DOSSIERS
Alle dossiers

rechtspraak  

LS&R 2355

RvS: Ctgb moet samenstelling Captan-middel openbaar maken wegens emissie-uitzondering (Wob)

Raad van State 4 mrt 2026, LS&R 2355; ECLI:NL:RVS:2026:1191 ([appellante] tegen Ctgb), https://lsenr.nl/artikelen/rvs-ctgb-moet-samenstelling-captan-middel-openbaar-maken-wegens-emissie-uitzondering-wob

RvS 4 maart 2026, LS&R 2355; ECLI:NL:RVS:2026:1191 ([appellante] tegen Ctgb). In deze zaak vroeg een bedrijf het Ctgb op grond van de Wob om stukken over het schimmelbestrijdingsmiddel VSM Captan 80 WG (toelatingsnummer 15585), waaronder de aanvraag/dossierstukken, de documenten waarop de vergunning (parallelhandelsvergunning) is gebaseerd en de vergunning met voorschriften. Het Ctgb vond zes documenten en maakte die deels openbaar, maar lakte in documenten 4 en 5 onder meer gegevens weg over (oorspronkelijk) fabrikanten/productielocaties en vooral de specifieke stoffen naast de werkzame stof en de exacte gehalten (de samenstelling). Omdat het besluit op bezwaar van 26 oktober 2021 dateert, is de Wob van toepassing (niet de Woo). De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep gegrond omdat het Ctgb in beroep een andere weigeringsgrond aanvoerde, maar liet de rechtsgevolgen in stand: de weggelakte passages zouden (milieu-)informatie bevatten die als bedrijfs- en fabricagegegevens kon worden geweigerd na belangenafweging.

LS&R 2354

Feitelijke leiding bij onjuist gebruik van gewasbeschermingsmiddel Vydate

Rechtbank Amsterdam 6 nov 2025, LS&R 2354; ECLI:NL:RBAMS:2025:10924 ([verdachte]), https://lsenr.nl/artikelen/feitelijke-leiding-bij-onjuist-gebruik-van-gewasbeschermingsmiddel-vydate

Rb Amsterdam 6 november 2025, LS&R 2354; ECLI:NL:RBAMS:2025:10924 ([verdachte]). De zaak betreft een verdachte die als feitelijk leidinggevende van twee orchideeënkwekerijen ([bedrijf 1] en [bedrijf 2]) gewasbeschermingsmiddel Vydate 10G heeft laten toepassen in strijd met de gebruiksvoorschriften en als feitelijk leidinggevende van een derde vennootschap ([bedrijf 3]) verboden gewasbeschermingsmiddelen op voorraad heeft laten houden. De bedrijven kweekten vlinderorchideeën en bestreden potworm door Vydate te mengen met bulgur en dit mengsel wekelijks, gedurende ruim twee jaar, ná het oppotten over de planten/potten te strooien, terwijl het middel volgens de toelating uitsluitend als potgrondbehandeling vóór het oppotten mocht worden gebruikt. De dagvaarding hield voor feit 1 in dat [bedrijf 1] en [bedrijf 2] in de periode 1 september 2020 tot en met 16 september 2022 opzettelijk in strijd met artikel 55 Verordening (EG) 1107/2009 hebben gehandeld door Vydate 10G niet op juiste wijze te gebruiken, terwijl verdachte daaraan feitelijk leiding gaf; feit 2 hield in dat [bedrijf 3] op 16 september 2022 zeven flacons Input 460 EC en twee (aangebroken) flacons Match 12821N, niet in Nederland toegelaten middelen, op voorraad had, eveneens onder feitelijke leiding van verdachte. De verdediging voerde onder meer aan dat de dagvaarding voor feit 1 nietig was wegens onvoldoende verfeitelijking, dat geen opzet aanwezig was, dat het gebruik al eind 2021 zou zijn gestaakt, en dat feit 1 niet naar artikel 55 van de Verordening was ingericht en materiële wederrechtelijkheid ontbrak; voor feit 2 is geen inhoudelijk bewijsverweer gevoerd. De officier van justitie achtte beide feiten bewezen en vorderde een taakstraf van 40 uur voor feit 1 en een geldboete van 500 euro voor feit 2.

