Gepubliceerd op maandag 9 februari 2026
LS&R 2343
Rechtbank Zeeland-West-Brabant ||
12 nov 2025
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 12 nov 2025, LS&R 2343; ECLI:NL:RBZWB:2025:7772 (de NVB tegen 3M), https://lsenr.nl/artikelen/nederlandse-rechter-bevoegd-in-pfos-zaak-westerschelde-tegen-3m

Nederlandse rechter bevoegd in PFOS-zaak Westerschelde tegen 3M

Rb. Zeeland-West-Brabant 12 november 2025, LS&R 2343; ECLI:NL:RBZWB:2025:7772 (de NVB tegen 3M). De Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt in een bevoegdheidsincident dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft in een civiele aansprakelijkheidszaak over PFOS-vervuiling van de Westerschelde. De Nederlandse Vissersbond (NVB) stelt 3M Belgium en het Amerikaanse moederbedrijf 3M Company aansprakelijk voor schade die vissers lijden doordat PFOS, geloosd vanuit de 3M-fabriek in België, via de Schelde in de Westerschelde is terechtgekomen. 3M voerde aan dat de schade louter indirecte vermogensschade betreft en dat het zogeheten Erfolgsort niet in Nederland ligt. De rechtbank volgt dat niet. Zij acht voldoende aannemelijk dat de PFOS-vervuiling ertoe leidt dat (delen van) de Westerschelde niet meer bevist kunnen worden, waardoor vissers directe economische schade en mogelijk ook immateriële schade lijden. Daarmee doet de schade zich in Nederland voor en ligt het Erfolgsort in Nederland in de zin van artikel 7 lid 2 EEX-Verordening.

Ook ten aanzien van het in de Verenigde Staten gevestigde 3M Company neemt de rechtbank rechtsmacht aan. Op grond van artikel 7 lid 1 Rv kan de Nederlandse rechter ook bevoegd zijn jegens een buitenlandse medegedaagde, mits de vorderingen voldoende samenhangen. De rechtbank oordeelt dat daarvan sprake is, omdat 3M Company als moedermaatschappij inhoudelijk betrokken was bij onderzoek naar en besluitvorming over de PFOS-uitstoot en het concernbeleid, en het voorzienbaar was dat grensoverschrijdende vervuiling tot schade in Nederland zou leiden. Daarnaast wijst de rechtbank het ontvankelijkheidsverweer af: de NVB mocht haar eis wijzigen en ook namens de betrokken v.o.f. procederen. Het verzoek om tussentijds hoger beroep wordt afgewezen. De zaak wordt, gelet op haar complexiteit en maatschappelijk belang, verwezen naar de meervoudige kamer voor verdere inhoudelijke behandeling.

Ontvankelijkheid

5.16.

Het voorgaande betekent dat de primaire incidentele vordering tot onbevoegd verklaring wordt afgewezen. De rechtbank komt dan toe aan de subsidiaire vordering van 3M. 3M vordert subsidiair om de NVB niet ontvankelijk te verklaren in haar vorderingen jegens 3M Belgium en 3M Company.

5.17. 3

M legt hieraan – samengevat – ten grondslag dat de gestelde onrechtmatige daad niet ziet op een onrechtmatig handelen jegens [naam 3] in privé maar jegens de v.o.f. Nu de vordering is ingesteld namens [naam 3] in privé, dient de NVB niet ontvankelijk te worden verklaard. In het voorgaande is echter al geoordeeld dat de NVB haar vordering heeft kunnen wijzigen in die zin dat de vordering ook namens de v.o.f. wordt ingesteld. De incidentele vordering tot niet ontvankelijk verklaring van de NVB zal daarom worden afgewezen. Overigens volgt uit het voorgaande dat aannemelijk is dat niet alleen jegens [v.o.f.] maar ook jegens [naam 3] in privé onrechtmatig is gehandeld zodat de NVB ook zonder eiswijziging ontvankelijk zou zijn geweest in haar vordering.