Gepubliceerd op donderdag 9 april 2026
LS&R 2375
Hof Arnhem-Leeuwarden ||
31 mrt 2026
Hof Arnhem-Leeuwarden 31 mrt 2026, LS&R 2375; ECLI:NL:GHARL:2026:1943 (ONVZ tegen de hulpmiddelenaanbieders), https://lsenr.nl/artikelen/hof-laat-contracteervrijheid-van-onvz-voorgaan-in-kort-geding-over-tarieven-voor-luchtweghulpmiddelen

Hof laat contracteervrijheid van ONVZ voorgaan in kort geding over tarieven voor luchtweghulpmiddelen

Hof Arnhem-Leeuwarden 31 maart 2026, LS&R 2375; ECLI:NL:GHARL:2026:1943 (ONVZ tegen de hulpmiddelenaanbieders). In dit kort geding in hoger beroep staat centraal of ONVZ gehouden is de contracttarieven 2025 voor aanbieders van hulpmiddelen voor luchtwegaandoeningen aan te passen. De hulpmiddelenaanbieders, Westfalen, Mediq, Vivisol, VitalAire en Total Care, stelden dat de door ONVZ voor 2025 eenzijdig aangeboden tarieven, die ten opzichte van 2024 voor de meeste contracten waren verlaagd en niet waren geïndexeerd, niet reëel en niet kostendekkend waren. Zij baseerden hun vorderingen op drie grondslagen: schending van NZa-regelgeving en de Gedragscode Goed Zorgverzekeraarschap, schending van de zorgplicht van art. 11 Zvw, en strijd met redelijkheid en billijkheid wegens hun gestelde afhankelijkheid van ONVZ. Het hof verwerpt deze grondslagen. Ook als ONVZ in strijd zou hebben gehandeld met NZa-regels over transparantie of met de Gedragscode, kan dat volgens het hof niet leiden tot rechterlijke aanpassing van de inhoud van de reeds gesloten contracten, omdat die normen zien op de totstandkoming van contracten en niet op de concrete tariefinhoud. Ook is voorshands niet aannemelijk geworden dat ONVZ met de tarieven 2025 haar zorgplicht uit art. 11 Zvw schendt. Wel erkent het hof dat ook zorgaanbieders in zoverre rechten aan art. 11 Zvw kunnen ontlenen dat zorgverzekeraars geen beleid mogen voeren waardoor de Zvw-zorg waarop aanspraak bestaat wordt beperkt, maar in dit kort geding is niet aannemelijk geworden dat de tarieven 2025 niet kostendekkend zijn of dat een “race to the bottom” ontstaat die de toekomstbestendigheid van het zorgstelsel aantast. Daarbij weegt het hof ook mee dat naast gecontracteerde zorg de mogelijkheid van niet-gecontracteerde zorg blijft bestaan, onder het hinderpaalcriterium van art. 13 Zvw.

Ook het beroep op afhankelijkheid van ONVZ en op misbruik van een economische machtspositie faalt. Volgens het hof is voorshands niet aannemelijk geworden dat de hulpmiddelenaanbieders van ONVZ afhankelijk zijn: ONVZ heeft een relatief gering marktaandeel, partijen sluiten jaarlijks nieuwe contracten zodat geen sprake is van een klassieke duurrelatie, alleen voor 2025 ontbrak onderhandelingsruimte terwijl voor 2026 weer wél is onderhandeld, en niet is aannemelijk geworden dat levering zonder contract feitelijk onmogelijk is. Eventuele feitelijke obstakels bij verwijzers of rond de zogenoemde “installed base” komen volgens het hof niet voor rekening van ONVZ. Omdat afhankelijkheid niet aannemelijk is, staat de contracteervrijheid van ONVZ voorop en rust op haar in dit geval geen plicht om kostendekkende tarieven overeen te komen. Evenmin is voldoende onderbouwd dat ONVZ, ondanks haar beperkte marktaandeel, een economische machtspositie heeft of daarvan misbruik maakt in de zin van art. 24 Mededingingswet. De belangenafweging leidt niet tot een ander oordeel, mede omdat het contractjaar 2025 inmiddels voorbij is en niet is gebleken dat de aanbieders acuut in hun voortbestaan worden bedreigd. Ook de in incidenteel appel ingestelde vordering om de beperking in het CPAP-contract voor patiënten met een AHI van 5-15 te schrappen wordt afgewezen: het door ONVZ gehanteerde toestemmingsvereiste is voorshands niet in strijd met de Zvw en er is niet gebleken van concrete weigeringen van toestemming. Het principaal hoger beroep van ONVZ slaagt daarom grotendeels, het incidenteel hoger beroep van de hulpmiddelenaanbieders faalt, en het hof vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter grotendeels; alleen de onderdelen 4.4 en 4.9 van het dictum blijven in stand, waaronder het verbod om het Gupta-onderzoek als grondslag voor tariefbepaling te gebruiken.

