Gezondheidszorg  

LS&R 816

CBP adviseert over verwerking persoonsgegevens bij uitvoering van de Wet langdurige intensieve zorg

CBP, CBP adviseert over verwerking persoonsgegevens bij uitvoering van de Wet langdurige intensieve zorg, CBPweb.nl 9 december 2013
Uit de mededeling: Het College bescherming persoonsgegevens (CBP) heeft geadviseerd over het wetsvoorstel Langdurige intensieve zorg (LIZ). Dit voorstel maakt onderdeel uit van een groot wetgevingscomplex, waarvan de kern de decentralisatie van taken naar gemeenten is. Het CBP heeft bezwaar tegen het wetsvoorstel en adviseert het niet in de huidige vorm in te dienen.

Het kabinet heeft besloten tot fundamentele hervorming van de langdurige zorg. Het CBP heeft in dat verband eerder ook geadviseerd over de voorstellen voor de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) en de Jeugdwet. De voorstellen leveren een aanzienlijke wijziging op van taken en verantwoordelijkheden van diverse instanties. Gelet hierop heeft het CBP al opgemerkt dat het noodzakelijk is om tot een meer overkoepelende en onderbouwde visie op de verwerking van persoonsgegevens te komen. Transparantie over de verwerking van persoonsgegevens is hierbij een belangrijk aandachtspunt.

Visie op verwerking persoonsgegevens
Het CBP constateert dat ook in het wetsvoorstel LIZ zo'n onderbouwde visie op de verwerking van persoonsgegevens niet aanwezig is. Het CBP adviseert daarom te voorzien in een grondige beschouwing over de verwerking van persoonsgegevens in de nieuwe situatie zoals beschreven in het wetsvoorstel LIZ. Deze verwerking moet ook in samenhang worden bekeken met de veranderingen vanuit de wetsvoorstellen Wmo 2015 en Jeugdwet, die aanleiding kunnen geven tot gegevensuitwisseling bij het afstemmen van de uitvoering van die wetten.

Specificatie gegevensverwerking
Het CBP acht het daarbij van belang dat het wetsvoorstel LIZ voldoende specificeert over welke gegevens instanties mogen beschikken voor welke taak en welke gegevens ze daarbij aan elkaar moeten verstrekken. Het CBP adviseert ook in het wetsvoorstel LIZ een wettelijke verplichting op te nemen voor het door derden verstrekken van gegevens die noodzakelijk zijn voor de zogeheten indicatiestelling. Toestemming kan hiervoor namelijk niet als grondslag dienen, omdat de mensen om wie het gaat bij dit soort gegevens feitelijk niet in vrijheid toestemming kunnen geven.

Lees het volledige wetgevingsadvies

Lees ook het CBP-advies over het voorstel Wmo 2015

Lees ook het CBP-advies over het voorstel Jeugdwet

LS&R 812

Maandoverzicht Tuchtrecht januari 2014

De redactie beperkt zich tot enkel de gewezen tuchtrecht uitspraken waarin een klacht wordt toegewezen en is voornemens dit eens per maand te publiceren [deze maand 24 stuks]. De redactie staat open voor uw suggesties voor afwijkingen: redactie@lsenr.nl.

ECLI:NL:TGZREIN:2013:55 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven 1388
Klager verwijt verweerder, huisarts, dat hij zonder toestemming van klager medische informatie van klager aan derden heeft verstrekt. Klacht gegrond, waarschuwing.

ECLI:NL:TGZREIN:2013:54 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven 1348

Klaagster verwijt verweerster, huisarts, dat zij klaagster hulp heeft ontzegd naar aanleiding van klaagsters signalering van huiselijk geweld, niet objectief heeft gehandeld, een onzorgvuldige diagnose bij een andere hulpverlener heeft geforceerd en deze diagnose zonder toestemming heeft opgevraagd en aan klaagsters dossier heeft toegevoegd. Klacht deels niet-ontvankelijk, deels ongegrond.

ECLI:NL:TGZCTG:2013:155 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2013.131
Klacht tegen huisarts. Klagers verwijten de huisarts onder meer dat hij patiënt, de overleden vader van klagers, onvoldoende medische zorg heeft verleend en patiënt ondanks dringend verzoek niet in het ziekenhuis heeft laten opnemen. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart de klacht gegrond en berispt de huisarts.Hoger beroep huisarts. Centraal Tuchtcollege vernietigt de beslissing gedeeltelijk en legt de huisarts de maatregel van waarschuwing op.

ECLI:NL:TGZCTG:2013:154 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2013.123

Klacht tegen huisarts. Klager verwijt de huisarts onzorgvuldigheid als gevolg van het niet functioneren van zijn praktijk en onzorgvuldigheid in het beroepsmatig handelen, omdat het klager veel moeite heeft gekost de huisarts ertoe te bewegen langs te komen en de huisarts onvoldoende haast heeft betracht bij het bezoeken van patiënte (de overleden echtgenote van klager), doordat hij de ernst van de situatie onderschatte. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart de klacht gedeeltelijk gegrond en legt een waarschuwing op.Hoger beroep huisarts gegrond, klachtonderdelen alsnog ongegrond verklaard

ECLI:NL:TGZCTG:2013:153 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2013.090

Klacht tegen huisarts. Klaagster verwijt de huisarts dat zij door het stellen van een verkeerde diagnose patiënt, de overleden echtgenoot van klaagster, geen enkele kans heeft geboden op het overleven van een SAB. Het Regionaal Tuchtcollege wijst de klacht af.Hoger beroep klaagster. Naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege valt het de huisarts in tuchtrechtelijke zin aan te rekenen dat zij de gedachte aan de mogelijkheid van een SAB heeft verlaten; zij had deze levensbedreigende aandoening eerst moeten uitsluiten alvorens de diagnose clusterhoofdpijn te stellen. Waarschuwing.

ECLI:NL:TGZREIN:2014:5 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven 13192
Arts wordt verweten de professionele grenzen ernstig overschreden te hebben doordat hij kinderpornografisch materiaal heeft verworven, in bezit heeft gehad en heeft bekeken.Doorhaling van de inschrijving en publicatie. Onmiddellijke schorsing van de inschrijving als voorlopige voorziening.

