Gepubliceerd op dinsdag 4 oktober 2016
LS&R 1376
Hof Den Haag ||
6 sep 2016
Hof Den Haag 6 sep 2016, LS&R 1376; ECLI:NL:GHDHA:2016:2503 (borstvergroting door gynaecoloog), https://lsenr.nl/artikelen/beroepsaansprakelijkheid-arts-borstvergrotingen-uitgevoerd-in-priv-kliniek-door-gynaecoloog

Beroepsaansprakelijkheid arts: borstvergrotingen uitgevoerd in privékliniek door gynaecoloog

Gerechtshof Den Haag 6 september 2016, LS&R 1376; ECLI:NL:GHDHA:2016:2503 (borstvergroting door gynaecoloog) Geneeskunde. Beroepsaansprakelijkheid. Beroepsaansprakelijkheid arts: borstvergrotingen uitgevoerd in privékliniek door gynaecoloog. De patiënt heeft klachten na de operatie zoals infecties, grote littekens en assymetrische borsten. Volgens het hof is de opgelopen infectie aan de borst toe te schrijven aan de arts en aan de omstandigheden waaronder zij is geopereerd. Daarnaast is het verwijtbaar dat de arts, ondanks het klagen van de patiënt, een ‘afwachtend beleid’ heeft gevoerd. Ook is de arts te kort geschoten in de nazorg. Het hof veroordeelt de arts tot het betalen van een schadevergoeding.

5.3 Het hof overweegt als volgt. Het hof stelt vast dat uit de – door [appellant] inhoudelijk niet dan wel onvoldoende weersproken – verklaring van [A] (zie hiervoor onder 2.24) blijkt dat bij [appellant] sprake was van een flinke infectie en kapselvorming, ook was sprake van een gescheurde prothese. Uit de hierboven geciteerde – en door [appellant] niet of onvoldoende onderbouwd weersproken – overwegingen uit de uitspraak van het Regionaal Tuchtcollege van 11 mei 2010 (zie hiervoor onder 2.6), de uitspraak van het Centraal Tuchtcollege van 23 juni 2011 (rov. 2.7), het deskundigenbericht van dr. Schellekens (rov. 2.9) en de uitspraak van rechtbank Den Haag van 30 oktober 2014 (rov. 2.11) komt het beeld naar voren dat de werkwijze in de CityKliniek niet voldeed aan de daaraan te stellen hygiënische c.q. steriliteitseisen. Immers uit genoemde overwegingen blijkt dat [appellant] zijn patiënten behandelde in een operatiekamer die niet voldeed aan de redelijkerwijs daaraan te stellen bouwkundige eisen, terwijl ook de reiniging/desinfectie van de behandelkamer en de gebruikte apparatuur te wensen overliet. Daarbij komt dat een borstvergroting volgens Schellekens kan worden gezien als een "schone" operatie, waarbij het niet nodig is om na afloop nog een antibioticakuur te verschaffen. Bij een "lege artis" uitgevoerde operatie is de kans op een nabloeding of infectie volgens de verschillende deskundigen zeer klein. Het aantal infecties/complicaties na door [appellant] uitgevoerde borstvergrotingen lijkt dat echter niet te zijn, ondanks dat hij zijn patiëntes nadien veelal een antibioticakuur voorschreef. Het hof stelt vast dat ook [appellant] zelf thans erkent dat er – gelet op het aantal "afstotingsverschijnselen" – duidelijk iets mis was (MvG, onder 15). Het hof tekent daarbij aan dat het uit de verklaring van dr. Schellekens begrijpt dat waar [appellant] spreekt over "afstotingsverschijnselen", feitelijk sprake is van infecties. Dat een deel van de patiënten naar andere artsen is gegaan, die [appellant] niet hebben gewaarschuwd dat zich een besmettingsbron in de CityKliniek bevond, doet aan het vorenstaande niet af. Evenmin doet aan het vorenstaande af, dat niet is vastgesteld dat de infectie bij [geïntimeerde 1] werd veroorzaakt door de pseudomonasbacterie (zoals bij de patiëntes in de stafzaak). Waar de hygiëne en infectiepreventie tekort schiet, krijgt immers niet alleen de pseudomonasbacterie een kans, maar ook andere bacteriën. Dit een en ander rechtvaardigt het bewijsvermoeden dat de door [geïntimeerde 1] opgelopen infectie is toe te schrijven aan de omstandigheden waaronder zij is geopereerd en derhalve [appellant] is te verwijten. Aan tegenbewijslevering door [appellant] wordt niet toegekomen, reeds omdat hij niets heeft gesteld dat – indien bewezen – het bewijsvermoeden kan ontkrachten en overigens omdat dit gelet op het navolgende niet opportuun is.

