23 jul 2026,
Rechtbank wijst vorderingen fysiotherapiepraktijken over hogere CZ-tarieven af wegens ontbreken spoedeisend beelang
Rechtbank Den Haag 2 juli 2026, LS&R 2416; ECLI:NL:RBDHA:2026:17894 (De fysiotherapiepraktijken tegen CZ). In deze zaak tussen een aantal fysiotherapiepraktijken en zorgverzekeraar CZ staat de vraag centraal of CZ haar tarieven voor fysiotherapeutische zorg in 2026 en 2027 moet verhogen en nader moet onderbouwen. Enkele andere fysiotherapiepraktijken zijn in de procedure tussengekomen en hebben zich bij de vorderingen aangesloten. De fysiotherapiepraktijken stellen dat CZ geen reële, kostendekkende en voldoende geïndexeerde tarieven hanteert. Volgens hen leidt dit tot financiële problemen, achterblijvende salarissen, onbetaald werk en uitstroom uit de sector. Zij vorderen daarom onder meer tariefverhogingen, toepassing van kostprijzen en indexaties, een kostprijsonderzoek en een verbod om vergoedingen voor aanvullende eisen zonder voorafgaand onderzoek te verlagen.
De voorzieningenrechter wijst de vorderingen af wegens onvoldoende spoedeisend belang. De fysiotherapiepraktijken hebben niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een acute noodsituatie waardoor een bodemprocedure niet kan worden afgewacht. Daarbij weegt mee dat de NZa in haar recente marktonderzoek geen stelselbreed toegankelijkheidsprobleem of acute continuïteitsproblemen heeft vastgesteld. De NZa signaleert wel financiële druk bij sommige praktijken en risico’s voor de middellange termijn. Ook heeft CZ een zwaarwegend belang bij behoud van de bestaande tarieven, omdat aanzienlijke tariefverhogingen gevolgen kunnen hebben voor de zorgkosten en de premies van verzekerden. Daarnaast is in het kort geding onvoldoende duidelijk geworden of de overeengekomen tarieven daadwerkelijk irreëel of ondeugdelijk onderbouwd zijn. Daarvoor is nader feitenonderzoek en mogelijk bewijslevering nodig, waarvoor een kort geding zich niet leent. De rechtbank wijst alle vorderingen af en veroordeelt de fysiotherapiepraktijken hoofdelijk in de proceskosten van CZ.
5.4 Het stellen van hoge eisen aan het spoedeisend belang laat zich in nog veel belangrijkere mate rechtvaardigen door het feit dat op basis van het in deze kortgedingprocedure gevoerde partijdebat nog volstrekt onduidelijk is of de vorderingen van de fysiotherapiepraktijken in een bodemprocedure zullen worden toegewezen. Meer in het bijzonder kan niet met de vereiste mate van aannemelijkheid worden aangenomen dat een bodemrechter tot de conclusie zal komen dat de door CZ met de fysiotherapiepraktijken overeengekomen tarieven irreëel zijn en dat een onverkorte toepassing door CZ van die tarieven naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Evenmin is voldoende aannemelijk dat een bodemrechter zal oordelen dat CZ de overeengekomen tarieven onvoldoende inzichtelijk heeft onderbouwd en dat een kostprijsonderzoek is aangewezen. Daartoe is van belang dat CZ de uitvoerig door de fysiotherapiepraktijken gemotiveerde stellingen dat sprake is van irreële en ondeugdelijk onderbouwde tarieven voor fysiotherapie gemotiveerd heeft weersproken. Daarbij heeft CZ onder meer het standpunt ingenomen dat de gecontracteerde tarieven hun basis vinden in het breed gedragen en inmiddels rechterlijk getoetst Kostenonderzoek paramedische zorg dat Gupta in de periode van september 2019 tot januari 2020 in opdracht van Zorgverzekeraars Nederland, het Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie, de Stichting Keurmerk Fysiotherapie en het Paramedisch Platform Nederland heeft uitgevoerd. In dit onderzoek heeft Gupta volgens CZ op een deugdelijke en zorgvuldige wijze de kostprijs per prestatie in 2018 onderzocht en om die reden kan dit kostenonderzoek naar haar mening een deugdelijke basis vormen voor de thans overeengekomen tarieven. Daarnaast stelt CZ gemotiveerd dat zij deze tarieven na het implementeren van de uitkomsten van het kostenonderzoek van Gupta ook toereikend heeft geïndexeerd. Daarbij stelt CZ meer in het bijzonder dat de fysiotherapiepraktijken in hun betoog ten onrechte zowel de prestatie- als de contractmix buiten beschouwing hebben gelaten. Ook miskennen de fysiotherapiepraktijken volgens CZ dat sprake is van een onbenut doelmatigheidspotentieel en gaat de vergelijking met de salarissen van fysiotherapeuten in de tweede lijn mank. De fysiotherapiepraktijken, op wie zowel de stelplicht als de bewijslast ten aanzien van het bestaan van irreële en ondeugdelijk gemotiveerde tarieven rust, hebben weliswaar op hun beurt de door CZ ingenomen standpunten weersproken, maar zonder nader feitenonderzoek en/of bewijslevering kan niet worden vastgesteld wie van partijen het gelijk op de verschillende geschilpunten aan haar/hun zijde heeft. In het beperkte bestek van deze kortgedingprocedure is voor nader feitenonderzoek en/of bewijslevering geen plaats. De omstandigheid dat onduidelijk is of een bodemrechter de vorderingen van de fysiotherapiepraktijken zal toewijzen, staat daarmee aan het aannemen van het vereiste spoedeisend belang in de weg. Daarbij tekent de voorzieningenrechter nog aan dat ook als het vereiste spoedeisend belang wel zou worden aangenomen, de hiervoor geschetste onduidelijkheid over de uitkomst van een bodemprocedure eveneens een zelfstandige grond vormt voor afwijzing van de vorderingen in dit kort geding.