ECLI:NL:TGZREIN:2014:3 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven 13118a
Huisarts wordt verweten dat zij het niet nodig vond om een visite aan klaagster af te leggen toen klaagster herhaaldelijk contact met de HAP opnam vanwege ernstige klachten. Nadat klaagster toch zelf de HAP had bezocht, is zij door verweerster geadviseerd te wachten en contact op te nemen met haar eigen huisarts. Waarschuwing. 

ECLI:NL:TGZREIN:2014:8 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven 12222

Klager verwijt verweerder dat hij een verkeerde diagnose heeft gesteld en een te zware behandeling heeft toegepast. Verder weigert verweerder medische gegevens op te sturen. Bij de tweede behandeling ging het veel beter; daarover heeft klager geen klachten.

ECLI:NL:TGZREIN:2014:7 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven 1356a
De klacht betreft het onder verantwoordelijkheid van verweerder doen rapporteren van apert onjuiste feiten.

ECLI:NL:TGZRZWO:2014:7 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 170/2012

 Klacht tegen internist. Patiënte heeft aanhoudende drukpijn en gynaecoloog kon hier geen verklaring voor geven. Zij wordt door huisarts doorverwezen naar verweerder. Het college is van dat van verweerder,  mede gelet op de voorgeschiedenis van patiënte ( twee maal carcinoom),  verwacht had mogen worden dat hij nader onderzoek zou doen.Klacht gegrond. Waarschuwing.

ECLI:NL:TGZRZWO:2014:2 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 020 t/m 024/2013
Klacht tegen verpleegkundige, voorzitter van de Raad van Bestuur van het ziekenhuis waar een disfunctionerende, aan medicijnen verslaafde neuroloog werkzaam was. Het klachtonderdeel dat erop ziet dat verweerder aan de IGZ heeft laten weten dat er geen sprake was van onverantwoorde zorg is gegrond. Berisping.

ECLI:NL:TGZREIN:2014:13 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven 1339a
Klaagster verwijt verweerder dat hij:
a. Onvoldoende informatie heeft gegeven voorafgaande aan de OMG-behandelingen;
b. Niet medisch geïndiceerde OMG behandelingen is gestart;
c. Het medisch dossier achteraf zodanig heeft gemanipuleerd dat hij deze behandelingen toch medisch geïndiceerd kon verantwoorden;
d. De behandelingen niet op de juiste wijze heeft verricht, volgens het Beroepsprofiel arts OrthoManuele geneeskunde;
e. Tijdens de behandelrelatie een liefdesrelatie met haar is aangegaan die resulteerde in seks met haar;
f. Hij in zijn rol als huisarts en OMG-arts misbruik heeft gemaakt van zijn behandelpositie en onbeschaamd gebruik heeft gemaakt van haar kwetsbaarheid en afhankelijkheidspositie ten opzichte van hem.

ECLI:NL:TGZREIN:2014:12 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven 1378

Verweerder heeft, zonder klaagsters toestemming, informatie verstrekt aan de Raad voor de Kinderbescherming. Daarover heeft klaagster verweerder aangesproken die zich daarvoor heeft verontschuldigd. Een jaar later heeft verweerder weer zonder toestemming van klaagster informatie gegeven, dit keer aan het AMK. Hij heeft daarbij niet over medische zaken gesproken betreffende de zoon van klaagster, maar hij heeft persoonlijke uitlatingen over klaagster gedaan. Daarna heeft verweerder in een gesprek aangegeven niets voor klaagster en de kinderen te willen doen. Na drie of vier minuten is klaagster de praktijk uitgezet. Verweerder heeft klaagster onbeschoft behandeld. Verweerder heeft altijd de ex-partner van klaagster gesteund en heeft haar en de kinderen nooit de zorg gegeven die zij als slachtoffers nodig hadden. Hij heeft zelfs de ex-partner aangemoedigd om een rechtszaak tegen klaagster te starten.Verweerder heeft zijn persoonlijke vete jegens klaagster misbruikt om haar en haar kinderen schade te berokkenen. Hij heeft klaagster en haar gezin ernstige schade berokkend.

ECLI:NL:TGZRSGR:2014:9 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2012-182c
Klacht ouders baby tegen verpleegkundige. Interpretatiefout bij toediening medicatie. Klacht gegrond. Berisping. Klachten over onderbezetting afdeling, structurele tekortkoming en bejegening afgewezen. Behandeling klacht over alcohollucht na eerdere intrekking en latere handhaving gestaakt.

ECLI:NL:TGZRSGR:2014:10 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2012-182d
Klacht ouders baby tegen verpleegkundige. Interpretatiefout bij controle toediening medicatie door collega. Klacht gegrond. Berisping. Klachten over onderbezetting afdeling en  structurele tekortkoming afgewezen. Behandeling klacht over bejegening na intrekking gestaakt.

ECLI:NL:TGZRAMS:2014:5 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam 2013/223
Klager is de vader van een minderjarige dochter. Klager verwijt de kinderuroloog onzorgvuldig te hebben gehandeld door zonder zijn medeweten en toestemming zijn dochter lichamelijk te onderzoeken op sporen van vermeende ontucht naar aanleiding van een verzoek daartoe van klagers ex- echtgenote. Waarschuwing.

ECLI:NL:TGZREIN:2014:15 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven 13180a
Klager verwijt de cardioloog dat hij hem niet voorafgaand aan de toediening van het medicijn amiodarone de wezenlijke informatie heeft gegeven over de aan het voorgeschreven medicijngebruik van amiodarone verbonden risico’s zoals fotosensitiviteit. Verweerder heeft klager evenmin geïnformeerd over mogelijke alternatieven voor amiodarone.Waarschuwing.