LS&R 2353

Illegale verhandeling van D‑carvone als gewasbeschermingsmiddel: kwalificatie als gewasbeschermingsmiddel en verwerping van het verweer in cassatie

Hoge Raad 10 feb 2026, LS&R 2353; ECLI:NL:HR:2026:223 https://lsenr.nl/artikelen/illegale-verhandeling-van-d-carvone-als-gewasbeschermingsmiddel-kwalificatie-als-gewasbeschermingsmiddel-en-verwerping-van-het-verweer-in-cassatie

HR 10 februari 2026, LS&R 2353; ECLI:NL:HR:2026:223. De zaak betreft een bestuurder van een rechtspersoon die in Nederland een kiemremmingsmiddel voor pootaardappelen (met de stof D‑carvone) op de markt heeft gebracht, terwijl dit middel hier niet was toegelaten als gewasbeschermingsmiddel. Het middel werd onder een handelsnaam verhandeld en gepresenteerd met een gebruiksaanwijzing en etikettering die inhielden dat het diende ter bescherming van gewassen, waardoor het onder de definitie van een gewasbeschermingsmiddel van de Verordening (EG) nr. 1107/2009 viel. Het openbaar ministerie verweet de verdachte dat hij (als feitelijk leidinggever) opzettelijk en meermalen in strijd met de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden had gehandeld door een niet‑toegelaten gewasbeschermingsmiddel in de handel te brengen. In feitelijke instanties voerde de verdediging onder meer aan dat het product geen gewasbeschermingsmiddel zou zijn, dan wel dat een uitzondering of vrijstelling gold, en dat daarom geen sprake kon zijn van een strafbaar feit. De rechtbank heeft de feitenvaststelling en kwalificatie van het product als gewasbeschermingsmiddel gevolgd, het verweer verworpen, de verdachte schuldig bevonden aan het opzettelijk op de markt brengen van een niet‑toegelaten gewasbeschermingsmiddel en een straf (incl. geldboete) opgelegd.

LS&R 2352

Toelating gewasbeschermingsmiddel Wasan

College van Beroep voor het Bedrijfsleven 17 feb 2026, LS&R 2352; ECLI:NL:CBB:2026:58 (PAN tegen Ctgb en Sumitomo), https://lsenr.nl/artikelen/toelating-gewasbeschermingsmiddel-wasan

CBB 17 februari 2026, LS&R 2352; ECLI:NL:CBB:2026:58 (PAN tegen Ctgb en Sumitomo). In deze zaak beoordeelt het College van Beroep voor het bedrijfsleven het beroep van Stichting Pesticide Action Network Netherlands (PAN) tegen de toelating door het Ctgb van het gewasbeschermingsmiddel Wasan, op basis van de werkzame stof bromuconazool. Deze stof is op EU-niveau goedgekeurd, maar staat op de lijst van stoffen die voor vervanging in aanmerking komen (Verordening (EG) nr. 1107/2009). PAN voerde onder meer aan dat het Ctgb onvoldoende onderzoek had gedaan naar hormoonverstorende eigenschappen, relevante metabolieten (TDM’s) en cumulatieve effecten van pesticiden, en dat geen deugdelijke vergelijkende evaluatie met het middel Proline had plaatsgevonden. Het College oordeelt dat het Ctgb ten onrechte heeft aangenomen dat nieuwe wetenschappelijke inzichten over de werkzame stof uitsluitend bij de herbeoordeling van die stof hoeven te worden betrokken. Ook heeft het Ctgb onvoldoende gemotiveerd waarom geen nader onderzoek naar TDM’s nodig was en waarom van een volwaardige vergelijkende evaluatie kon worden afgezien. Deze motiveringsgebreken leveren strijd op met artikel 7:12 Awb.

