Gepubliceerd op vrijdag 6 maart 2026
LS&R 2357
Rechtbank Den Haag ||
18 feb 2026
Rechtbank Den Haag 18 feb 2026, LS&R 2357; ECLI:NL:RBDHA:2026:4118 ([eiseres 1], te [vestigingsplaats 1], gemeente [gemeente 1] en [eiseres 2] tegen DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur)), https://lsenr.nl/artikelen/verplichte-bufferstroken-niet-in-strijd-met-eigendomsrecht-agrariers

Verplichte bufferstroken niet in strijd met eigendomsrecht agrariërs

Rb Den Haag 18 februari 2026, LS&R 2357; ECLI:NL:RBDHA:2026:4118 ([eiseres 1], te [vestigingsplaats 1], gemeente [gemeente 1] en [eiseres 2] tegen DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur)). Deze uitspraak gaat over een groep agrarische ondernemers (eiseressen) die landbouwbedrijven exploiteren en op grond van recente milieuwetgeving verplicht zijn langs waterlopen op hun percelen zogeheten bufferstroken in te richten waarop geen bemesting mag plaatsvinden. Zij stellen dat deze bufferstrookverplichting hun eigendomsrecht onevenredig aantast en kwalificeren de regeling als een ongeoorloofde inmenging in eigendom in de zin van artikel 1 Eerste Protocol EVRM en artikel 17 EU‑Handvest. In de procedure vorderen zij kort gezegd een verklaring voor recht dat het onderliggende besluit (de regeling waarin de bufferstrookverplichting is vastgelegd) jegens hen buiten toepassing moet blijven zolang geen adequate schadecompensatie is voorzien, alsmede veroordeling van de Staat tot vergoeding van de door hen geleden en nog te lijden schade, op te maken bij staat. Hun stelling is dat de verplichting hen in hun bedrijfsvoering beperkt, tot waardevermindering en inkomensderving leidt en dat zonder passende compensatie sprake is van een disproportionele last die vooral op hun schouders neerkomt.

De rechtbank beoordeelt of de bufferstrookverplichting een inmenging in het eigendomsrecht vormt en zo ja, of die inmenging voldoet aan de vereisten van legaliteit, een legitiem algemeen belang (bescherming van waterkwaliteit en milieu) en een ‘fair balance’ tussen dat algemeen belang en de bescherming van de betrokken agrariërs. De rechtbank komt tot het oordeel dat de bufferstrookverplichting niet onrechtmatig is jegens eiseressen, omdat de regeling berust op een toereikende wettelijke grondslag, een zwaarwegend milieu‑ en waterkwaliteitsbelang dient en de daarmee gepaard gaande lasten niet als onevenredig individueel buitensporig worden aangemerkt. Dat betekent dat de rechtbank de gevorderde verklaring voor recht dat het besluit buiten toepassing moet blijven, alsmede de gevorderde schadevergoeding, afwijst. De conclusie is dus dat de wettelijke bufferstrookverplichting in stand blijft en dat de agrariërs hiermee in hun bedrijfsvoering rekening moeten blijven houden, zonder dat de Staat in deze procedure tot schadevergoeding wordt veroordeeld.

5.52. “De rechtbank is van oordeel dat de Staat met de bufferstrookverplichting ook jegens eiseressen heeft voorzien in een fair balance. Dit wordt als volgt toegelicht.”

5.53. “De rechtbank stelt voorop dat, zoals de Staat onweersproken heeft aangevoerd, de kwaliteit van het oppervlaktewater in Nederland als geheel nog niet aan de normen voldoet. Het gaat hierbij met name om de stikstof- en de fosfornormen. Als deze normen in de loop van de tijd zijn aangescherpt, wat volgens eiseressen het geval is, verhoogt dat de urgentie om maatregelen te treffen om de waterkwaliteit wel aan de normen te laten voldoen.”

5.55. “Over de effectiviteit van de bufferstroken wordt het volgende overwogen. Uit de overgelegde stukken blijkt niet dat de bufferstroken geen relevant effect hebben op de waterkwaliteit ter plaatse van de percelen van [eiseres 2] en [eiseres 1] . Zoals eiseressen ook hebben erkend, is er ten minste sprake van een areaaleffect. Omdat de bufferstroken niet mogen worden bemest, kan op de percelen van eiseressen minder mest worden uitgereden, waardoor er minder meststoffen in het oppervlaktewater kunnen uitspoelen, ook wanneer gebruik wordt gemaakt van drainagebuizen. De mestplaatsingsruimte neemt af. Voor zover [eiseres 2] ter zitting heeft verklaard dat in zijn situatie de bufferstroken er niet toe kunnen leiden dat de stikstofnorm ter plaatse wordt gehaald, is dat niet beslissend, omdat de bufferstroken ten minste eraan bijdragen dat de waterkwaliteit niet verder verslechtert, zoals de Staat onweersproken heeft aangevoerd. De rechtbank concludeert dat de bufferstroken ook ter plaatse van de bedrijven van eiseressen van belang zijn voor het door de Staat beoogde doel.”