Gepubliceerd op woensdag 4 maart 2026
LS&R 2353
Hoge Raad ||
10 feb 2026
Hoge Raad 10 feb 2026, LS&R 2353; ECLI:NL:HR:2026:223 https://lsenr.nl/artikelen/illegale-verhandeling-van-d-carvone-als-gewasbeschermingsmiddel-kwalificatie-als-gewasbeschermingsmiddel-en-verwerping-van-het-verweer-in-cassatie

Illegale verhandeling van D‑carvone als gewasbeschermingsmiddel: kwalificatie als gewasbeschermingsmiddel en verwerping van het verweer in cassatie

HR 10 februari 2026, LS&R 2353; ECLI:NL:HR:2026:223. De zaak betreft een bestuurder van een rechtspersoon die in Nederland een kiemremmingsmiddel voor pootaardappelen (met de stof D‑carvone) op de markt heeft gebracht, terwijl dit middel hier niet was toegelaten als gewasbeschermingsmiddel. Het middel werd onder een handelsnaam verhandeld en gepresenteerd met een gebruiksaanwijzing en etikettering die inhielden dat het diende ter bescherming van gewassen, waardoor het onder de definitie van een gewasbeschermingsmiddel van de Verordening (EG) nr. 1107/2009 viel. Het openbaar ministerie verweet de verdachte dat hij (als feitelijk leidinggever) opzettelijk en meermalen in strijd met de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden had gehandeld door een niet‑toegelaten gewasbeschermingsmiddel in de handel te brengen. In feitelijke instanties voerde de verdediging onder meer aan dat het product geen gewasbeschermingsmiddel zou zijn, dan wel dat een uitzondering of vrijstelling gold, en dat daarom geen sprake kon zijn van een strafbaar feit. De rechtbank heeft de feitenvaststelling en kwalificatie van het product als gewasbeschermingsmiddel gevolgd, het verweer verworpen, de verdachte schuldig bevonden aan het opzettelijk op de markt brengen van een niet‑toegelaten gewasbeschermingsmiddel en een straf (incl. geldboete) opgelegd.

In hoger beroep heeft het hof de uitleg van het begrip gewasbeschermingsmiddel en de toepasselijkheid van de uitzonderingen opnieuw beoordeeld, maar is tot hetzelfde oordeel gekomen dat het product onder de gewasbeschermingsregels viel en niet was toegelaten in Nederland. Het hof heeft de verweren dat het om een (ongevaarlijk) aroma of andersoortig product zou gaan en dat de Europese of nationale regelgeving onjuist was toegepast, verworpen en de uitspraak van de rechtbank in essentie bekrachtigd. In cassatie klaagde de verdediging onder meer dat het hof het begrip gewasbeschermingsmiddel en de relevante uitzonderingen (zoals mogelijke uitsluiting voor bepaalde stoffen of gebruiksdoeleinden) verkeerd had uitgelegd en onvoldoende gemotiveerd was ingegaan op het verweer. De Hoge Raad verwerpt deze klachten en oordeelt dat het hof het Unierechtelijke begrip gewasbeschermingsmiddel juist heeft toegepast, dat de motivering toereikend is en dat geen sprake is van een onjuiste rechtsopvatting of motiveringsgebrek, waardoor de veroordeling in stand blijft.

2.2.2 Het hof heeft over een door de verdediging gevoerd verweer onder meer overwogen:

“D-Carvone is (...) door de verdachte als gewasbeschermingsmiddel verkocht en door zijn kopers toegepast. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het middel als zodanig valt onder de thans geldende Verordening (EG) nr. 1107/2009 (de Verordening) en de Biocidenverordening (EU) 528/2012. Volgens de verdediging is dat niet het geval, aangezien het middel zou vallen onder de in artikel 2, eerste lid, onder c van de Verordening genoemde uitzondering voor stoffen of middelen die vallen onder bijzondere communautaire bepalingen inzake bewaarmiddelen. Die bijzondere communautaire bepaling zou dan in dit geval, zo begrijpt het hof, de EU-richtlijn 88/388 zijn, want aldus heeft het hof Arnhem Leeuwarden in 2014 geoordeeld.

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft in zijn arrest uit 2014 geoordeeld dat de stof d-carvon - ten aanzien waarvan dit hof er bij gebrek aan aanwijzingen voor het tegendeel van uit gaat dat dit dezelfde stof is als het hier aan de orde zijnde D-Carvone - viel onder de werkingssfeer van Richtlijn nr. 88/388/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 22 juni 1988 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake aroma's voor gebruik in levensmiddelen en de uitgangsmaterialen voor de bereiding van die aroma's (PbEG L 184). Dit hof volgt dit oordeel voor zover de stof als aroma/additief voor levensmiddelen wordt toegepast, maar niet voor zover deze stof als gewasbeschermingsmiddel wordt toegepast. In dat geval is Richtlijn 88/388, zo volgt alleen al uit de naamgeving van die richtlijn, niet op D-Carvone van toepassing. De door de verdediging aangehaalde uitzondering in artikel 2, eerste lid, onder c van de Verordening is daarmee evenmin van toepassing. D-Carvone als gewasbeschermingsmiddel valt niet onder de bescherming van categorie III van de RUB (...).”