6 nov 2025
Feitelijk leidinggeven aan onjuist gebruik van gewasbeschermingsmiddel en verboden voorraad: veroordeling bestuurder orchideeënbedrijven
Rb. Amsterdam 6 november 2025, LS&R 2346; ECLI:NL:RBAMS:2025:10924 (het Openbaar Ministerie tegen [verdachte]). De Rechtbank Amsterdam veroordeelt een bestuurder wegens het feitelijk leidinggeven aan overtredingen van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden. Twee aan hem gelieerde orchideeënbedrijven gebruikten in de periode 2020–2022 het gewasbeschermingsmiddel Vydate 10G in strijd met de gebruiksvoorschriften van Verordening (EG) nr. 1107/2009. In plaats van toepassing via potgrondbehandeling vóór het oppotten, werd Vydate gemengd met bulgur en na het oppotten over de planten gestrooid. De rechtbank oordeelt dat de tenlastelegging voldoende feitelijk was uitgewerkt en verwerpt het verweer dat verdere verfeitelijking bij economische delicten vereist zou zijn. Ook het verweer dat geen sprake was van opzet wordt verworpen: binnen de ondernemingen was bekend dat niet volgens het etiket werd gewerkt. Daarnaast stond vast dat een derde vennootschap verboden gewasbeschermingsmiddelen (Input 460 EC en Match 12821N) in voorraad had. De rechtbank acht beide feiten bewezen, met uitzondering van een onderdeel van de tenlastelegging (toevoegen aan de bark).
De rechtbank stelt vast dat de verdachte, als bestuurder met feitelijke zeggenschap, bewust heeft toegestaan en gestuurd op het onjuiste gebruik van Vydate en daarmee feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen. Het beroep op het ontbreken van materiële wederrechtelijkheid faalt: niet is onderbouwd dat de gekozen werkwijze een gelijk of hoger beschermingsniveau voor mens, dier en milieu bood dan het voorgeschreven gebruik. Ook van schending van de redelijke termijn is geen sprake. Bij de strafoplegging weegt de rechtbank wel mee dat de ondernemingen zochten naar een milieuvriendelijkere bestrijdingsmethode en dat de verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. De rechtbank legt voor het onjuiste gebruik van Vydate een voorwaardelijke geldboete van € 2.000 op met een proeftijd van twee jaar en past voor het voorhanden hebben van verboden middelen artikel 9a Sr toe, zodat daarvoor geen straf wordt opgelegd.
7 De strafbaarheid van de feiten
7.1.
Het standpunt de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat feit 1 niet kan worden gekwalificeerd als een overtreding van artikel 55 van de Verordening. De tenlastelegging is niet ingericht naar de inhoud van voornoemd artikel. Verdachte dient daarom voor feit 1 te worden ontslagen van alle rechtsvervolging wegens de niet-strafbaarheid van dit feit.
Verdachte dient voor feit 1 eveneens te worden ontslagen van alle rechtsvervolging vanwege het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid. De belangen die artikel 55 van de Verordening beoogt te beschermen, werden door de werkwijze van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] in alles beter gediend dan de werkwijze volgens het gebruiksvoorschrift. Het handelen van verdachte is hierdoor te rechtvaardigen door het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid.
7.2.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich voor feit 1 op het standpunt gesteld dat voor een bewezenverklaring van overtreding van artikel 20 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden het niet noodzakelijk is dat een of meer bestanddelen uit artikel 55 van de Verordening daarin moeten worden opgenomen.
Over het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid heeft de officier van justitie zich voor feit 1 op het standpunt gesteld dat de verdediging niet nader heeft onderbouwd dat de risico’s door de gehanteerde toepassingswijze minder zijn dan bij de toepassingswijze volgens de gebruiksvoorschriften en dat de verdediging zijn standpunt baseert op ongefundeerde aannames en niet op grond van wetenschappelijk onderzoek.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat feit 1 is bewezen en een kwalificatie oplevert van schending van artikel 20 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (waaraan verdachte feitelijk leiding heeft gegeven). Daarin is bepaald dat het verboden is in strijd te handelen met artikel 55 van de Verordening. Dat is ook ten laste gelegd. In artikel 55 van de Verordening wordt verwezen naar voorschriften in artikel 31 van de Verordening; die moeten worden nageleefd en bewezen is dat dat niet is gebeurd. Het verweer dat feit 1 niet kan worden gekwalificeerd wordt daarmee verworpen.
Over het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid overweegt de rechtbank het volgende. Van het ontbreken van materiële wederrechtelijkheid kan sprake zijn als door de handelwijze van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] het met de overtreden strafbepaling nagestreefde doel wordt bereikt of daardoor een hoger belang wordt gediend, of wanneer bepaald gedrag naar algemeen aanvaarde professionele of maatschappelijke normen toelaatbaar is. Dat hiervan sprake zou zijn is door verdachte onvoldoende onderbouwd. Niet is gebleken dat de toepassingswijze naar de huidige stand van de wetenschap tot hetzelfde of een hoger niveau van bescherming van de gezondheid van de mens zou leiden. Het had op de weg van verdachte gelegen het standpunt nader te onderbouwen. De rechtbank verwerpt het verweer.
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.