LS&R 2346

Feitelijk leidinggeven aan onjuist gebruik van gewasbeschermingsmiddel en verboden voorraad: veroordeling bestuurder orchideeënbedrijven

Rechtbank Amsterdam 6 nov 2025, LS&R 2346; ECLI:NL:RBAMS:2025:10924 (het Openbaar Ministerie tegen [verdachte]), https://lsenr.nl/artikelen/feitelijk-leidinggeven-aan-onjuist-gebruik-van-gewasbeschermingsmiddel-en-verboden-voorraad-veroordeling-bestuurder-orchideeenbedrijven

Rb. Amsterdam 6 november 2025, LS&R 2346; ECLI:NL:RBAMS:2025:10924 (het Openbaar Ministerie tegen [verdachte]). De Rechtbank Amsterdam veroordeelt een bestuurder wegens het feitelijk leidinggeven aan overtredingen van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden. Twee aan hem gelieerde orchideeënbedrijven gebruikten in de periode 2020–2022 het gewasbeschermingsmiddel Vydate 10G in strijd met de gebruiksvoorschriften van Verordening (EG) nr. 1107/2009. In plaats van toepassing via potgrondbehandeling vóór het oppotten, werd Vydate gemengd met bulgur en na het oppotten over de planten gestrooid. De rechtbank oordeelt dat de tenlastelegging voldoende feitelijk was uitgewerkt en verwerpt het verweer dat verdere verfeitelijking bij economische delicten vereist zou zijn. Ook het verweer dat geen sprake was van opzet wordt verworpen: binnen de ondernemingen was bekend dat niet volgens het etiket werd gewerkt. Daarnaast stond vast dat een derde vennootschap verboden gewasbeschermingsmiddelen (Input 460 EC en Match 12821N) in voorraad had. De rechtbank acht beide feiten bewezen, met uitzondering van een onderdeel van de tenlastelegging (toevoegen aan de bark).

LS&R 2341

Minister moet inzage afdwingen in gebruik gewasbeschermingsmiddelen

Rechtbank Noord-Nederland 12 jan 2026, LS&R 2341; ECLI:NL:RBNNE:2026:129 (eisers tegen de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur), https://lsenr.nl/artikelen/minister-moet-inzage-afdwingen-in-gebruik-gewasbeschermingsmiddelen

Rb. Noord-Nederland 12 januari 2026, LS&R 2341; ECLI:NL:RBNNE:2026:129 (eisers tegen de minister). De Rechtbank Noord-Nederland oordeelt dat de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur ten onrechte heeft geweigerd om informatie te verstrekken uit het register van een professionele gebruiker van gewasbeschermingsmiddelen. Omwonenden hadden op grond van artikel 67 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 verzocht om inzage in gegevens over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen (zoals middel, tijdstip, dosis, perceel en gewas) in de jaren 2019–2021. De minister wees dit verzoek af met een beroep op de Wet open overheid (Woo), omdat de informatie niet bij de overheid berustte en daar ook niet had behoren te berusten. De rechtbank volgt dit niet. Zij stelt vast dat artikel 67 van de Verordening de minister aanwijst als bevoegde autoriteit en een zelfstandige, rechtstreeks toepasselijke grondslag bevat om professionele gebruikers te verzoeken relevante registerinformatie beschikbaar te stellen wanneer derden daarom vragen. De Woo biedt hiervoor geen toereikend kader, omdat zij het inzagerecht uit de Verordening feitelijk illusoir maakt.

