Geen verplichting tot strenger PFAS‑beleid voor de Staat
Rb Den Haag 11 februari 2026, LS&R 2349; ECLI:NL:RBDHA:2026:2175 (VERENIGING NATUUR- EN MILIEUFEDERATIE NOORD-HOLLAND te Zaandam, VERENIGING ZEEUWSE MILIEUFEDERATIE te Middelburg, STICHTING NATUUR- EN MILIEUFEDERATIE ZUID-HOLLAND te Den Haag, STICHTING FRIESE MILIEUFEDERATIE te Leeuwarden, STICHTING GEZOND WATER te Hansweert, eiseressen tegen DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat)). De zaak betreft een collectieve actie van verschillende milieuorganisaties tegen de Staat over het Nederlandse PFAS-beleid. Volgens de organisaties leveren PFAS (zoals PFOA en PFOS) ernstige en grotendeels onomkeerbare risico’s op voor milieu en volksgezondheid. De Staat zou al geruime tijd bekend zijn met deze risico’s, maar desondanks onvoldoende doen om blootstelling van de bevolking en verdere milieubelasting terug te dringen. Zij verwijten de Staat onder meer dat de vergunningspraktijk voor PFAS-lozingen te ruim is, dat te weinig wordt ingezet op het terugdringen van bestaande verontreiniging en dat Nederland, mede gelet op art. 21 Grondwet en internationaal milieurecht, sneller en strenger had moeten optreden. De vorderingen strekken onder meer tot verklaringen voor recht dat de Staat onrechtmatig handelt door geen toereikend PFAS-beleid te voeren, tot bevelen om emissies en concentraties van PFAS binnen relatief korte termijnen aanzienlijk te reduceren, en tot het verbieden van verder uitstel van Europese en nationale normen (zoals drinkwater- en oppervlaktewaternormen en KRW-doelstellingen). Ook verlangen eisers concrete aanvullende maatregelen, waaronder strengere lozingsvergunningen, nationale verboden op bepaalde toepassingen en versnelde sanering van ernstig verontreinigde locaties.