Gepubliceerd op maandag 23 februari 2026
LS&R 2351
College van Beroep voor het Bedrijfsleven ||
17 feb 2026
College van Beroep voor het Bedrijfsleven 17 feb 2026, LS&R 2351; ECLI:NL:CBB:2026:56 (([naam 1] Kwekerij B.V., te [woonplaats] ( [naam 1] ) tegen de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid)), https://lsenr.nl/artikelen/callistemon-kwekerij-en-meloidogyne-enterolobii-rechtmatigheid-en-evenredigheid-van-maatregelen-na-vastgestelde-besmetting

Callistemon‑kwekerij en Meloidogyne enterolobii: rechtmatigheid en evenredigheid van maatregelen na vastgestelde besmetting

Cbb 17 februari 2026, LS&R 2351; ECLI:NL:CBB:2026:56 ([naam 1] Kwekerij B.V., te [woonplaats] ( [naam 1] ) tegen de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid)). De zaak betreft een kwekerij ([naam 1] Kwekerij B.V.) waar bij een op verzoek uitgevoerde exportinspectie van 252 Callistemon citrinus-planten, afkomstig uit een derde land, een verdenking is gerezen van besmetting met het EU‑quarantaineorganisme Meloidogyne enterolobii. De minister heeft die partij nog dezelfde dag mondeling “vastgelegd” en bij nader onderzoek is in wortelmonsters van de verwerkingsloods‑partij daadwerkelijk Meloidogyne enterolobii aangetroffen. Vervolgens heeft de minister (i) met een vastleggingsbesluit het verhandelen, verplaatsen, behandelen en vernietigen van de vastgelegde partij en het verpakkingsmateriaal verboden, (ii) met een maatregelenbesluit de vastgelegde partij besmet verklaard en alle overige wortelplanten op het bedrijf, waaronder een deel van dezelfde importpartij in de kas, aangesloten op hetzelfde watergeefsysteem, als waarschijnlijk besmet aangemerkt, met vernietigings- en saneringsmaatregelen en de verplichting tot een plan van aanpak, en (iii) met een aanvullend maatregelenbesluit toegestaan dat de waarschijnlijk besmette planten tien weken in quarantaine mochten worden gehouden in plaats van vernietigd. De kwekerij betoogt in bezwaar en beroep onder meer dat het onderzoek onzorgvuldig is, dat de kasplanten feitelijk niet in contact hebben gestaan met de besmette loods‑partij en ten onrechte tot “waarschijnlijk besmet” zijn verklaard, dat er onvoldoende wetenschappelijke basis is voor besmettingsrisico via drain- en irrigatiewater en dat een wateronderzoek van 10 liter kaswater geen aaltjes aantoonde. Daarnaast klaagt zij dat de minister haar niet actief heeft gewezen op het recht op een second opinion (tweede deskundige) op grond van artikel 35 Verordening 2017/625, dat een volledige hertest had moeten worden toegestaan, en dat de opgelegde maatregelen, inclusief de mogelijkheid van quarantaine en de duur daarvan, disproportioneel zijn en haar bedrijfsvoering onnodig hebben stilgelegd. In beroep verzoekt zij ook om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Het College oordeelt dat de minister, gelet op Verordening (EU) 2016/2031, terecht alle planten uit dezelfde importpartij en andere planten in de kas die op hetzelfde watergeefsysteem waren aangesloten, tot de besmette zone en als waarschijnlijk besmet heeft aangemerkt, omdat zij uit dezelfde productie afkomstig zijn en in de nabijheid van besmette planten in hetzelfde watersysteem stonden. Het acht het geoorloofd dat de minister zich baseert op EPPO‑onderzoek en (ten tijde van de besluitvorming) beschikbare voorlopige resultaten van onderzoek van Wageningen University & Research, nadien bevestigd, waaruit volgt dat Meloidogyne enterolobii zich via eb‑vloed‑ en irrigatiewater kan verspreiden; het uitblijven van vondst van aaltjes in een door de kwekerij laten onderzoeken watermonster van 10 liter doet aan de vastgestelde besmetting in de verwerkingsloods niet af. Het College verwerpt het standpunt dat artikel 35 Verordening 2017/625 een actieve informatieplicht schept om ondernemers expliciet op het recht op een tweede deskundige te wijzen en ziet geen aanleiding voor prejudiciële vragen; voldoende is dat het recht bestaat, waarbij bovendien voor quarantaineorganismen geen verplichting geldt om een tweede monster te nemen en een second opinion hier alleen ziet op documentbeoordeling, waarvan de kwekerij geen gebruik heeft gemaakt. Evenmin acht het College de maatregelen onevenredig: tegen de achtergrond van de recente aanwijzing van Meloidogyne enterolobii als plaagorganisme, de ernstige potentiële schade voor diverse gewassen en het doel om verspreiding te voorkomen, is de keuze om vernietiging te verlangen, maar later – na beleidswijziging – een tijdelijke quarantaine van tien weken toe te staan en dit te koppelen aan een plan van aanpak, niet disproportioneel. Het beroep tegen het bestreden besluit wordt daarom ongegrond verklaard. Wel stelt het College vast dat de redelijke termijn in bezwaar en beroep met ongeveer tien maanden is overschreden, volledig toe te rekenen aan de rechterlijke fase, en kent het de kwekerij een immateriële schadevergoeding van 1.000 euro toe ten laste van de Staat der Nederlanden, plus 467 euro proceskosten in verband met het verzoek om schadevergoeding.

12.1 “Het College is van oordeel dat het besluit van de minister om toe te staan dat de planten in de kas niet worden vernietigd, maar tijdelijk in quarantaine worden geplaatst, evenredig is. In het bestreden besluit heeft de minister uiteengezet dat de gevolgen van een besmetting met Meloidogyne enterolobii schadelijk is voor verschillende gewassen, omdat de wortels slecht groeien en de opbrengsten kunnen teruglopen. In het verweerschrift en op de zitting heeft de minister nader uitgelegd waarom de quarantaine, die per 25 mei 2023 is ingegaan, nodig was. Met Uitvoeringsverordening 2021/22851 is Meloidogyne enterolobii per 11 april 2022 aangewezen als plaagorganisme. Nadat begin 2023 besmettingen in Nederland werden geconstateerd is de door de minister genoemde survey uitgevoerd. Met de daarop gebaseerde besluitvorming stond de minister met ingang van 14 mei 2023 toe dat waarschijnlijk besmette planten een behandeling ondergingen, door deze tien weken in quarantaine te plaatsen. Hiervoor was het nodig dat [naam 1] een plan van aanpak zou indienen. Het plan van aanpak is uiteindelijk op 25 mei 2023 goedgekeurd, waarna de quarantaineperiode van start is gegaan. De minister heeft ook toegelicht dat een besmetting niet altijd zichtbaar is. Om verspreiding te voorkomen moest de minister maatregelen nemen die rekening hielden met het risico dat de besmetting wel aanwezig was, zonder dat deze zichtbaar was. Met de optie om voor quarantaine te kiezen, heeft de minister [naam 1] bespaard dat zij de planten moest vernietigen. Tegen deze achtergrond is van een onevenredige besluitvorming geen sprake. Het College merkt daarbij nog op dat de vraag of de quarantaine met het in 1.6 genoemde besluit tijdig is opgeheven in deze procedure niet aan de orde kan komen, want over de opheffing van de quarantaine heeft de minister een apart besluit genomen. Daarnaast staat de vraag of de vastlegging, de maatregel en de aanvullende maatregel evenredig waren, los van een afzonderlijk besluit tot opheffing daarvan.”