Gepubliceerd op maandag 9 februari 2026
LS&R 2342
Rechtbank Den Haag ||
28 jan 2026
Rechtbank Den Haag 28 jan 2026, LS&R 2342; ECLI:NL:RBDHA:2026:1344 (Greenpeace tegen de Staat), https://lsenr.nl/artikelen/klimaatverplichtingen-van-de-staat-tegenover-bonaire-schending-van-mensenrechten-vastgesteld

Klimaatverplichtingen van de Staat tegenover Bonaire: schending van mensenrechten vastgesteld

Rb. Den Haag 28 januari 2026, LS&R 2342; ECLI:NL:RBDHA:2026:1344 (Greenpeace tegen de Staat). De Rechtbank Den Haag oordeelt in deze collectieve actie van Greenpeace dat de Staat der Nederlanden onvoldoende tijdige en samenhangende maatregelen heeft genomen om de inwoners van Bonaire te beschermen tegen de gevolgen van klimaatverandering. De zaak ziet zowel op mitigatie (het terugdringen van broeikasgasemissies) als adaptatie (bescherming tegen concrete klimaatrisico’s zoals zeespiegelstijging, hitte en extreme neerslag). De rechtbank past het toetsingskader toe dat het EHRM heeft ontwikkeld in de KlimaSeniorinnen-uitspraak en beoordeelt het geheel van maatregelen in onderlinge samenhang. Zij concludeert dat het Nederlandse beleid ten aanzien van Bonaire, bezien tegen de achtergrond van internationale klimaatverplichtingen (VN-Klimaatverdrag, Akkoord van Parijs) en de bijzondere kwetsbaarheid van kleine eilanden, tekortschiet. Daarmee handelt de Staat in strijd met zijn positieve verplichtingen uit artikel 8 EVRM (recht op eerbiediging van privéleven en leefomgeving).

Daarnaast stelt de rechtbank vast dat Bonaire ongelijk wordt behandeld ten opzichte van Europees Nederland. Ondanks het feit dat al decennialang bekend is dat Bonaire eerder en zwaarder wordt getroffen door klimaatverandering en dat lokale bestuurscapaciteit beperkt is, zijn voor Bonaire later en minder systematisch maatregelen getroffen. De Staat heeft hiervoor geen toereikende rechtvaardiging gegeven. Dit levert volgens de rechtbank een schending op van artikel 14 EVRM in samenhang met artikel 8 EVRM, evenals van artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM. De rechtbank verklaart voor recht dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld en beveelt hem om effectieve maatregelen te nemen die in lijn zijn met de internationale klimaatafspraken, waaronder het opstellen en uitvoeren van een adaptatieplan voor Bonaire. Daarbij benadrukt de rechtbank dat de Staat beleidsvrijheid behoudt bij de concrete invulling, maar dat hij eindverantwoordelijk blijft voor het voldoen aan zijn mensenrechtelijke verplichtingen.

11 De beoordeling: de vorderingen van Greenpeace

a. Mitigatie- en adaptatiemaatregelen beoordelen als samenhangend geheel

11.1.

Greenpeace vordert afzonderlijke verklaringen voor recht ten aanzien van de door de Staat genomen mitigatie- en adaptatiemaatregelen. Uit het hiervoor uiteengezette toetsingskader voor klimaatzaken volgt echter dat de rechtbank bij de beantwoording van de vraag of de Staat heeft voldaan aan de op hem rustende positieve verplichtingen het geheel van de genomen klimaatmaatregelen moet beoordelen. Mitigatie- en adaptatiemaatregelen kunnen in deze context dus niet los van elkaar worden gezien.

b. Toetsing aan artikel 8 EVRM, niet aan artikel 2 EVRM

11.2.

De rechtbank zal de door de Staat genomen mitigatie- en adaptatiemaatregelen en de daarbij horende procedurele waarborgen toetsen op de hiervoor onder 10.24 tot en met 10.24.6 beschreven wijze.

11.3.