LS&R 2323

CBB: opzet toerekenbaar bij spuitfout loonbedrijf

College van Beroep voor het Bedrijfsleven 14 okt 2025, LS&R 2323; ECLI:NL:CBB:2025:556 ([naam 1] tegen de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur), https://lsenr.nl/artikelen/cbb-opzet-toerekenbaar-bij-spuitfout-loonbedrijf

CBB 14 oktober 2025, LS&R 2323; ECLI:NL:CBB:2025:556 ([naam 1] tegen de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur). Het College van Beroep voor het bedrijfsleven behandelt het beroep van een landbouwmaatschap tegen een door de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur opgelegde GLB-randvoorwaardenkorting van 30% over alle in 2022 aangevraagde subsidies. Aanleiding was dat een ingehuurd loonbedrijf op 28 april 2022 Cirran en Tapir heeft gespoten; bij controle op 3 mei 2022 constateerde het waterschap over circa 518 meter “vergroeiingsverschijnselen” op taluds, vastgelegd in een rapport van 18 januari 2023 met foto’s en verklaringen van de loonwerker (die aangaf dat tijdens het werk plotseling stevige wind opstak). Het College acht de bevindingen van de toezichthouder betrouwbaar, ook al is het rapport niet op ambtseed opgemaakt, en stelt vast dat artikel 55 van Verordening 1107/2009 is geschonden (juist gebruik volgens etiket/goed landbouwkundige praktijk), wat binnen de randvoorwaarden van Verordening 1306/2013 tot korting leidt. Omdat de maatschap geen specifieke instructies gaf en geen toezicht hield, is (voorwaardelijk) opzet aan de begunstigde toe te rekenen op basis van HvJ EU Van der Ham (C-396/12).

LS&R 1232

Verzoek voorlopige voorziening tot schorsing toelating imidacloprid gewasbeschermingsmiddelen afgewezen

CBb 18 december 2015, LS&R 1232; ECLI:NL:2015:405 (Stichting de Bijenstichting tegen Ctgb)
Gewasbeschermingsmiddelen. Voorlopige voorziening. Verzoek om voorlopige voorziening tot schorsing van de toelating van een aantal gewasbeschermingsmiddelen op basis van imidacloprid vanwege de gestelde risico’s daarvan voor bijen en hommels. Verzoek afgewezen. De voorzieningenprocedure leent zich er niet voor om de vraag of verweerder met de bestreden besluiten een juiste uitvoering heeft gegeven aan Verordening 485/2013 voor wat betreft de risico’s van imidacloprid voor bijen en hommels, volledig te doorgronden en definitief te beslechten. Verzoekster heeft geen gegevens aangeleverd waaruit blijkt dat er zodanige risico’s voor bijen en hommels zijn verbonden aan het gebruik van de in geding zijnde gewasbeschermingsmiddelen dat voorlopig moet worden geoordeeld dat verweerder in de bestreden besluiten te kort is geschoten met het treffen van maatregelen om die risico’s te vermijden.

3.1. Met betrekking tot twee van de in geding zijnde middelen is de voorzieningenrechter van oordeel dat de gevraagde voorlopige voorziening op voorhand moet worden afgewezen. Het eerste middel is Maxforce Quantum, een biocide. Biociden vallen buiten het wettelijk kader waarop verzoekster zich in deze procedure beroept. Het andere middel is Cruiser SB, een gewasbeschermingsmiddel op basis van de werkzame stof thiametoxam. Het onderhavige verzoek om een voorlopige voorziening is in de kern opgezet rond de overschrijding van de normen voor imidacloprid in het oppervlaktewater en de risico’s die dat met zich meebrengt voor bijen. Dit biedt geen grondslag voor de door verzoekster gewenste schorsing van Cruiser SB.

3.4. De bestreden besluiten zijn genomen ter uitvoering van Verordening 485/2013. Verzoekster heeft tegen die besluiten bezwaar gemaakt, respectievelijk beroep ingesteld - naar de voorzieningenrechter begrijpt - omdat de met die besluiten gegeven uitvoering aan Verordening 485/2013 haar niet ver genoeg gaat. Zij wil dat de eerdere toelatingen van de in geding zijnde gewasbeschermingsmiddelen ter uitvoering van Verordening 485/2013 worden beëindigd. Gelet op deze uitleg is de voorzieningenrechter, anders dan de toelatinghouders, van oordeel dat het resultaat dat verzoekster met het instellen van beroep en het onderhavige verzoek om een voorlopige voorziening nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt. Niet is in geding dat het bereiken van dat resultaat voor verzoekster feitelijk betekenis heeft.