ECLI:NL:TGZREIN:2014:22 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven 13157
Klaagster, een forensisch psychiatrisch centrum, verwijt een bij haar voormalig werkzame verpleegkundige dathij het beroepsgeheim veelvuldig heeft geschonden en dat hij in strijd met de bij klaagster geldende protocollen heeft gehandeld door:- vertrouwelijke patiëntengegevens te verstrekken aan het Adviespunt Klokkenluiders;- een misstandmelding met daarin vertrouwelijke patiëntengegevens rond te sturen naar in elk geval 18 medewerkers die niet (steevast) rechtstreeks betrokken waren bij de behandeling van die patiënten;- onderdelen uit patiëntdossiers naar zijn e-mailadres weg te sluizen.Waarschuwing. 

ECLI:NL:TGZRSGR:2014:11 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2012-169b
Klager kan zich niet verenigen met de wijze, waarop de psychiater het Pro Justitia rapport tot stand heeft gebracht. Ook verwijt klager de psychiater dat hij klager geen inzage heeft  gegeven in het conceptrapport. Het college is van oordeel dat in het rapport zelf voldoende duidelijk is gemaakt op grond van welke door de rapporteurs individueel gedane bevindingen de aan hen gestelde vragen zijn beantwoord. Ter zake van een gewraakte passage kan niet worden gesproken van vooringenomenheid. Een aantal diagnostische conclusies is evenwel onvoldoende onderbouwd, waarbij in het midden wordt gelaten of de conclusies juist of onjuist zijn. Ten aanzien van het verwijt dat geen inzage is gegeven in het conceptrapport zijn de standpunten verdeeld. Waarschuwing. Kenmerk: onjuist rapport/verklaring

ECLI:NL:TGZREIN:2014:26 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven 1347

Klaagster verwijt verweerder dat hij eenzelfde ziekteoorzaak niet heeft erkend en besluiten heeft genomen met verstrekkende gevolgen zonder daarbij informatie van de behandelende sector af te wachten. Verweerder heeft deze informatie enkel in zijn eigen belang geïnterpreteerd. Feiten in het dossier zijn geïnterpreteerd, gemanipuleerd en genegeerd. Verder rekent klaagster verweerder aan dat hij belastende aantekeningen in het UWV-dossier heeft gemaakt op een moment dat hij in verband met het aangetekende bezwaar reeds niet meer de behandelaar van de casus van klaagster was.

ECLI:NL:TGZRGRO:2014:1 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Groningen 2012-169a
Klager kan zich niet verenigen met de wijze, waarop de arts het Pro Justitia rapport tot stand heeft gebracht. Ook verwijt klager de arts dat hij klager geen inzage heeft  gegeven in het conceptrapport. Het college is van oordeel dat in het rapport zelf voldoende duidelijk is gemaakt op grond van welke door de rapporteurs individueel gedane bevindingen de aan hen gestelde vragen zijn beantwoord. Ter zake van een gewraakte passage kan niet worden gesproken van vooringenomenheid. Een aantal diagnostische conclusies is evenwel onvoldoende onderbouwd, waarbij in het midden wordt gelaten of de conclusies juist of onjuist zijn. Ten aanzien van het verwijt dat geen inzage is gegeven in het conceptrapport zijn de standpunten verdeeld. Waarschuwing.

ECLI:NL:TGZREIN:2014:30 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven 13173
De klacht kan, zoals ter zitting toegelicht,als volgt worden begrepen:
a. Verweerder heeft een onjuiste diagnose (Alzheimer) gesteld.
b. Verweerder heeft ten onrechte klager vijf jaren medicatie voorgeschreven en de diagnose eerst na onderzoek door de universiteit na vijf jaren bijgesteld.
c. Het bijstellen van de diagnose is niet uitgelegd; in het gesprek van 21 januari 2009 heeft verweerder niet gezegd dat hij zijn diagnose bijgesteld had.Klager heeft steeds begrepen dat bij hem de diagnose Alzheimer was gesteld. Klacht deelsgegrond. Waarschuwing.

ECLI:NL:TGZRSGR:2014:13 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2012-139b
Klaagster verwijt de kaakchirurg dat hij klaagster geen informatie heeft verstrekt voorafgaand aan de behandeling (hij sprak Duits), geen gedegen onderzoek heeft verricht en ook geen goede adviezen heeft gegeven over eventuele complicaties na de operatie of enige medicatie meegegeven. Het college oordeelt dat  in de tandheelkundige patiëntenkaart nagenoeg niets is vermeld, hetgeen al een ernstig verwijt aan het adres van de kaakchirurg is. Bovendien is er geen schriftelijke verwijzing aanwezig. De behandelingen zijn tandheelkundig-technisch gezien op zich juist uitgevoerd, maar er is niet gebleken van enig eigen onderzoek en ook de informatievoorziening na de behandeling  was onder de maat. Berisping.

 

LS&R 793

Stichting De Hoop moet onjuist declareren stoppen

Aanwijzing ex artikel 76 WMG 12 december 2013, kenmerk 50447/88069 (Stichting De Hoop)
De NZa constateert dat u onrechtmatig heeft gedeclareerd en onjuist heeft geadministreerd. Dit zijn overtredingen van artikel 35, eerste lid, en artikel 36, eerste lid, Wmg. (...) De NZa geeft u op grond van artikel 76, eerste lid, Wmg een aanwijzing om terstond het verbod van artikel 35, eerste lid onder c en d na te leven. Ook legt de NZa u een aanwijzing op om binnen zes maanden artikel 36, eerste lid, Wmg na te leven. (...) De NZa zal daarom op grond van artikel 81 Wmg de aanwijzing ter openbare kennis brengen, nadat na dagtekening van dit besluit vijf werkdagen zijn verstreken. Dit betekent dat op de website van de NZa en/of in landelijke of plaatselijke media de aanwijzing – met uw naam en toenaam – openbaar wordt gemaakt.

Uit het persbericht: GGZ-instelling De Hoop heeft duurdere zorg gedeclareerd dan zij heeft geleverd. De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) legt De Hoop een aanwijzing op waarin staat dat de instelling moet stoppen met het declareren van zorg die niet is geleverd. Ook moet De Hoop de administratie op orde brengen.