De rechtbank zal toetsen aan artikel 8 EVRM en niet aan artikel 2 EVRM. De rechtbank is namelijk van oordeel dat Greenpeace onvoldoende heeft aangevoerd dat tot het oordeel zou kunnen leiden dat door het tekortkomen van de Staat in de op hem rustende positieve verplichtingen op collectief niveau sprake is van een acute bedreiging van het recht op leven van de inwoners van Bonaire201 als bedoeld in artikel 2 EVRM. Dit oordeel berust op de volgende overwegingen.

11.3.1.

De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat klimaatverandering voor bepaalde groepen in de Caribische regio nu al een verhoogd risico op ziekte en sterfte meebrengt;202 de Staat heeft dit ook niet betwist.

11.3.2.

Zowel artikel 2 als artikel 8 EVRM biedt burgers bescherming tegen gevaren die hun leven bedreigen. Het verschil tussen de bepalingen is dat de bescherming van artikel 2 EVRM ziet op acute bedreigingen voor het leven van burgers, terwijl andere bedreigingen voor hun leven, levensverwachting en/of gezondheid onder de bescherming van artikel 8 EVRM vallen (zie hiervoor in 10.28.2, 10.30 en 10.31).

11.3.3.

Greenpeace stelt dat de inwoners van Bonaire al jarenlang op allerlei manieren een steeds groter wordende impact van klimaatverandering ervaren op hun leven, welzijn en leefomgeving. Ook stelt zij dat de bevolking van Bonaire door sociaaleconomische

omstandigheden minder goed (dan de bevolking van Europees Nederland) in staat is om zichzelf te beschermen.

Greenpeace heeft echter niet toegelicht dat en hoe de inwoners van Bonaire op collectief niveau zo intens worden blootgesteld aan schadelijke effecten van klimaatverandering dat acuut levensbedreigende situaties ontstaan.203

Hoewel het zeer ernstig is dat over vijfentwintig jaar aanzienlijke delen van het eiland zeer waarschijnlijk onder water zullen lopen, is dit geen acuut levensbedreigende situatie voor ‘de inwoners van Bonaire’ in het algemeen. De gevolgen voor burgers zullen verschillen al naar gelang de plek op het eiland waar zij wonen; of zij jong of oud zijn, arm of rijk, en of zij gezond zijn of onderliggende aandoeningen hebben. Ook hangen (de aard, ernst en omvang van) de gevolgen af van de adaptatiemaatregelen die de komende jaren nog genomen zullen worden.

Ten aanzien van de snel opgelopen jaargemiddelde temperatuur – die met 28,5 °C inderdaad al erg hoog is – geldt in deze collectieve procedure hetzelfde.

11.3.4.

De stellingen van Greenpeace – onder meer over het onder water lopen van grote delen van het eiland en de snel opgelopen jaargemiddelde temperatuur – zijn wel voldoende voor het aannemen van een mogelijke schending van artikel 8 EVRM. Deze stellingen zijn door de Staat niet betwist en de gestelde situaties vormen – in variërende mate – een bedreiging voor het leven, de gezondheid, het welzijn en/of de kwaliteit van leven van de inwoners van Bonaire. De rechtbank zal de vorderingen van Greenpeace daarom aan artikel 8 EVRM toetsen.

c. Overall-toetsing van alle door de bevoegde autoriteiten genomen maatregelen

11.4.

Bij de beoordeling van de vraag of een lidstaat tegenover een burger aan zijn positieve verplichtingen onder het EVRM heeft voldaan, moet de rechter acht slaan op het geheel van alle maatregelen die door de bevoegde autoriteiten zijn genomen.204 Hoe een lidstaat de bevoegdheden en verantwoordelijkheden intern heeft verdeeld om aan zijn verplichtingen te voldoen, doet niet ter zake: dat wordt niet gedicteerd door het EVRM205 en wordt evenmin geregeld door de Overeenkomst van Parijs.206

De keerzijde van deze ruime beleidsvrijheid is dat lidstaten geen beroep kunnen doen op (de beperkingen van) hun interne staatsinrichting om zich tegen klachten over schending van het EVRM te verweren.