Gepubliceerd op donderdag 5 maart 2026
LS&R 2354
Rechtbank Amsterdam ||
6 nov 2025
Rechtbank Amsterdam 6 nov 2025, LS&R 2354; ECLI:NL:RBAMS:2025:10924 ([verdachte]), https://lsenr.nl/artikelen/feitelijke-leiding-bij-onjuist-gebruik-van-gewasbeschermingsmiddel-vydate

Feitelijke leiding bij onjuist gebruik van gewasbeschermingsmiddel Vydate

Rb Amsterdam 6 november 2025, LS&R 2354; ECLI:NL:RBAMS:2025:10924 ([verdachte]). De zaak betreft een verdachte die als feitelijk leidinggevende van twee orchideeënkwekerijen ([bedrijf 1] en [bedrijf 2]) gewasbeschermingsmiddel Vydate 10G heeft laten toepassen in strijd met de gebruiksvoorschriften en als feitelijk leidinggevende van een derde vennootschap ([bedrijf 3]) verboden gewasbeschermingsmiddelen op voorraad heeft laten houden. De bedrijven kweekten vlinderorchideeën en bestreden potworm door Vydate te mengen met bulgur en dit mengsel wekelijks, gedurende ruim twee jaar, ná het oppotten over de planten/potten te strooien, terwijl het middel volgens de toelating uitsluitend als potgrondbehandeling vóór het oppotten mocht worden gebruikt. De dagvaarding hield voor feit 1 in dat [bedrijf 1] en [bedrijf 2] in de periode 1 september 2020 tot en met 16 september 2022 opzettelijk in strijd met artikel 55 Verordening (EG) 1107/2009 hebben gehandeld door Vydate 10G niet op juiste wijze te gebruiken, terwijl verdachte daaraan feitelijk leiding gaf; feit 2 hield in dat [bedrijf 3] op 16 september 2022 zeven flacons Input 460 EC en twee (aangebroken) flacons Match 12821N, niet in Nederland toegelaten middelen, op voorraad had, eveneens onder feitelijke leiding van verdachte. De verdediging voerde onder meer aan dat de dagvaarding voor feit 1 nietig was wegens onvoldoende verfeitelijking, dat geen opzet aanwezig was, dat het gebruik al eind 2021 zou zijn gestaakt, en dat feit 1 niet naar artikel 55 van de Verordening was ingericht en materiële wederrechtelijkheid ontbrak; voor feit 2 is geen inhoudelijk bewijsverweer gevoerd. De officier van justitie achtte beide feiten bewezen en vorderde een taakstraf van 40 uur voor feit 1 en een geldboete van 500 euro voor feit 2.

De rechtbank verklaart de dagvaarding geldig, omdat in de tenlastelegging concreet is uitgewerkt waarin het onjuiste gebruik van Vydate bestond (mengen met bulgur en ná oppotten verstrooien), wat, mede in het licht van het dossier, voldoet aan artikel 261 Sv en bij economische delicten geen verdergaande verfeitelijking vereist is. De rechtbank acht bewezen dat [bedrijf 1] en [bedrijf 2] opzettelijk meermalen in strijd met artikel 55 Verordening 1107/2009 hebben gehandeld, nu uit de verklaringen van de verantwoordelijke werknemer en verdachte, alsmede uit de aangetroffen mengapparatuur, strooiers en monsters met Oxamyl (de werkzame stof van Vydate), volgt dat de niet-toegelaten toepassingswijze tot en met de inval op 16 september 2022 is voortgezet; alleen het onderdeel “toevoegen aan de bark” wordt niet bewezen en leidt tot partiële vrijspraak. De ondernemingen en de werknemer hebben volgens de rechtbank als medeplegers geopereerd, terwijl verdachte als bestuurder met zeggenschap wist van de gekozen werkwijze, deze aanstuurde en niet de voorgeschreven toepassing wilde, zodat hij daaraan feitelijke leiding heeft gegeven. Voor feit 2 volgt de bewezenverklaring uit de bekennende verklaring en de aangetroffen flacons niet-toegelaten middelen, wederom onder feitelijke leiding van verdachte. Het verweer dat feit 1 niet kan worden gekwalificeerd als overtreding van artikel 20 Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, en dat materiële wederrechtelijkheid ontbreekt omdat de gekozen werkwijze volgens verdachte veiliger zou zijn, wordt verworpen, nu artikel 20 expliciet verwijst naar artikel 55 van de Verordening, de voorschriften uit artikel 31 moeten worden nageleefd en verdachte zijn stelling over een hogere of gelijkwaardige bescherming niet (wetenschappelijk) heeft onderbouwd. De rechtbank acht beide feiten strafbaar en verdachte toerekeningsvatbaar, wijst het beroep op overschrijding van de redelijke termijn af, maar houdt bij de strafmaat wel rekening met het tijdsverloop, de impact van het onderzoek en het streven van de onderneming naar milieubewuste bestrijding. Gezien ernst en duur van de overtredingen en het blanco relevante strafblad legt de rechtbank voor feit 1 een voorwaardelijke geldboete van 2.000 euro op met een proeftijd van twee jaar en bepaalt dat voor feit 2 geen straf of maatregel wordt opgelegd, mede omdat de rechtspersoon daarvoor al een boete van 5.000 euro moet betalen.

7.3 “Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat feit 1 is bewezen en een kwalificatie oplevert van schending van artikel 20 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (waaraan verdachte feitelijk leiding heeft gegeven). Daarin is bepaald dat het verboden is in strijd te handelen met artikel 55 van de Verordening. Dat is ook ten laste gelegd. In artikel 55 van de Verordening wordt verwezen naar voorschriften in artikel 31 van de Verordening; die moeten worden nageleefd en bewezen is dat dat niet is gebeurd. Het verweer dat feit 1 niet kan worden gekwalificeerd wordt daarmee verworpen.

Over het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid overweegt de rechtbank het volgende. Van het ontbreken van materiële wederrechtelijkheid kan sprake zijn als door de handelwijze van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] het met de overtreden strafbepaling nagestreefde doel wordt bereikt of daardoor een hoger belang wordt gediend, of wanneer bepaald gedrag naar algemeen aanvaarde professionele of maatschappelijke normen toelaatbaar is. Dat hiervan sprake zou zijn is door verdachte onvoldoende onderbouwd. Niet is gebleken dat de toepassingswijze naar de huidige stand van de wetenschap tot hetzelfde of een hoger niveau van bescherming van de gezondheid van de mens zou leiden. Het had op de weg van verdachte gelegen het standpunt nader te onderbouwen. De rechtbank verwerpt het verweer.

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.”