De NZa heeft de administratie van De Hoop onderzocht na aanwijzingen over mogelijk onjuiste declaraties. Uit het onderzoek blijkt dat De Hoop meer en duurdere zorg in rekening heeft gebracht dan zij heeft geleverd. Ook heeft De Hoop behandelingen gedeclareerd die niet door haar zijn uitgevoerd en waarvan niet in alle gevallen duidelijk is óf ze wel zijn uitgevoerd. Zo bracht de instelling in alle gevallen verblijf zonder overnachting in rekening, terwijl de patiënten niet binnen De Hoop verbleven.

De dossiers zijn onvolledig: er staat niet in welke zorg is geleverd, en er ontbreken verslagen en agenda's van de gedeclareerde activiteiten. Bovendien zijn er dossiers aangemaakt door een niet BIG-geregistreerde hoofdbehandelaar.

De NZa heeft in haar toezicht verscherpt aandacht voor de GGZ en kan onderzoek doen naar de administratie van zorgaanbieders. Al dan niet bewust te veel declareren leidt tot hogere zorgkosten, die uiteindelijk door de consument in zijn premie voor de zorgverzekering worden betaald. De NZa kan, als een zorgaanbieder teveel declareert, handhaven en bijvoorbeeld een aanwijzing, een last onder dwangsom en/of een boete opleggen.

LS&R 772

Gedragscode voor teleprojecten op gebied van zorg

Uit het persbericht: A Code of Practice for telehealth services has been launched. The Code, developed by experts of the EU-funded TeleSCoPE project, aims to provide reassurance for the safety and reliability of telehealth services.

The Code of Practice, formally launched 29 October at the European Telemedicine Conference in Edinburgh, provides a benchmark standard against which telehealth service providers could be accredited.

"The Code marks the culmination of extensive work by partners of the EU-funded TeleSCoPE project", says Frederic Lievens, one of the project experts. "It fits well with some of the roadmaps that have been addressed in the European Commission's eHealth Action Plan 2012-2020 that was released last year."

By providing a benchmark standard, the Code has the potential to satisfy the requirements of governments, public and regulatory bodies who are concerned for any services that contribute to meeting people's healthcare and support needs.

More trust
The Code also aims to help give citizens, users and carers confidence and trust in the telehealth services which they may use.

"They might have concerns about the safeguarding of personal information", says Lievens. "But there are also crucial considerations addressed in the Code that relate to service sustainability; the way that services are marketed and that technologies are procured. And the way in which communication takes place with users in both face to face and teleconsultations. Without these, and the other requirements within the Code, there is a risk of an unconstrained market where commercial objectives could over-ride those which are concerned with care and support."

Benchmark for existing services, guide for new services
Telehealth services throughout the EU are now being invited to consider becoming accredited to the Code. This may mean reviewing the way they currently operate and making some adjustments. New services will be able to be guided by the Code and its clauses. Detailed frameworks for assessments and audits will be in place early 2014.

The Code of Practice can be viewed at www.telehealthcode.eu.

For more information or to see if and how your telehealth service can become accredited to this Code, contact Malcolm Fisk (UK) or Frederic Lievens (Belgium).

LS&R 769

Beroep werkgever op verjaring asbestslachtoffers onaanvaardbaar

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 26 november 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:8973 (Aan mesothelioom overleden werknemer)
Tussenarrest. Werkgeversaansprakelijkheid. Erven van aan mesothelioom overleden werknemer stellen werkgever aansprakelijk. Beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar (uitgebreide toetsing aan de door de Hoge Raad in het arrest Hese/De Schelde vermelde gezichtspunten). Smartengeld € 50.000,-. Ontvangen voorschot op grond van de regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers strekt niet in mindering op de door de werkgever verschuldigde schade. De posten "materiële schade" en "overige materiële schade" zijn onvoldoende onderbouwd. De enkele verwijzing naar de normbedragen van het IAS is onvoldoende.

2.19.3
[geïntimeerden] betogen dat [appellant] in aanzienlijke mate verwijtbaar heeft gehandeld jegens [X]. Zij voeren daartoe aan dat [appellant] heeft nagelaten veiligheidsmaatregelen te treffen ter voorkoming van blootstelling van haar werknemers aan asbest, hoewel zij wist, althans behoorde te weten, dat aan deze blootstelling gezondheidsrisico’s waren verbonden. Daarmee hebben [geïntimeerden] niet onderbouwd dat [appellant] een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Voor de aansprakelijkheid van een werkgever op grond van artikel 7:685 BW voor de gevolgen van een blootstelling aan asbest is vereist dat de werkgever heeft nagelaten adequate veiligheidsmaatregelen te treffen ter voorkoming van de blootstelling van zijn werknemers aan asbest. Het enkele feit dat een werkgever aansprakelijk is op grond van artikel 7:685 BW betekent echter niet dat hem per definitie een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Indien dat wel zo zou zijn, zou het gezichtspunt van de verwijtbaarheid bij de werkgeversaansprakelijkheid terzake van de blootstelling aan asbest geen betekenis hebben. Nu [geïntimeerden] geen bijkomende omstandigheden hebben aangevoerd die de conclusie rechtvaardigen dat aan [appellant] een ernstig verwijt kan worden gemaakt, volgt het hof [geïntimeerden] niet in deze stelling. Anderzijds heeft [appellant] ook niets aangevoerd waaruit volgt dat indien [X] aan asbest is blootgesteld haar, [appellant], daarvan slechts een gering verwijt kan worden gemaakt. De slotsom is dat dit gezichtspunt (gezichtspunt c) bij de te maken afweging geen gewicht in de schaal legt in het voor- of nadeel van een van partijen.