3.5. Resteert de vraag of verweerder met de bestreden besluiten een juiste uitvoering heeft gegeven aan Verordening 485/2013 voor wat betreft de risico’s van imidacloprid voor bijen en hommels. Zoals hiervoor eerder is overwogen leent de voorzieningenprocedure zich er niet voor om het geschil over deze vraag volledig te doorgronden en definitief te beslechten. De voorzieningenrechter zal zich daarom beperken tot de vraag of verzoekster gegevens heeft aangeleverd waaruit blijkt dat er zodanige risico’s voor bijen en hommels zijn verbonden aan het gebruik van de in geding zijnde gewasbeschermingsmiddelen dat voorlopig moet worden geoordeeld dat verweerder in de bestreden besluiten te kort is geschoten met het treffen van maatregelen om die risico’s te vermijden.

3.6. De voorzieningenrechter is van oordeel dat uit de door verzoekster in het geding gebrachte publicaties, waaronder publicaties van het Centrum Milieukunde Leiden, het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, de European Academies' Science Advisory Council en de European Food Safety Authority, niet duidelijk en eenduidig volgt dat voormelde vraag bevestigend moet worden beantwoord.

LS&R 1231

Herroeping toelating gewasbeschermingsmiddel in bezwaar niet in strijd met artikel 44 Verordening 1107/2009

CBb 18 december 2015, LS&R 1231; ECLI:NL:CBB:2015:406 (Adama Registrations tegen Ctgb)
Gewasbeschermingsmiddelen. Voorlopige voorziening. Verzoek om voorlopige voorziening tot schorsing van het besluit op bezwaar waarmee de toelating van het gewasbeschermingsmiddel Potatoprid, met de werkzame stof imidacloprid, per 1 januari 2016 is herroepen. De herroeping is het gevolg van een tijdens de bezwaarprocedure bekend geworden nieuw wetenschappelijk inzicht, te weten dat de bloemen van aardappelplanten voor bijen aantrekkelijk zijn. Verweerder is niet buiten de grondslag van het bezwaar getreden. Herroeping van de toelating in bezwaar is niet in strijd met artikel 44 van Verordening 1107/2009. Verweerder heeft naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in bezwaar terecht beslist dat de toelating van Potatoprid wegens mogelijke risico’s voor bijen wordt herroepen. Het verzoek wordt afgewezen.

4.4.1. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder niet buiten de grondslag van het bezwaar is getreden, ook als geen van de bezwaarmakers iets heeft aangevoerd over de bij-aantrekkelijkheid van aardappelplanten. Artikel 7:11 van de Awb bepaalt namelijk dat indien het bezwaar ontvankelijk is, op de grondslag daarvan een heroverweging van het primaire besluit plaats vindt. De heroverweging vindt plaats ‘op grondslag’ van het bezwaar. Vanzelfsprekend behoort het bestuursorgaan daarbij in ieder geval aandacht te schenken aan de inhoud van het bezwaarschrift, maar het behoort tevens na te gaan of er andere feiten of omstandigheden bekend zijn die tot een wijziging ten gunste van de indiener van het bezwaarschrift nopen. Heroverwegen is meer dan reageren op de bezwaargronden (Kamerstukken II, 1988-1989, 21221, nr 3, blz 154). Omdat het een vorm van besluitvorming is, moet het bestuursorgaan het besluit in alle facetten opnieuw overdenken, ook die besliscomponenten waar de bezwaargronden niet op zien. Zie in dit verband ook de volgende uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: ECLI:NL:RVS:2004:AR7569 en ECLI:NL:RVS:2007:BA4141.

