Gepubliceerd op maandag 30 maart 2026
LS&R 2361
Hof Arnhem-Leeuwarden ||
17 mrt 2026
Hof Arnhem-Leeuwarden 17 mrt 2026, LS&R 2361; ECLI:NL:GHARL:2026:1623 (De Limieten tegen [geïntimeerden] c.s.), https://lsenr.nl/artikelen/hof-onderscheidt-tussen-levering-en-aanplant-kwekerij-alleen-aansprakelijk-voor-bomen-die-zij-zelf-heeft-geplant

Hof onderscheidt tussen levering en aanplant: kwekerij alleen aansprakelijk voor bomen die zij zelf heeft geplant

Hof Arnhem-Leeuwarden 17 maart 2026, LS&R 2361; ECLI:NL:GHARL:2026:1623 (De Limieten tegen [geïntimeerden] c.s.). In dit hoger beroep gaat het om een geschil tussen een kwekerij en de eigenaren van een particulier landgoed over volwassen bomen die in verschillende fases zijn geleverd en deels ook door de kwekerij zelf zijn geplant. Een aantal bomen is doodgegaan doordat zij in te natte grond stonden. Het hof oordeelt eerst dat de algemene voorwaarden van de kwekerij niet van toepassing zijn, omdat in de relevante orderbevestigingen voor bos 2 en bos 3 geen duidelijke verwijzing naar die voorwaarden stond; een latere verwijzing op facturen is daarvoor niet genoeg. Vervolgens maakt het hof een duidelijk onderscheid tussen bos 2 en bos 3. Voor bos 2 geldt dat de kwekerij de bomen niet alleen leverde, maar ook zelf plantte. Daarom is sprake van een gemengde overeenkomst van consumentenkoop en aanneming van werk. Uit deskundigenonderzoek blijkt dat op ongeveer 55 cm diepte een storende kleilaag aanwezig was, waardoor de grote wortelkluiten van de zeven beuken en de tulpenboom deels in een slecht doorlatende laag terechtkwamen en in feite in een soort “badkuip” kwamen te staan. Het hof oordeelt dat de kwekerij daardoor is tekortgeschoten in haar verplichting om geschikte bomen op een geschikte manier te planten. Zij had de eigenaren bovendien uitdrukkelijk moeten waarschuwen voor de ongeschiktheid van de standplaats en voor de noodzaak van aanvullende maatregelen, zoals drainage of aanplant op een terp; die waarschuwingsplicht baseert het hof op art. 7:754 BW. Daarom blijft de partiële ontbinding voor de zeven beuken en de tulpenboom in stand, net als de toegewezen terugbetaling van € 38.350 en de aanvullende schadevergoeding van € 9.000. De extra vordering over de haagbeuk wijst het hof af, omdat niet is gebleken dat die boom daadwerkelijk was afgestorven.

Voor bos 3 komt het hof tot een andere uitkomst. Daar trad de kwekerij alleen op als leverancier; het planten van de fruitbomen is gedaan door het eigen hoveniersbedrijf van de landgoedeigenaren. Volgens het hof rustte op de kwekerij in die situatie niet de plicht om zelfstandig bodemonderzoek te laten verrichten naar de geschiktheid van de standplaats. Zij moest wel, als daarom werd gevraagd, naar beste weten adviseren, maar het hof vindt niet bewezen dat zij bijzondere kennis had van de bodemgesteldheid van bos 3 of dat de geleverde bomen op zichzelf ondeugdelijk waren. Uit de deskundigenrapporten volgt juist dat het probleem vooral zat in de standplaats en de wijze van planten: de fruitbomen hadden op terpen of ruggen boven de storende kleilaag moeten worden geplant, eventueel met drainage. Omdat de kwekerij zich niet met dat planten heeft bemoeid, is zij voor het afsterven van de bomen in bos 3 niet aansprakelijk. Het hof vernietigt daarom de vonnissen van de rechtbank, behalve de beslissingen onder 4.1 en 4.5 van het eindvonnis, die het bekrachtigt. Na verrekening van de aanspraken over bos 2 met de nog openstaande factuur van € 60.250 moeten de landgoedeigenaren per saldo nog € 12.900 aan de kwekerij betalen, plus de gewone wettelijke rente vanaf 2 april 2021 en € 904 aan buitengerechtelijke incassokosten. Daarnaast worden zij in het incidenteel hoger beroep veroordeeld tot betaling van € 1.670 aan salaris advocaat, met wettelijke rente als niet binnen veertien dagen wordt betaald. Voor het overige draagt iedere partij haar eigen kosten.