2.19.4
Naar het oordeel van het hof diende [appellant] er voor het verstrijken van de verjaringstermijn rekening mee te houden dat zij zou kunnen worden aangesproken voor schade van een werknemer ten gevolge van de blootstelling aan asbest. [geïntimeerden] hebben er terecht op gewezen dat sinds (in elk geval) 1969 het verband tussen asbest en mesothelioom bekend was. In dat jaar promoveerde de bedrijfsarts J. Stumpius op een onderzoek naar de gevaren van het gebruik van asbest als isolatiemateriaal bij scheepswerf De Schelde. Vanaf dat moment – nog tijdens de verjaringstermijn voor de eerste periode van het dienstverband van [X] en nog voordat de tweede periode van het dienstverband een aanvang had genomen - had het de rechtsvoorgangers van [appellant] duidelijk behoren te zijn dat zij aangesproken zou kunnen gaan worden door aan asbest blootgestelde werknemers en had zij mogelijk relevant bewijsmateriaal kunnen vastleggen of bewaren. Dit gezichtspunt (gezichtspunt d) legt aldus gewicht in de schaal in het voordeel van [geïntimeerden]

2.19.5
Het is voorstelbaar dat [appellant], zoals zij stelt, in elk geval ten aanzien van de eerste periode van het dienstverband van [X] niet meer over relevante informatie beschikt om zich tegen de vordering van [geïntimeerden] te verweren. [geïntimeerden] hebben dat ook niet gemotiveerd bestreden. Dat dit ook al in 1969 het geval was, toen zij er rekening mee moest houden te worden aangesproken door aan asbest blootgestelde werknemers, heeft zij niet gesteld. Dat betekent echter niet dat met het in het ongerede raken van bewijsmateriaal geen rekening behoeft te worden gehouden, nu de Hoge Raad in zijn arrest van 26 november 2004 (ECLI:NL:HR:2004:AR3138) heeft overwogen dat gezichtspunt e, dat hier aan de orde is, aldus worden verstaan, dat het zeer in het algemeen de vraag aan de orde stelt of de aangesprokene naar redelijkheid nog de mogelijkheid heeft zich tegen de vordering te verweren en dat daarbij niet van belang is door welke oorzaken bewijsmateriaal verloren is gegaan en of dit aan de aangesprokene valt toe te rekenen. Dit gezichtspunt legt aldus gewicht in de schaal in het voordeel van [appellant], zeker waar het betreft de periode 1957 – 1959.

2.20
De slotsom is dat het beroep van [appellant] op verjaring slaagt voor zover het betrekking heeft op blootstelling aan asbest gedurende de eerste periode van het dienstverband van [X], de jaren 1957 – 1959 bij [bedrijf 2]. Voor wat betreft de tweede periode, de jaren 1974 – 1985, slaagt het beroep indien, wanneer in die periode sprake is geweest van blootstelling, deze blootstelling vanaf 13 juli 1977 was geëindigd. Grief IV in het principaal appel slaagt dan ook gedeeltelijk.
LS&R 766

Tweede evaluatie wet op beroepen in individuele gezondheidszorg

Tweede evaluatie Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg, Bijlage bij Kamerstukken II 29 292, nr. 182.
Wetten worden periodiek geëvalueerd om na te gaan of de doelen die ermee worden beoogd ook werkelijk worden bereikt en of na een aantal jaren de wereld niet zo is veranderd dat aanpassingen noodzakelijk zijn. De evaluaties zoals die onder regie van ZonMw en zijn Commissie evaluatie regelgeving worden uitgevoerd dragen ertoe bij dat wet- en regelgeving gebaseerd is op rationele overwegingen en niet alleen op politieke ideologie.

In de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg worden zaken geregeld zoals titels en de bescherming ervan, opleidingen, de handelingen die ‘voorbehouden’ zijn aan bepaalde professionals en de tuchtrechtspraak. Na een eerste evaluatie van de wet in 2002, was het tijd opnieuw te bezien of de wet nog voldoende doeltreffend en toekomstbestendig is. Een aantal akelige incidenten in de afgelopen jaren vormde een aanleiding tot deze tweede evaluatie.

De commissie die de multidisciplinaire projectgroep heeft begeleid, is van oordeel dat de onderzoekers hun opdracht op voortreffelijke wijze hebben vervuld. Het degelijke werk dat voor u ligt, is daarvan het bewijs. Een woord van dank is op zijn plaats aan de secretaris en de leden van de begeleidingscommissie die met hun kritische commentaar aanzienlijk hebben bijgedragen tot de kwaliteit van het resultaat.

Het rapport mondt uit in een aantal weloverwogen aanbevelingen. Het is te hopen dat de wetgever deze serieus in zijn overwegingen betrekt wanneer de wet wordt herzien.

LS&R 749

De totale bodyscan geeft volgens de mededeling informatie, maar geen garantie

RCC 16 oktober 2013, dossiernr. 2013/00662 (prescan)
Ingezonden door: Willem Leppink, Ploum Lodder Princen.
Afwijzing. Het betreft een advertentie in de Volkskrant van 24 augustus 2013, waarin onder de aanhef “Total body scan. Dé APK voor uw lichaam!” onder meer wordt gezegd: “De Total Body Scan van Prescan is inclusief uitgebreid hartonderzoek en geeft direct inzicht in uw gezondheid. Herken levensbedreigende ziekten vroegtijdig, want een tijdige behandeling kan erger voorkomenl”. Onderaan in de advertentie staat, naast een foto van Willeke van Ammelrooy: “Prescan heeft mijn leven gered .. Willeke van Ammelrooy: Lees haar hele verhaal op www.prescan.nl. (Een kopie van de uiting is aan de uitspraak gehecht.)
De klacht -  Een eerder door adverteerder geplaatste advertentie die qua inhoud grotendeels hetzelfde was, werd door het College van Beroep op 4 november 2011 misleidend en oneerlijk geoordeeld. Klager verwijst in het bijzonder naar hetgeen het College van Beroep met betrekking tot grief 2 heeft overwogen, Iuidende: “In de uiting staat zonder voorbehoud en met zoveel woorden dat men dankzij de Total Body Scan van Prescan kan weten of men gezond is. De redelijk geïnformeerde, omzichtige en oplettende consument zal dan ook veronderstellen dat men na het ondergaan van de Total Body Scan op dat punt zekerheid heeft en aldus een onjuiste verwachting hebben over het resultaat van deze scan".

