Gepubliceerd op dinsdag 31 maart 2026
LS&R 2366
Rechtbank Noord-Holland ||
28 jan 2026
Rechtbank Noord-Holland 28 jan 2026, LS&R 2366; ECLI:NL:RBNHO:2026:629 (verzoekers tegen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Opmeer), https://lsenr.nl/artikelen/geen-handhaving-tegen-niet-permanente-bollenteelt-binnen-250-meter-van-woningen

Geen handhaving tegen niet‑permanente bollenteelt binnen 250 meter van woningen

Rb Noord-Holland 28 januari 2026, LS&R 2366; ECLI:NL:RBNHO:2026:629 (verzoekers tegen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Opmeer). De bewoners van twee woningen in de gemeente Opmeer hebben het college verzocht handhavend op te treden tegen alle vormen van tuinbouw, waaronder bollenteelt, binnen 250 meter van hun percelen, specifiek op drie omliggende agrarische percelen. Zij stellen dat bollenteelt en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, waaronder PFAS-pesticiden, in strijd zijn met het bestemmingsplan “Landelijk gebied Opmeer 2014” en met de gebiedsaanduiding “overige zone weidevogelgebied”, en dat dit hun gezondheid, die van hun dieren en de natuur aantast. Het college wees het handhavingsverzoek af, omdat bij controle geen overtreding was geconstateerd en omdat volgens het bestemmingsplan niet‑permanente bollenteelt op deze agrarische gronden is toegestaan. Het college schreef de eigenaren van de omliggende percelen wel aan dat permanente bollenteelt niet is toegestaan. Verzoekers maakten bezwaar en vroegen in afwachting daarvan om een voorlopige voorziening, zodat de bollenteelt en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de nabijheid van hun woningen voorlopig zouden worden stilgelegd.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat de Omgevingswet van toepassing is, maar dat het oude bestemmingsplan als tijdelijk deel van het omgevingsplan geldt en het toetsingskader vormt. Zij oordeelt voorlopig dat bollenteelt in dit plan onder akkerbouw valt, gelet op de zinsnede “niet zijnde permanente bollenteelt” in de bestemmingsregeling voor akkerbouw en het ontbreken daarvan in de tuinbouwbepaling, en dat hier sprake is van niet‑permanente, “reizende” bollenteelt die planologisch is toegestaan. De gebiedsaanduiding “overige zone weidevogelgebied” beperkt de agrarische gebruiksmogelijkheden niet, omdat de gronden “tevens” aan weidevogelinstandhouding moeten dienen, maar de primaire bestemming Agrarisch onaangetast blijft. De rechter erkent dat verzoekers grote zorgen hebben over blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen en wijst op rechtspraak van de Afdeling over spuitafstanden (waarbij 50 meter vaak als redelijke afstand wordt gezien), maar benadrukt dat het bestemmingsplan onherroepelijk is, dat niet‑permanente bollenteelt in het gebied in beginsel overal is toegestaan en dat de afstanden hier (grotendeels) meer dan 50 meter bedragen. Omdat geen sprake is van strijd met het bestemmingsplan en dus geen overtreding, acht de voorzieningenrechter het bestreden besluit rechtmatig en weegt het belang van het college bij instandlating zwaarder dan het belang van verzoekers bij onmiddellijke handhaving, waardoor het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.

6.3. Omdat op grond van artikel 3, aanhef en onder a, van het bestemmingsplan niet-permanente bollenteelt is toegestaan op gronden met de bestemming ‘Agrarisch’ en de gebiedsaanduiding ‘overige zone – weidevogelgebied’ dit gebruik niet beperkt, komt de voorzieningenrechter tot het voorlopige oordeel dat in dit geval geen sprake is van strijd met het bestemmingsplan en dat daarom ook geen sprake is van een overtreding.

7.3. De voorzieningenrechter vindt het heel begrijpelijk dat verzoekers moeite hebben met het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de nabijheid van hun woningen en tuinen. Het college begrijpt dit ook, en heeft ter zitting uitgelegd dat hij bezig is met de voorbereiding van een omgevingsvisie en dat dit de plek is om dergelijke zorgen te bespreken. Hij raadt verzoekers aan gebruik te maken van hun recht op inspraak. Hierbij merkt de voorzieningenrechter op dat verzoekers in deze procedure geen feiten naar voren hebben gebracht waaruit valt af te leiden dat de situatie rondom hun percelen in strijd is met voornoemde rechtspraak, nog daargelaten dat deze rechtspraak ziet op het vaststellen van een bestemmingsplan, terwijl het onderhavige bestemmingsplan onherroepelijk is.

De precieze afstanden, waarbij de tuin ook een rol kan spelen, zijn door verzoekers niet in kaart gebracht. Wel is ter zitting besproken dat de afstand van de woningen van verzoekers tot de percelen Opmeer [perceelnummer 1] en Opmeer [perceelnummer 2] ruim meer is dan 50 meter en dat de afstand tot perceel Opmeer [perceelnummer 3] voor het overgrootste deel meer is dan 50 meter.

7.4. Gelet op het vorenstaande heeft de voorzieningenrechter geen twijfel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit en ziet zij in dat licht geen aanleiding om tot het oordeel te komen dat de belangen van verzoekers om tot handhaving over te gaan zwaarder wegen dan de belangen van het college bij het in stand laten van het bestreden besluit.