Zorgverlener mag zorgovereenkomst niet opzeggen; cliënt hoeft zorgwoning niet te verlaten
Rb. Midden-Nederland 3 juni 2026, LS&R 2420; ECLI:NL:RBMNE:2026:3069 ([eisende partij] tegen [gedaagde partij]). In deze zaak tussen een zorgverlener en een cliënt staat de beëindiging van een zorgovereenkomst en de daaraan gekoppelde huur van een zorgwoning centraal. De zorgverlener vordert ontruiming van de woning en betaling van een huurachterstand van ruim zeven duizend euro. De kantonrechter kwalificeert de zorgovereenkomst niet als een geneeskundige behandelingsovereenkomst, maar als een gewone overeenkomst van opdracht. De begeleiding was gericht op onder meer gedragsregulering, sociale contacten, zelfstandigheid, persoonlijke verzorging en medicatiegebruik. Omdat de zorg- en huurovereenkomst aan elkaar waren gekoppeld en het zorgelement overheerste, zou een rechtsgeldige beëindiging van de zorgovereenkomst in beginsel ook tot beëindiging van het woonrecht kunnen leiden.