College van Beroep voor het Bedrijfsleven 17 feb 2026, LS&R 2351; ECLI:NL:CBB:2026:56 (([naam 1] Kwekerij B.V., te [woonplaats] ( [naam 1] ) tegen de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid)), https://lsenr.nl/artikelen/callistemon-kwekerij-en-meloidogyne-enterolobii-rechtmatigheid-en-evenredigheid-van-maatregelen-na-vastgestelde-besmetting
Cbb 17 februari 2026, LS&R 2351; ECLI:NL:CBB:2026:56 ([naam 1] Kwekerij B.V., te [woonplaats] ( [naam 1] ) tegen de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid)). De zaak betreft een kwekerij ([naam 1] Kwekerij B.V.) waar bij een op verzoek uitgevoerde exportinspectie van 252 Callistemon citrinus-planten, afkomstig uit een derde land, een verdenking is gerezen van besmetting met het EU‑quarantaineorganisme Meloidogyne enterolobii. De minister heeft die partij nog dezelfde dag mondeling “vastgelegd” en bij nader onderzoek is in wortelmonsters van de verwerkingsloods‑partij daadwerkelijk Meloidogyne enterolobii aangetroffen. Vervolgens heeft de minister (i) met een vastleggingsbesluit het verhandelen, verplaatsen, behandelen en vernietigen van de vastgelegde partij en het verpakkingsmateriaal verboden, (ii) met een maatregelenbesluit de vastgelegde partij besmet verklaard en alle overige wortelplanten op het bedrijf, waaronder een deel van dezelfde importpartij in de kas, aangesloten op hetzelfde watergeefsysteem, als waarschijnlijk besmet aangemerkt, met vernietigings- en saneringsmaatregelen en de verplichting tot een plan van aanpak, en (iii) met een aanvullend maatregelenbesluit toegestaan dat de waarschijnlijk besmette planten tien weken in quarantaine mochten worden gehouden in plaats van vernietigd. De kwekerij betoogt in bezwaar en beroep onder meer dat het onderzoek onzorgvuldig is, dat de kasplanten feitelijk niet in contact hebben gestaan met de besmette loods‑partij en ten onrechte tot “waarschijnlijk besmet” zijn verklaard, dat er onvoldoende wetenschappelijke basis is voor besmettingsrisico via drain- en irrigatiewater en dat een wateronderzoek van 10 liter kaswater geen aaltjes aantoonde. Daarnaast klaagt zij dat de minister haar niet actief heeft gewezen op het recht op een second opinion (tweede deskundige) op grond van artikel 35 Verordening 2017/625, dat een volledige hertest had moeten worden toegestaan, en dat de opgelegde maatregelen, inclusief de mogelijkheid van quarantaine en de duur daarvan, disproportioneel zijn en haar bedrijfsvoering onnodig hebben stilgelegd. In beroep verzoekt zij ook om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.