6.3 Het hof overweegt als volgt. Uit de door [appellant] niet, althans onvoldoende gemotiveerd weersproken informatie van dr. [C] (zie hiervoor rov. 2.27 e.v.) blijkt dat sprake was van een infectie van de rechterborst. Gelet op hetgeen het hof hiervoor onder rov. 5.3 heeft overwogen, is ook hier het bewijsvermoeden gerechtvaardigd dat de door [geïntimeerde 2] opgelopen infectie is toe te schrijven aan de omstandigheden waaronder zij is geopereerd en derhalve [appellant] is te verwijten. Zo de pijn aan de rechterborst niet zou zijn veroorzaakt door een bacteriële infectie opgelopen tijdens de operatie, moet – gelet op de verklaring van dr. [C] dat sprake was van een te kleine pocket – worden aangenomen dat de pijn die [geïntimeerde 2] van meet af aan rapporteerde, het gevolg was van een te kleine pocket. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, acht het hof niet waarschijnlijk dat de te kleine pocket is ontstaan door kapselvorming ontstaan door roken, zoals door [appellant] is gesuggereerd. Het ligt – gelet op het feit dat [geïntimeerde 2] van meet af aan pijn in de rechterborst heeft gerapporteerd en kennelijk niet in beide borsten sprake was van kapselvorming – meer in de rede te veronderstellen dat de prothese rechts bij de operatie is geplaatst in een te kleine pocket, dan wel dat de pijn werd veroorzaakt door een bij de operatie opgelopen infectie. Ook in geval van een van meet af aan te kleine pocket is het vermoeden gerechtvaardigd dat sprake was van een kunstfout van [appellant] . Aan tegenbewijslevering door [appellant] wordt niet toegekomen, omdat hij niets heeft gesteld dat – indien bewezen – deze bewijsvermoedens kan ontkrachten.

6.4 Anders dan [appellant] meent, kan hem naar het oordeel van het hof ook een verwijt worden gemaakt ten aanzien van de nazorg. Als niet, althans onvoldoende, bestreden staat immers vast dat [geïntimeerde 2] van meet af aan heeft geklaagd over pijn in haar rechterborst. Zij heeft tevens aangegeven dat haar rechterborst harder aanvoelde dan de linker. Zij heeft zich hiervoor in mei 2009 meerdere malen tot [appellant] gewend. [appellant] heeft in de klachten van [geïntimeerde 2] geen aanleiding gezien in te grijpen (anders dan door het meegeven van een flesje littekenolie), hij heeft gekozen voor een afwachtend beleid. Dat hij later heeft geconstateerd dat sprake was van kapselvorming, in verband waarmee hij een gratis pocketrevisie heeft aangeboden, doet hieraan niet af. Niet valt in te zien dat het feit dat de (gratis) pocketrevisie door [appellant] niet heeft plaatsgevonden, waardoor [geïntimeerde 2] was aangewezen op een – in beginsel door haar zelf betaalde – pocketrevisie door dr. [C] , niet aan [appellant] valt toe te rekenen. Evenmin onderschrijft het hof de stelling van [appellant] dat aan [geïntimeerde 2] te verwijten valt dat zij de door dr. [C] geadviseerde pocketrevisie niet direct heeft laten uitvoeren, waardoor de situatie is verergerd en een acute operatie nodig werd. Dr. [C] constateerde op 13 juli 2009 weliswaar een dreigende perforatie van de vliesdunne tepelhof, maar schatte immers op 13 juli 2009 (anders dan op 21 augustus 2009) de situatie niet dusdanig acuut in, dat onmiddellijk ingrijpen (met mogelijk alle kosten voor eigen rekening van [geïntimeerde 2] ) gewenst was. Hij meende dat sprake was van een te kleine pocket die met een pocketvergroting was te verhelpen, waartoe hij een aanvraag heeft gericht aan de verzekeraar. Het enkele feit dat de klachten van [geïntimeerde 2] zijn verergerd tijdens haar vakantie in het buitenland, rechtvaardigt naar het oordeel van het hof niet de door [appellant] geponeerde stelling dat haar klachten daaraan zijn te wijten.

6.5 Dit een en ander leidt tot het oordeel dat [appellant] jegens [geïntimeerde 2] zowel in de hoofdfase als in de nafase niet heeft gehandeld zoals een redelijk handelend, redelijk bekwaam vakgenoot betaamt. [appellant] is derhalve aansprakelijk voor de schade die [geïntimeerde 2] heeft geleden door de omstandigheid dat [appellant] de door dan wel direct na de operatie ontstane complicaties aan de rechterborst niet adequaat heeft behandeld.