Deelconclusie met betrekking tot A, B en C

4.16

Uit het voorgaande volgt dat onrechtmatig handelen door ONVZ jegens de hulpmiddelenaanbieders niet aannemelijk is geworden. Dat brengt mee dat voorshands niet aannemelijk is geworden dat de kortingen ten opzichte van 2024 in het contract over 2025 naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn en dienen te worden geschrapt om (op grond van de aanvullende werking van artikel 6:248 lid 1 BW) te worden geïndexeerd met [percentage5] (zoals na vermeerdering van eis in hoger beroep is gevorderd). Evenmin is aannemelijk gemaakt dat -voor zover de hulpmiddelenaanbieders zich op die grondslag hebben willen beroepen- er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 6:258 BW.

Misbruik?

4.17

Voor zover de hulpmiddelenaanbieders hebben willen stellen dat ONVZ - los van het voorgaande - misbruik maakt van haar (economische) machtspositie geldt het volgende.

ONVZ heeft zich hiertegen verweerd onder meer door te wijzen op haar geringe marktaandeel van [percentage4] .

4.18

Het hof is voorshands van oordeel is dat de hulpmiddelenaanbieders in het licht van het arrest ANVR/IATA8onvoldoende heeft toegelicht waarom het tarief 2025 in dit geval leidt tot misbruik op de relevante markt, zoals bedoeld in artikel 24 Mededingingswet. Daar komt bij dat gezien het marktaandeel van ONVZ (waarvan beide partijen uitgaan dat het [percentage4] is) het op de weg van de hulpmiddelenaanbieders had geleden feiten en omstandigheden aan te dragen op grond waarvan aannemelijk zou zijn dat ondanks dit (zeer) geringe marktaandeel er toch sprake is van een machtspositie van ONVZ. Dat hebben zij niet gedaan.

Belangenafweging

4.19

De door de hulpmiddelenaanbieders benoemde grondslagen bieden geen ruimte om het gevorderde toe te wijzen. Een belangenafweging leidt in dit geval niet tot een andere uitkomst. Allereerst omdat het contractjaar 2025, waarop de vorderingen zien, inmiddels is afgesloten. Weliswaar bestaat de mogelijkheid dat de tarieven over 2025 doorwerken in (de onderhandelingen over) de tarieven over 2026 en verder, maar daartegen hebben de hulpmiddelenaanbieders in een voorliggend geval rechtsmiddelen tot hun beschikking. Dat de impact van de tarieven 2025 mogelijk (veel) groter wordt omdat per 1 januari 2027 ONVZ haar verzekerden overdraagt aan VGZ is een omstandigheid waarmee in dit kort geding geen rekening kan worden gehouden, nu dat in de toekomst ligt.

Tenslotte is tijdens de mondelinge behandeling bij het hof gebleken dat geen van de hulpmiddelenaanbieders het water zo aan de lippen staat, dat hun bedrijven in hun voortbestaan worden bedreigd of het aanbieden van deze hulpmiddelen direct in gevaar komt en zij de uitkomst van een bodemprocedure daarvoor niet zouden kunnen afwachten. Tegen deze achtergrond leidt een belangenafweging daarom niet tot een noodzaak om (ordenend) in te grijpen.