliniek te bevelen haar volledige medisch dossier, waaronder loggegevens, te verstrekken. Zij baseert haar verzoek op het inzagerecht uit artikel 7:456 BW en op artikel 15 AVG. Volgens [verzoeker] is er sprake van een spoedeisend belang, omdat zij het dossier nodig heeft in een tuchtprocedure bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. De voorzieningenrechter stelt voorop dat een verzoek tot afgifte van een medisch dossier niet via een verzoekschriftprocedure in kort geding kan worden ingesteld. Een dergelijke vordering moet worden ingediend bij dagvaarding. Dat geldt ook wanneer er sprake is van spoedeisendheid. Voor een kort geding dat bij dagvaarding wordt ingesteld, geldt bovendien verplichte procesvertegenwoordiging door een advocaat. Voor zover [verzoeker] zich beroept op artikel 15 AVG, leidt dat niet tot een ander oordeel. De verzoekschriftprocedure van artikel 35 UAVG staat uitsluitend open in een bodemprocedure en niet in een kort geding. De voorzieningenrechter onderzoekt vervolgens of aanleiding bestaat om gebruik te maken van de zogenoemde spoorwissel, waarbij een onjuist ingeleide procedure wordt omgezet in de juiste procesvorm. Daarvoor ziet de rechtbank alleen geen aanleiding.

LS&R 2366

Geen handhaving tegen niet‑permanente bollenteelt binnen 250 meter van woningen

Rechtbank Noord-Holland 28 jan 2026,, LS&R 2366; ECLI:NL:RBNHO:2026:629 (verzoekers tegen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Opmeer), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/geen-handhaving-tegen-niet-permanente-bollenteelt-binnen-250-meter-van-woningen

Rb Noord-Holland 28 januari 2026, LS&R 2366; ECLI:NL:RBNHO:2026:629 (verzoekers tegen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Opmeer). De bewoners van twee woningen in de gemeente Opmeer hebben het college verzocht handhavend op te treden tegen alle vormen van tuinbouw, waaronder bollenteelt, binnen 250 meter van hun percelen, specifiek op drie omliggende agrarische percelen. Zij stellen dat bollenteelt en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, waaronder PFAS-pesticiden, in strijd zijn met het bestemmingsplan “Landelijk gebied Opmeer 2014” en met de gebiedsaanduiding “overige zone weidevogelgebied”, en dat dit hun gezondheid, die van hun dieren en de natuur aantast. Het college wees het handhavingsverzoek af, omdat bij controle geen overtreding was geconstateerd en omdat volgens het bestemmingsplan niet‑permanente bollenteelt op deze agrarische gronden is toegestaan. Het college schreef de eigenaren van de omliggende percelen wel aan dat permanente bollenteelt niet is toegestaan. Verzoekers maakten bezwaar en vroegen in afwachting daarvan om een voorlopige voorziening, zodat de bollenteelt en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de nabijheid van hun woningen voorlopig zouden worden stilgelegd.

LS&R 2361

Hof onderscheidt tussen levering en aanplant: kwekerij alleen aansprakelijk voor bomen die zij zelf heeft geplant

Hof Arnhem-Leeuwarden 17 mrt 2026,, LS&R 2361; ECLI:NL:GHARL:2026:1623 (De Limieten tegen [geïntimeerden] c.s.), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/hof-onderscheidt-tussen-levering-en-aanplant-kwekerij-alleen-aansprakelijk-voor-bomen-die-zij-zelf-heeft-geplant

Hof Arnhem-Leeuwarden 17 maart 2026, LS&R 2361; ECLI:NL:GHARL:2026:1623 (De Limieten tegen [geïntimeerden] c.s.). In dit hoger beroep gaat het om een geschil tussen een kwekerij en de eigenaren van een particulier landgoed over volwassen bomen die in verschillende fases zijn geleverd en deels ook door de kwekerij zelf zijn geplant. Een aantal bomen is doodgegaan doordat zij in te natte grond stonden. Het hof oordeelt eerst dat de algemene voorwaarden van de kwekerij niet van toepassing zijn, omdat in de relevante orderbevestigingen voor bos 2 en bos 3 geen duidelijke verwijzing naar die voorwaarden stond; een latere verwijzing op facturen is daarvoor niet genoeg. Vervolgens maakt het hof een duidelijk onderscheid tussen bos 2 en bos 3. Voor bos 2 geldt dat de kwekerij de bomen niet alleen leverde, maar ook zelf plantte. Daarom is sprake van een gemengde overeenkomst van consumentenkoop en aanneming van werk. Uit deskundigenonderzoek blijkt dat op ongeveer 55 cm diepte een storende kleilaag aanwezig was, waardoor de grote wortelkluiten van de zeven beuken en de tulpenboom deels in een slecht doorlatende laag terechtkwamen en in feite in een soort “badkuip” kwamen te staan. Het hof oordeelt dat de kwekerij daardoor is tekortgeschoten in haar verplichting om geschikte bomen op een geschikte manier te planten. Zij had de eigenaren bovendien uitdrukkelijk moeten waarschuwen voor de ongeschiktheid van de standplaats en voor de noodzaak van aanvullende maatregelen, zoals drainage of aanplant op een terp; die waarschuwingsplicht baseert het hof op art. 7:754 BW. Daarom blijft de partiële ontbinding voor de zeven beuken en de tulpenboom in stand, net als de toegewezen terugbetaling van € 38.350 en de aanvullende schadevergoeding van € 9.000. De extra vordering over de haagbeuk wijst het hof af, omdat niet is gebleken dat die boom daadwerkelijk was afgestorven.

LS&R 2362

Rechtbank Den Haag wijst verbeteringsverzoek van Greenpeace in Bonaire-klimaatzaak af

Rechtbank Den Haag 18 mrt 2026,, LS&R 2362; ECLI:NL:RBDHA:2026:6483 (Greenpeace tegen the State), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/rechtbank-den-haag-wijst-verbeteringsverzoek-van-greenpeace-in-bonaire-klimaatzaak-af

Rb. Den Haag 18 maart 2026, LS&R 2362; ECLI:NL:RBDHA:2026:6483 (Greenpeace tegen the State). In deze uitspraak beslist de rechtbank Den Haag op een verzoek tot verbetering op grond van artikel 31 Rv van het vonnis van 28 januari 2026 in de Bonaire-klimaatzaak. Greenpeace had de rechtbank gevraagd twee punten in rov. 12.2 van het dictum te corrigeren. Ten eerste vond Greenpeace dat daar ten onrechte was verwezen naar artikel 4 lid 1 van het Akkoord van Parijs, terwijl volgens haar artikel 4 lid 4 had moeten worden genoemd. Ten tweede stelde Greenpeace dat uit rov. 11.58 volgde dat de Staat binnen zes maanden inzicht moest geven in de resterende emissieruimte voor Nederland, zodat die termijn ook in het dictum had moeten worden opgenomen. De rechtbank stelt voorop dat artikel 31 Rv alleen ruimte biedt voor herstel van een kennelijk rekenfout, schrijffout of andere kennelijke fout die zich leent voor eenvoudig herstel; daarvan is alleen sprake als onmiddellijk duidelijk is dat een vergissing is gemaakt. De uitspraak met ECLI:NL:RBDHA:2026:6483 is bovendien de Engelse vertaling van het verbeteringsvonnis; de Nederlandse tekst met ECLI:NL:RBDHA:2026:5739 is de authentieke versie.