De in de onderhavige uiting staande mededeling “geeft direct inzicht in uw gezondheid” heeft dezelfde intentie, namelijk dat men door een Total Body Scan zekerheid krijgt over zijn gezondheid. De mededeling “geeft direct inzicht in uw gezondheid” is tevens misleidend en oneerlijk omdat het mogelijk is dat bij een Total Body Scan niet alle aandoeningen worden ontdekt. Voorts maakt klaagster bezwaar tegen de quote van Willeke van Ammelrooy: “Prescan heeft mijn leven gered. Op grond van het vorenstaande acht klaagster de uiting in strijd met de artikelen 6, 8.2 en 10 van de Nederlandse Reclame Code (NRC).

Het oordeel van de Commissie
Allereerst overweegt de Commissie dat zij zich beperkt tot de vraag of hetgeen over de Total Body Scan zelf wordt gezegd in strijd is met de NRC. De vraag of een Total Body Scan wenselijk c.q. zinvol is staat niet ter beoordeling van de Commissie. Ten aanzien van de gewraakte tekst en in het bijzonder de mededeling “De Total Body Scan (...) geeft direct inzicht in uw gezondheid” overweegt de Commissie dat daarmee tot uitdrukking wordt gebracht dat men door het laten uitvoeren van een Total Body Scan iets te weten komt over zijn gezondheid op dat moment. Na een Total Body Scan te hebben ondergaan, weet men meer over (de status quo van) zijn gezondheid dan daarvoor. De Total Body Scan geeft informatie, maar geen garantie en adverteerder heeft aannemelijk gemaakt dat de gemiddelde consument de gewraakte mededeling ook
in die zin zal opvatten.

Ook uit de uiting in haar geheel blijkt voldoende duidelijk dat door adverteerder geen absolute zekerheid in het vooruitzicht wordt gesteld. Zo staat onder het kopje “Uw dag bij Prescan” welke onderzoeken deel uitmaken van de Total Body Scan en het met“goed gevolg” doorlopen hebben van deze onderzoeken geeft geen zekerheid over de algehele gezondheidssituatie.

Met betrekking tot de in de uiting opgenomen uitspraak van Willeke van Ammelrooy en “haar hele verhaal” op adverteerders website. overweegt de Commissie dat adverteerder. door middel van de van Willeke van Ammelrooy afkomstige verklaring, aannemelijk heeft gemaakt dat haar uitlating in de advertentie en het verslag van haar persoonlijke ervaring met de Total Body Scan waartoe adverteerders website toegang
geeft van haar afkomstig zijn.

Ten aanzien van de vraag of de uiting in strijd is met artikel 6 NRC overweegt de Commissie dat, zoals zij in een eerdere uitspraak oordeelde ten aanzien van een reclame-uiting voor de Total Body Scan, de uiting weliswaar angstige gevoelens kan oproepen, maar dat niet kan worden geoordeeld dat door de wijze waarop de Total Body Scan in de uiting wordt aangeprezen, zonder te rechtvaardigen redenen appelleert aan gevoelens van angst, aangezien het gaat over een preventief onderzoek met betrekking tot de gezondheidssituatie.

Tot slot acht de Commissie de uiting ook niet in strijd met artikel 10 NRC, aangezien de uiting geen wetenschappelijke termen, statistieken en aanhalingen bevat, die tot begripsven/varring zouden kunnen leiden.

De beslissing
De Commissie wijst de klacht af.

Partijen hebben, voor zover zij in het ongelijk zijn gesteld, de mogelijkheid tegen deze uitspraak beroep aan te tekenen bij het College van Beroep, onder gelijktijdige storting van het voor de behandeling van het beroep verschuldigde bedrag.

dossiernr. 2013/00662(pdf)

LS&R 747

Antwoord kamervragen over aanprijzen bodyscans (maar vergunningsplichtig uitvoeren)

Antwoord kamervragen over het aanprijzen van bodyscans, Aanhangsel Handelingen II 2013-2014, nr. 280.
Vraag 1 Wat is uw reactie op de paginagrote advertentie van Prescan voor een zomeraanbieding op een Total Body Scan?1

 

Antwoord 1 Naast die advertentie zijn de afgelopen maanden verschillende artikelen2 en commentaren verschenen over de full body scan, die ik met veel interesse heb gelezen. Zoals ik in mijn brief vroegopsporing en gezondheidsrisico’s3 al aangaf, vind ik dat mensen ten aanzien van een full body scan zelf een afweging moeten kunnen maken en wil ik kijken naar de voorwaarden waaronder een dergelijk aanbod in Nederland mogelijk zou zijn. Ik heb de Gezondheidsraad hierover om advies gevraagd4. De Gezondheidsraad heeft aangegeven in dit advies enkele recente ontwikkelingen mee te zullen nemen, zoals de publicatie van de Multidisciplinaire richtlijn preventief medisch onderzoek (MDR PMO)5 in juni 2013 en de NEN-normen «Quality criteria for health checks» (CWA 16642:2013). Deze ontwikkelingen en de discussie in de (sociale) media geven actuele input voor dit advies. Ik verwacht dit advies voor de zomer van 2014. Recent heb ik naar aanleiding van de gigantische wereldwijde ontwikkelingen op het terrein van de zelftesten aangegeven dat ik die ontwikkelingen graag betrek bij het advies van de Gezondheidsraad.

Vraag 2 Waarom staat u dergelijke advertenties toe als het uitvoeren van de body scans in ons land verboden is?

Antwoord 2. Dit komt omdat de Wet op het bevolkingsonderzoek (WBO), die een vergunningplicht verbindt aan screening naar kanker, met behulp van straling of naar onbehandelbare aandoeningen, niet geldt voor onderzoek dat in het buitenland wordt verricht. Ik heb in mijn adviesvraag aan de Gezondheidsraad ook gevraagd welke randvoorwaarden zouden moeten gelden voor reclame in Nederland.

Vraag 3 Deelt u de mening dat de vergelijking van een body scan met een wettelijk verplichte APK, zoals die geldt voor voertuigen, niet alleen misleidend is maar ook onterechte verwachtingen en zorgen kan losmaken bij gezonde mensen?

Antwoord 3 Een belangrijk onderdeel van mijn screeningsbeleid is het stimuleren van een geïnformeerde keuze. Mensen moeten goede informatie krijgen. Het is niet aan mij om in een individuele casus te beoordelen wat misleidend is. Overigens staat het eenieder vrij om een klacht in te dienen bij de Reclame Code Commissie.