5.12

Het hof oordeelt dat, ook als ervan wordt uitgegaan dat aan de bomen bij levering niets mankeerde, De Limieten tekort is geschoten in haar verplichting om voor de afgesproken standplaats geschikte bomen te planten door bomen met een dergelijke grote kluit deels in een storende kleilaag te plaatsen. Dat [geïntimeerden] c.s. zo groot mogelijke bomen wilden ontslaat De Limieten niet van haar verantwoordelijkheid. Zij had bij het planten van de beukenbomen en het aantreffen van de storende kleilaag [geïntimeerden] c.s. expliciet moeten waarschuwen dat deze bomen het op die plek heel moeilijk zouden krijgen en dat aanvullende maatregelen (zoals het aanbrengen van drainage en het op een ‘terp’ planten van de bomen) noodzakelijk waren. Die waarschuwingsplicht volgt uit artikel 7:754 BW. Dat heeft zij niet gedaan.

5.13

Deze tekortkoming van De Limieten is voldoende voor de partiële ontbinding van de overeenkomst voor bos 2. Het verweer van De Limieten c.s. dat de dood van de bomen (mede) het gevolg zou zijn van eigen handelen van [geïntimeerden] c.s. dan wel handelen van derden in hun opdracht, gaat niet op. [naam2] heeft, in opdracht van [geïntimeerden] c.s. , de bomen in de zomer beregend. Ter zitting bij het hof heeft De Limieten erkend dat [naam2] dit in overleg met De Limieten heeft gedaan en dat [naam2] zich aan de instructies van de Limieten heeft gehouden, zodat, als het beregeningswater in ‘de badkuip’ is blijven staan, dit aan De Limieten moeten worden toegerekend. De Limieten heeft bij het planten geen drainage aangelegd of geadviseerd. Zij heeft ook later niet aangeboden op haar kosten alsnog drainage in bos 2 aan te leggen, nog daargelaten dat niet vaststaat dat met het later (nadat de schade als gevolg van de wortelrot zichtbaar was geworden) aanleggen van drainage de beukenbomen nog hadden kunnen worden gered. Evenmin staat vast dat in bos 2 daadwerkelijk sprake is geweest van een hogere grondwaterstand als gevolg van het afwijkende peilbesluit voor het landgoed. De passages in het rapport van [naam7] -V over de hoogste grondwaterstand bieden daar geen aanknopingspunt voor. Het rapport [naam8] -II noemt dit alleen als mogelijkheid, maar geeft daarvoor geen redenen. Bovendien heeft [naam6] bij de rechtbank verklaard dat bos 2 hoger lag dan bos 3, wat maakt dat een eventueel hoger peil in de sloten bij bos 3 – wat [geïntimeerden] c.s. overigens hebben betwist – niet betekent dat ook bij bos 2 sprake was van een gelijke verhoging van het feitelijke peil in de sloten.

5.14

Het hof oordeelt dan ook dat wat De Limieten op dat punt nog heeft aangevoerd niet betekent dat haar vaststaande tekortkoming van zodanig geringe betekenis is dat deze de gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst voor bos 2 niet rechtvaardigt. De tekortkoming kan aan De Limieten worden toegerekend en ook de door de rechtbank toegewezen aanvullende schade (herplantkosten) staat in causaal verband tot deze tekortkoming. De hoogte van die schadevergoeding is verder in hoger beroep niet aangevochten evenmin als de hoogte van de koopprijs die de rechtbank in aanmerking heeft genomen bij de gedeeltelijke ontbinding en de daaruit voortvloeiende ongedaanmakingsverplichting.