Boete Meststoffenwet: rechter verlangt nadere motivering bij dreigend faillissement
Rb. Zeeland-West-Brabant 16 april 2026, LS&R 2381; ECLI:NL:RBZWB:2026:3072 ([eiseres] tegen de minister). In deze zaak tussen [eiseres] B.V. en de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur staat de vraag centraal of de opgelegde bestuurlijke boetes wegens overtreding van de Meststoffenwet in stand kunnen blijven, en met name of de hoogte daarvan – gelet op de financiële draagkracht van de onderneming – voldoende is gemotiveerd. De boetes zijn opgelegd wegens schending van de verantwoordingsplicht als bedoeld in artikel 14, eerste lid, Meststoffenwet, en de mestverwerkingsplicht als bedoeld in artikel 33a, vierde lid, Meststoffenwet; de wettelijke boetebevoegdheid volgt uit artikel 51 Meststoffenwet. De zaak vindt haar oorsprong in een onderzoek van de NVWA naar de mestboekhouding van [eiseres], een groothandel in bestrijdingsmiddelen en meststoffen, over de jaren 2019 en 2020. Volgens de minister heeft [eiseres] in die periode zowel de verantwoordingsplicht als de mestverwerkingsplicht geschonden. Op basis daarvan zijn in eerste instantie boetes opgelegd van in totaal ruim € 560.000, die in bezwaar – onder meer wegens beperkte financiële draagkracht – zijn gematigd tot circa € 279.000. De rechtbank stelt voorop dat het hier gaat om punitieve sancties in de zin van artikel 6 EVRM, zodat een volledige toetsing plaatsvindt en de bewijslast bij de minister ligt. Daarbij mag de minister in beginsel afgaan op bevindingen uit een toezichtrapport, mits de controle is verricht door een bevoegde toezichthouder en het rapport geen concrete aanknopingspunten biedt voor twijfel aan de juistheid van de bevindingen. Die ontbreken hier; bovendien betwist [eiseres] de relevante hoeveelheden niet. De rechtbank oordeelt dan ook dat de minister bevoegd was om boetes op te leggen voor zowel de schending van de verantwoordingsplicht (niet kunnen verantwoorden van 1.436 kg fosfaat) als de mestverwerkingsplicht (substantiële tekorten in de verplichte verwerking in 2019 en 2020). Voor zover [eiseres] heeft aangevoerd dat zij erop mocht vertrouwen dat [B.V.] een erkende mestverwerker was, merkt de rechtbank op dat dit niet de boetebevoegdheid raakt, maar uitsluitend relevant is voor de mate van verwijtbaarheid en daarmee voor de hoogte van de boete.