4.4.2. Natuur en Milieu heeft zich in bezwaar gekeerd tegen het besluit tot toelating van Potatoprid. De Bijenstichting heeft zich in bezwaar gekeerd tegen het besluit tot uitbreiding van de toelating van Potatoprid. Deze bezwaren stellen verweerder voor de vraag of het primaire besluit waartegen dat bezwaar is gericht onveranderd kan blijven bestaan. Daarbij moet verweerder - naar de stand van zaken op het moment dat het besluit op bezwaar wordt genomen - zowel de rechtmatigheid van dat primaire besluit in ogenschouw nemen als zich de vraag stellen of herroeping ervan beleidsmatig wenselijk is. Hierbij doet het er niet toe of de bezwaargronden hout snijden.

4.4.3. Voor zover verzoeksters betoog er toe strekt dat artikel 44 van Verordening 1107/2009 verhindert dat het bezwaar leidt tot de herroeping van het door Natuur en Milieu aangevochten toelatingsbesluit, stuit dat af op artikel 7:11, tweede lid, van de Awb. Dat artikellid geeft aan wat er moet gebeuren indien de heroverweging tot de conclusie leidt dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. Het bestreden besluit wordt dan herroepen, eventueel gedeeltelijk indien het bezwaar slechts tegen een deel van het besluit gegrond wordt bevonden. Op die manier wordt Natuur en Milieu, zonder strijd met artikel 44 van Verordening 1107/2009, een effectief rechtsmiddel geboden om op te komen tegen een haar onwelgevallig toelatingsbesluit. Van een dergelijk effectief rechtsmiddel zou geen sprake zijn als aan verzoekster, als waarom door haar is verzocht, een termijn van twee jaar zou worden geboden om nader onderzoek te doen naar het door haar gestelde ontbreken van onaanvaardbare risico’s voor bijen van het gebruik van het middel Potatoprid.

LS&R 1161

Ctgb overschrijdt beslistermijn ruimschoots

CBb 2 juli 2015, LS&R 1160; ECLI:NL:CBB:2015:190 (Stichting Natuur en Milieu en Stichting Greenpeace tegen College voor de Toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden)
Bestuursrecht. Gewasbescherming. De Stichting Natuur en Milieu heeft met een bezwaarschrift van 3 maart 2014 bezwaar gemaakt tegen het besluit van verweerder van 10 januari 2014 (14345N) omtrent de toelating van het middel Potato Prid en tegen de besluiten van verweerder omtrent intrekking, herbeoordeling en herregistratie van de middelen Admire (11483N), Gaucho Tuinbouw (12341N) en tot wijziging van Kohinor 700 (13831N) die allemaal zijn gepubliceerd in de Staatscourant. Stichting Natuur en Milieu en Stichting Greenpeace hebben er dan ook belang bij dat binnen een redelijke termijn op hun bezwaren wordt beslist omdat de bestreden besluiten ertoe leiden dat de gewasmiddelen kunnen worden gebruikt en in het milieu kunnen worden gebracht. Het beroep slaagt. Verweerder heeft de beslistermijnen ruimschoots overschreden. College voor de Toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden moet uiterlijk 25 november 2015 een beslissing op de bezwaren nemen en dit bekend maken aan de appellanten.

Procesverloop
De stichting Natuur en Milieu heeft met een bezwaarschrift van 3 maart 2014 bezwaar gemaakt tegen het besluit van verweerder van 10 januari 2014 (14345N) omtrent de toelating van het middel Potato Prid, dat is gepubliceerd in de Staatscourant van 20 januari 2014. Appellanten hebben met een bezwaarschrift van 12 maart 2014 bezwaar gemaakt tegen besluiten van verweerder omtrent intrekking, herbeoordeling en herregistratie van de middelen Admire (11483N) en Gaucho Tuinbouw (12341N) en tot wijziging van de toelating van het middel Kohinor 700 (13831N) die zijn gepubliceerd in de Staatscourant van 30 januari 2014 of 31 januari 2014. De aanvullende gronden zijn ingediend op 7 april 2014. Appellanten hebben verweerder met twee brieven van 3 november 2014 in gebreke gesteld voor het niet tijdig beslissen op de bezwaarschriften.Appellanten hebben met een brief van 14 januari 2015 beroep ingesteld tegen het door verweerder niet tijdig beslissen op de bezwaarschriften en hebben dit beroep met een brief van 4 februari 2015 ingetrokken.Appellanten hebben met een brief van 9 april 2015 opnieuw beroep ingesteld tegen het door verweerder niet tijdig beslissen op de bezwaarschriften. Daarbij hebben zij het College verzocht om te bepalen dat het beroep gegrond is, om een termijn vast te stellen waarbinnen verweerder op de bezwaren moet hebben beslist, om vast te stellen dat verweerder aan hen een dwangsom verbeurt als hij niet binnen die termijn heeft beslist en om verweerder te veroordelen in de kosten van deze procedure.