Vraag 4 Gaat u reclames voor body scans en andere verboden praktijken in de zorg per direct verbieden in ons land? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 4 Zodra ik advies van de Gezondheidsraad ontvang, zal ik een standpunt naar uw Kamer sturen en het punt van reclame daarbij meenemen.

Vraag 6 Handelen radiologen en cardiologen in strijd met de beroepseer en de Hippocratische eed, omdat de Nederlandse Vereniging voor Radiologie (NVvR) eerder concludeerde dat voldoende wetenschappelijk bewijs ontbreekt voor het rechtvaardigen van screenend beeldvormend onderzoek bij gezonde mensen? Kunt u uw antwoord toelichten?6

Antwoord 6 Op dit moment vindt dit beeldvormend onderzoek vooral plaats in het buitenland. In hoeverre dergelijk onderzoek in Nederland zou kunnen plaatsvinden als iemand dat zelf graag wil en hiervoor betaalt, maakt onderdeel uit van mijn hiervoor genoemde adviesvraag bij de Gezondheidsraad. Net als de vloedgolf van nieuwe preventieve testen die Nederland, net als alle andere landen in de wereld, zal overspoelen. De kansen zie ik graag in beeld gebracht evenals hoe ik de risico’s kan verkleinen.

Vraag 7 Is inmiddels duidelijk hoeveel extra zorgkosten worden veroorzaakt door aanbieders van body scans doordat mensen onnodig ongerust worden gemaakt en verkeerde adviezen of onduidelijke uitslagen van testen hebben gekregen, waardoor overbodige zorgvraag wordt gecreëerd? Kunt u uw antwoord toelichten?

Antwoord 7 Nee, evenmin als ik informatie heb over gezondheidswinst door de scans. De vervolgkosten in de zorg zijn een onderdeel van mijn adviesvraag aan de Gezondheidsraad.

Vraag 8 Hoe verhoudt uw mening om scans voor eigen rekening toe te staan in ons land, zich tot de boodschap dat er al zorgverzekeraars zijn die de scans (gedeeltelijk) vergoeden? Welke zorgverzekeraars zijn dat precies?7

Antwoord 8 Volgens de door u aangehaalde informatie betreft het enkele verzekeraars die (een deel van de) kosten vergoeden via een aanvullende verzekering. De scan zit niet in het basispakket.

LS&R 732

Ontbreken van handeling in operatieverslag betekent niet dat hij niet is verricht

Gerechtshof Amsterdam 10 september 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:2868 (appellant tegen Academisch Medisch Centrum)
Medische aansprakelijkheid. Operatieverslag. Bij appellante is op verdenking van schildklierkanker een schildklierverwijdering uitgevoerd. Dit door een vaatchirurg en een chirurg in opleiding onder begeleiding. Tijdens deze operatie is de rechter stembandzenuw van appellante onherstelbaar beschadigd. De rechtbank heeft het AMC niet aansprakelijk willen stellen voor de materiële en immateriële schade geleden ten gevolge van de operatie, dit na het inwinnen van een deskundigenbericht. Volgens appellante lag de fout in dat tijdens de operatie geen dissectie van de rechter stembandzenuw heeft plaatsgevonden. Zij wijst op het operatieverslag waar dit niet expliciet in wordt vermeld.

Het hof is het met de rechtbank eens dat het niet vermelden van de dissectie niet betekent dat er geen dissectie heeft plaatsgevonden. De deskundige heeft het operatieverslag geanalyseerd en kan ook niet tot de conclusie komen dat de dissectie niet heeft plaatsvonden. Ook denkt de deskundige dat waarschijnlijk is gehandeld zoals van een redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot kan worden verlangd. Het gaat om een waarschijnlijkheidsoordeel. Het hof bevestigd verder het oordeel van de rechtbank dat de complicatie opgetreden bij de operatie niet is veroorzaakt doordat de chirurg in opleiding onvoldoende ervaring had.

De beoordeling
3.4.2 Het hof is, met de rechtbank, van oordeel dat de omstandigheid dat in het operatieverslag niet expliciet staat vermeld dat dissectie van de rechter stembandzenuw heeft plaatsgevonden nog niet het bewijs oplevert dat géén dissectie van die zenuw heeft plaatsgevonden, zoals [appellante] heeft gesteld. Terecht heeft de rechtbank in dit verband overwogen dat een operatieverslag niet wordt bijgehouden om tot bewijs in een juridische procedure te strekken. Een operatieverslag wordt bijgehouden voor zover dit voor een goede hulpverlening aan de patiënt noodzakelijk is. Op grond van het operatieverslag kan dan ook niet worden geoordeeld dat [appellante] het bewijs van haar stelling (voorshands) heeft geleverd.

3.4.5 De deskundige heeft aldus met zijn specifieke kennis en kunde van de (vaat-) chirurgie de inhoud van het operatieverslag geanalyseerd op een consistente en inzichtelijke wijze. Zijn hiervoor besproken antwoord is gemotiveerd en vloeit logisch voort uit de toelichting die hij heeft gegeven. Dat de deskundige in zijn antwoord de bewoordingen ‘waarschijnlijk wel’ heeft gebezigd doet geen afbreuk aan de conclusie van de rechtbank dat [appellante] met dit deskundigenbericht niet het bewijs heeft geleverd van haar stelling dat geen dissectie van de rechter stembandzenuw heeft plaatsgevonden. De deskundige is niet aanwezig geweest bij de operatie en kan niet anders dan op basis van de hem ter beschikking gestelde stukken een waarschijnlijkheidsoordeel geven. De stellingen van [appellante] in het kader van de grieven 1 tot en met 4 stuiten hierop af. Een contra-expertise is niet in het geding gebracht. De grieven falen.

