12 jun 2026
P-G: schending informatieplicht leidt niet tot aansprakelijkheid Sint Maartenskliniek
HR 12 juni 2026, LS&R 2400; ECLI:NL:PHR:2026:575 ([de patiënt] tegen Sint Maartenskliniek). In deze zaak tussen [de patiënt] en de Sint Maartenskliniek staat de vraag centraal of een ziekenhuis aansprakelijk is voor de schade die een patiënt heeft geleden na een rugoperatie, wanneer vaststaat dat het ziekenhuis zijn informatieplicht heeft geschonden maar onzeker is of de patiënt bij volledige voorlichting van de operatie zou hebben afgezien. De procureur-generaal concludeert dat het cassatieberoep van [de patiënt] moet worden verworpen. [de patiënt] werd in 2013 wegens ernstige rugklachten verwezen naar de Sint Maartenskliniek. Op 27 november 2013 onderging hij daar een operatie. Tijdens die ingreep trad een complicatie op, waardoor een incomplete dwarslaesie ontstond. Daarna volgden nog twee operaties. Als gevolg van de eerste operatie liep [de patiënt] een partiële dwarslaesie op en raakte hij rolstoelgebonden. In de civiele procedure vorderde [de patiënt] een verklaring voor recht dat de Sint Maartenskliniek aansprakelijk is voor zijn schade. Daarbij voerde hij onder meer aan dat de kliniek hem voorafgaand aan de operatie onvoldoende had geïnformeerd over de aard van de ingreep, de daaraan verbonden risico's en mogelijke alternatieven. Het hof stelde vast dat de Sint Maartenskliniek inderdaad haar informatieplicht uit de WGBO (afdeling geneeskundige behandelingsovereenkomst in het Burgerlijk Wetboek, waaronder Artikel 7:448 BW over de informatieverstrekking door de hulpverlener) had geschonden. Daarmee stond echter nog niet vast dat de kliniek ook aansprakelijk was voor alle schade die [de patiënt] had geleden. Doorslaggevend is immers of voldoende aannemelijk is dat de patiënt bij een behoorlijke voorlichting van de behandeling zou hebben afgezien. Het hof heeft bij die beoordeling aansluiting gezocht bij de maatstaf van de redelijk handelend patiënt. Daarbij zijn onder meer de ernst van de klachten, de kans op herstel zonder operatie, de alternatieve behandelmethoden en de risico's van de ingreep betrokken. Het hof kwam tot het oordeel dat een redelijk handelend patiënt in de positie van [de patiënt] ook bij volledige voorlichting voor de operatie zou hebben gekozen.
De rugklachten bestonden al jarenlang, namen toe in ernst en beperkten [de patiënt] aanzienlijk in zijn dagelijks functioneren. Daarnaast was de kans op verbetering zonder operatie beperkt en was de kans op het optreden van een dwarslaesie zeer klein. Het hof baseerde zich daarbij op een onafhankelijk deskundigenrapport en oordeelde dat de operatie medisch geïndiceerd was en conform de professionele standaard was uitgevoerd. In cassatie klaagt [de patiënt] onder meer dat het hof een onjuiste maatstaf heeft toegepast en onvoldoende gewicht heeft toegekend aan zijn persoonlijke omstandigheden. De procureur-generaal volgt die klachten niet. Volgens hem heeft het hof de juiste juridische maatstaf gehanteerd en zijn oordeel voldoende gemotiveerd. Het hof mocht betekenis toekennen aan objectieve omstandigheden, zoals de ernst van de aandoening en de beperkte behandelmogelijkheden, en hoefde niet doorslaggevend te achten dat [de patiënt] achteraf heeft verklaard dat hij de operatie zou hebben geweigerd. Ook acht de procureur-generaal de uitleg en waardering van het deskundigenrapport door het hof niet onbegrijpelijk; de cassatierechter toetst die waardering terughoudend. De procureur-generaal wijst erop dat de informatieplicht van een arts een fundamenteel patiëntenrecht vormt, maar dat een schending daarvan niet zonder meer leidt tot aansprakelijkheid voor de volledige letselschade. Ook wanneer vaststaat dat onvoldoende informatie is verstrekt, moet nog worden beoordeeld of de patiënt bij een juiste voorlichting daadwerkelijk een andere keuze zou hebben gemaakt. Omdat het hof die vraag ontkennend heeft beantwoord en dat oordeel volgens de procureur-generaal in cassatie standhoudt, adviseert hij de Hoge Raad het cassatieberoep te verwerpen. De Hoge Raad moet nog arrest wijzen.