Overwegingen
1.1. Appellanten hebben blijkens de hiervoor vermelde brief van 4 februari 2015 het door hen op 14 januari 2015 ingediende beroep tegen het door verweerder niet tijdig beslissen op de bezwaarschriften ingetrokken omdat met verweerder overeenstemming was bereikt over de verdere afhandeling van de bezwaarschriften. Aan het thans in geding zijnde beroep is ten grondslag gelegd dat verweerder zich niet aan de daarbij gemaakte afspraak heeft gehouden dat de behandeling van de bezwaren binnen afzienbare tijd zou plaatsvinden. Appellanten willen met het beroep voorkomen dat de besluitvorming over hun bezwaren nog langer en voor onbepaalde tijd door verweerder wordt uitgesteld. De bezwaren betreffen toepassingen van middelen ten aanzien van welke de beoordeling is afgerond en (her)registratie heeft plaatsgevonden. De bestreden besluiten leiden ertoe dat de middelen kunnen worden gebruikt en in het milieu gebracht. Appellanten hebben er dan ook belang bij dat binnen een redelijke termijn op hun bezwaren wordt beslist.

1.2. Verweerder heeft aangevoerd dat hij de beslistermijn niet, dan wel niet verwijtbaar, heeft overschreden omdat hij, in verband met de hierna onder 1.3. vermelde omstandigheden, de beslistermijn redelijkerwijs heeft kunnen opschorten. Volgens verweerder weegt bovendien de plicht tot een zorgvuldige heroverweging van het primaire besluit zwaarder dan de plicht om binnen de in artikel 7:10 van de Awb genoemde termijn te beslissen. Verder stelt verweerder dat geen dwangsom kan worden opgelegd omdat de in geding zijnde besluiten moeten worden aangemerkt als besluiten van algemene strekking waarop artikel 4:17 van de Awb niet van toepassing is.

Het oordeel van het College
3.5. Uit wat hiervoor is overwogen volgt tevens dat het beroep slaagt. De beslistermijnen zijn immers ruimschoots overschreden. Voor zover verweerder heeft beoogd aan te voeren dat de beslistermijnen in maart 2015 zijn verlengd omdat er toen met appellanten en de overige partijen overeenstemming was over het houden van een hoorzitting, komt daaraan geen betekenis toe, aangezien verweerder toen al in gebreke was en reeds rechtsgeldig in gebreke gesteld was. Wat verweerder heeft aangevoerd ter rechtvaardiging van de duur van de bezwaarprocedure kan hem in het licht van het vorenstaande niet baten en behoeft daarom geen verdere bespreking. Het College volgt verweerder evenmin in zijn subsidiaire standpunt dat hem niet kan worden verweten dat hij de beslistermijnen heeft overschreden. Gesteld noch gebleken is dat hij de beslistermijnen niet tijdig heeft kunnen verlengen, waartoe artikel 7:10 van de Awb immers de mogelijkheid biedt. Het College zal het beroep tegen het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een beslissing op de bezwaren gegrond verklaren en dat besluit vernietigen.
4. Het College zal verder, als waarom appellanten hebben verzocht, met toepassing van artikel 8:55d, derde lid, van de Awb, een termijn vaststellen waarbinnen verweerder op de bezwaren moet hebben beslist, en zal, met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb, bepalen dat verweerder een dwangsom verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor bedoelde termijn overschrijdt.
  • 1
  • 2
  • 1 - 10 van 20