3.5.2 De rechtbank heeft vervolgens beoordeeld of de complicatie die bij de operatie is opgetreden, is veroorzaakt doordat [X] onvoldoende ervaring had en deze complicatie zich dus niet zou hebben voorgedaan bij een in dit opzicht meer ervaren chirurg. Ook daarover was een vraag gesteld aan de deskundige, die op die vraag heeft geantwoord dat ook in ervaren handen een onbedoeld letsel van de zenuw kan ontstaan en dat dit slechts zeer zelden gebeurt, maar helaas voorkomt. Op grond van de cijfers die de deskundige daarbij heeft genoemd, heeft de rechtbank overwogen dat deze complicatie zich in 98,5% van de gevallen bij een onervaren chirurg evenmin voordoet en dat de kans dat een complicatie zoals hier aan de orde zich voordoet (het hof leest:) een procentpunt groter is bij een onervaren chirurg ten opzichte van een voldoende ervaren chirurg. De rechtbank heeft vervolgens overwogen dat de kansvergroting op de onderhavige complicatie aldus dermate gering is, dat op basis daarvan niet kan worden geoordeeld dat de complicatie is te wijten aan onervarenheid van [X] en dat deze zich niet zou hebben voorgedaan als de operatie zou zijn uitgevoerd door een in dit opzicht meer ervaren chirurg.

3.5.3. In de toelichting op deze grief heeft [appellante] aangevoerd dat een kans van 1,5% ten opzichte van een kans van 0,5% een kans is die een factor 3 groter is. Dat is volgens [appellante] een heel groot verschil. Als [X] voldoende ervaring had gehad was de kans op schade drie keer zo klein geweest, aldus [appellante].

3.5.4. Het hof is evenwel van oordeel dat dit geen afbreuk doet aan de overweging van de rechtbank en dat een kansvergroting van een procentpunt te gering is om daaraan consequenties te verbinden. Het hof neemt de overweging van de rechtbank dan ook over en maakt deze tot de zijne. Grief 5 faalt.

LS&R 724

Onvolledigheid van medische gegevens maakt geldvordering onvoldoende aannemelijk

Vrz. Rechtbank Overijssel 4 september 2013, ECLI:NL:RBOVE:2013:2398 (Eiser tegen ASR Schadeverzekering N.V)
Medische aansprakelijkheid. Onvolledigheid van medische stukken. Eiser is door [gedaagde sub 2] van achteren aangereden. ASR is de WAM-verzekeraar van [gedaagde sub 2]. ARS heeft aansprakelijkheid erkend voor de gevolgen van het ongeval en in dat kader voorschotten aan eiser betaald. Eiser  wil vergoeding van verschillende schadeposten. Na aftrek van een betaald voorschot blijft een bedrag van € 19.293,96 over. Eiser heeft niet op tijd alle medische stukken ingediend en deze stukken kunnen niet een rol spelen in de beoordeling van dit kort geding.

De voorzieningenrechter stelt dat terughoudendheid op zijn plaats is bij veroordeling tot betaling van een dwangsom in kort geding. Eiser heeft spoedeisend belang, want financiële problemen staan haar behandeling in de weg. De vordering is alleen niet aannemelijk. De bodemrechter kan de vordering slechts toewijzen indien er sprake is van causaal verband tussen het ongeval en de schade. Nu de medische stukken onvolledig zijn is dit niet met voldoende zekerheid te voorzien. Ook moet nader deskundigenonderzoek naar de medische plaatsvinden. Verder bestaat er een aanzienlijk restitutierisico nu het spoedeisend belang ligt in financiële problemen. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen af.

De beoordeling
4.1 [eiser] heeft na de zitting van 14 augustus 2013 stukken met medische informatie aan de voorzieningenrechter gestuurd, met het verzoek deze in de procedure te betrekken. De voorzieningenrechter heeft zich tijdens de zitting van 14 augustus 2013 bereid getoond om de zaak aan te houden tot 11 september 2013, teneinde partijen in de gelegenheid te stellen in onderling overleg tot een oplossing te komen. In dat kader zou [eiser] aan gedaagden nadere medische informatie verstrekken. De voorzieningenrechter heeft [eiser] daarmee niet in de gelegenheid gesteld om nog nadere stukken in het kort geding te brengen. Gedaagden hebben aangevoerd dat deze stukken geen rol kunnen spelen in dit kort geding. Zij hebben niet de gelegenheid gehad op deze stukken te reageren. De voorzieningenrechter oordeelt dat de door [eiser] gestuurde stukken tardief zijn en zal deze stukken geen rol laten spelen in de beoordeling van dit kort geding.

Toetsingskader
4.2 De vordering strekt tot betaling van een geldsom. Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande uit een veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. Voor toewijzing van een dergelijke vordering in kort geding is slechts dan plaats, als het bestaan en de omvang van de vordering in hoge mate aannemelijk zijn, terwijl voorts uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is en het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, bij afweging van belangen van partijen, aan toewijzing niet in de weg staat.

Aannemelijkheid van de vordering
4.5 De voorzieningenrechter zal moeten beoordelen of het bestaan en de omvang van de vordering in hoge mate aannemelijk is. De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. De bodemrechter zal desverzocht deze vordering slechts kunnen toewijzen indien het causaal verband tussen het ongeval en de gevorderde schade komt vast te staan. Of dit causaal verband vast komt te staan is thans, mede gelet op het feit dat [eiser] ter zitting niet heeft weersproken dat de overgelegde medische gegevens onvolledig zijn en heeft meegedeeld in het kader van een minnelijke regeling de volledige medische gegevens aan gedaagden over te leggen, niet met voldoende zekerheid te voorzien. Er dient nader (deskundigen)onderzoek plaats te vinden naar de vraag of de gestelde klachten het gevolg zijn van het ongeval dat [eiser] is overkomen. Voor het verrichten van dat onderzoek is in de onderhavige kort gedingprocedure, gelet op het karakter daarvan, echter geen plaats. Thans is het bestaan van de vordering en de omvang daarvan dus in onvoldoende mate aannemelijk.

De beslissing
De voorzieningenrechter:
I. wijst de vorderingen van [eiser] af;
II. Veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, tot op deze uitspraak aan de zijde van gedaagden begroot op € 1836,-- aan verschotten en € 816,-- aan salaris van de advocaat.
III. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.