3.8 Het hof bedoelt in rechtsoverweging 2.16 het volgende. Uitgaande van het bestaan van een indicatie voor de uitgevoerde operatie bestaande in een hoog complicatierisico en ongunstige prognose, zou [de patiënt] , als hij wél (volledig) over de risico’s van de operatie was geïnformeerd, als redelijk handelend patiënt geen andere keuze hebben kunnen maken dan die voor een operatie op enige (korte) termijn. Niet-opereren was gelet op het stadium van de afwijking geen optie meer. Dit laatste is immers de consequentie van de keuze van het hof voor de opinie van [orthopedisch chirurg 3] met betrekking tot de indicatie en de verwerping van de afwijkende visie op dat punt van [orthopedisch chirurg 2] in rechtsoverweging 2.15.
3.9 Dat het hof inderdaad dit rechtstreekse verband legt tussen de indicatie voor de operatie en de keuze van [de patiënt] als redelijk handelend patiënt, is de achtergrond van de al genoemde, nogal kortaf geformuleerde, eerste zin van rechtsoverweging 2.16. En inderdaad, hoewel de afweging van de arts en die van de patiënt niet dezelfde zijn, spelen daarbij wel deels dezelfde overwegingen een rol, in het bijzonder overwegingen met betrekking tot de medische risico’s van een bepaalde behandeling en het al dan niet bestaan van een reëel alternatief (hetzij in de zin van een andere behandeling, hetzij in die van een afzien van behandeling).8 Bij de patiënt kunnen uiteraard daarnaast ook persoonlijke overwegingen een rol spelen. Naarmate de medische afweging duidelijker in een bepaalde richting wijst, zullen bij een redelijk handelende patiënt zulke persoonlijke overwegingen echter minder gewicht in de schaal kunnen leggen. Ook voor een zodanige patiënt weegt dan de medische realiteit van zijn situatie het zwaarst. Juist dit laatste doet zich volgens het kennelijke oordeel van het hof hier voor.
3.10 In welke zin moet dan worden gelezen de verwijzing door het hof in het vervolg van rechtsoverweging 2.16 naar de rapportage van [orthopedisch chirurg 2] ? Het hof leest in die rapportage dat áls de progressie van de afwijking zodanig zou zijn voortgeschreden dat ook volgens [orthopedisch chirurg 2] alsnog een operatie nodig werd, dit een operatie was met dezelfde risico’s en gelijke waarschijnlijkheid als in november 2013. Het hof leest dus bij [orthopedisch chirurg 2] (1) een veronderstelling (de progressie is zodanig dat een operatie nodig is) en (2) een oordeel over de causaliteit (dezelfde risico’s en gelijke waarschijnlijkheid), maar haalt [orthopedisch chirurg 2] alleen aan vanwege het tweede, dus zijn oordeel over de causaliteit (2). Dat ook aan de veronderstelling (1) voor dat oordeel is voldaan, ontleent het hof niet aan [orthopedisch chirurg 2] . Diens visie op dat punt heeft het hof immers in rechtsoverweging 2.15 juist verworpen.
3.11 Maar wat is de relevantie van het oordeel van [orthopedisch chirurg 2] dat een latere operatie dezelfde risico’s met gelijke waarschijnlijkheid had meegebracht? Is de strekking van de eerste zin van rechtsoverweging 2.16 niet dat er een indicatie was voor zo spoedig mogelijk opereren, dus zonder relevant uitstel? Ik denk dat het als volgt is. Het hof heeft zich ten volle willen verplaatsen in de moeilijke afweging die [de patiënt] als redelijk handelend patiënt zou hebben moeten maken, en heeft de mogelijkheid onder ogen gezien dat [de patiënt] vanwege zijn situatie (actief leven en relatief welbevinden) mogelijk zichzelf nog een kort uitstel van de risicovolle operatie had gegund, bijvoorbeeld met het oog op een aanstaande bijzondere gebeurtenis in zijn leven. Vervolgens rijst de vraag of dat iets zou hebben uitgemaakt voor de ernst en waarschijnlijkheid van het risico dat zich daadwerkelijk op 27 november 2013 heeft gerealiseerd. Aan de bevindingen van [orthopedisch chirurg 2] ontleent het hof dat die ernst en waarschijnlijkheid dan dezelfde zouden zijn geweest, zodat ook uitgaande van zo’n kort uitstel het causaal verband ontbreekt.