Gepubliceerd op vrijdag 23 oktober 2026
LS&R 2490
Rechtbank Amsterdam ||
15 jul 2026,
Rechtbank Amsterdam 15 jul 2026,, LS&R 2490; ECLI:NL:RBAMS:2026:7225 (OTCM tegen [gedaagde]), https://lsenr.nl/artikelen/opzegging-distributieovereenkomst-voor-huidverzorgingsproducten-toegestaan-ondanks-intensievere-samenwerking

Opzegging distributieovereenkomst voor huidverzorgingsproducten toegestaan ondanks intensievere samenwerking

Rb. Amsterdam 15 juli 2026, LS&R 2490; ECLI:NL:RBAMS:2026:7225 (OTCM tegen [gedaagde]). OTC Medical B.V. (OTCM), distributeur van onder meer medische hulpmiddelen, heeft een geschil met een leverancier van huidverzorgingsproducten over de beëindiging van hun distributieovereenkomst. Partijen werkten sinds 2019 samen en hadden afgesproken dat de overeenkomst na een eerste looptijd van drie jaar telkens met één jaar werd verlengd, tenzij een van hen deze met een opzegtermijn van drie maanden zou beëindigen. In 2023 intensiveerden partijen hun samenwerking door over te stappen op een model waarbij zij kosten en winsten en eventuele verliezen deelden. Ook spraken zij in 2024 over een mogelijke langdurige voortzetting van de samenwerking. De leverancier zegde de overeenkomst echter in september 2024 op tegen 31 december 2024. Volgens OTCM had de leverancier vanwege de intensievere samenwerking, de gedane marketinginvesteringen en de opgebouwde voorraad een langere opzegtermijn moeten hanteren of schadevergoeding moeten aanbieden. Daarnaast stelt OTCM dat de leverancier de contractuele exclusiviteits- en geheimhoudingsafspraken heeft geschonden door afnemers te benaderen en rechtstreeks te bevoorraden. OTCM vordert verklaringen voor recht en € 1.543.360,44 aan schadevergoeding.

De Rechtbank Amsterdam stelt voorop dat een duurovereenkomst met een contractuele opzegregeling in beginsel volgens die regeling kan worden beëindigd. De redelijkheid en billijkheid kunnen onder omstandigheden aanvullende eisen aan de opzegging stellen of een beroep op de overeengekomen regeling onaanvaardbaar maken. Volgens de rechtbank heeft OTCM echter onvoldoende onderbouwd waarom de intensivering en duur van de samenwerking, de marketinginvesteringen en de resterende voorraad in dit geval een langere opzegtermijn of schadevergoeding rechtvaardigen. De gesprekken over een langdurigere samenwerking hebben niet geleid tot concrete aanvullende afspraken, terwijl OTCM wist dat de overeenkomst tegen het einde van 2024 kon worden opgezegd. Ook stond het OTCM na de beëindiging vrij om haar resterende voorraad via andere verkoopkanalen aan te bieden. Verder oordeelt de rechtbank dat het informeren van afnemers over de aanstaande beëindiging niet in strijd is met de exclusiviteits- en geheimhoudingsbepalingen. De overige verwijten over het frustreren van de verkoop en het rechtstreeks bevoorraden van afnemers zijn onvoldoende onderbouwd. De rechtbank oordeelt dat de leverancier de overeenkomst met inachtneming van de contractuele opzegtermijn en zonder aanbod tot schadevergoeding mocht beëindigen en wijst alle vorderingen van OTCM af. OTCM wordt veroordeeld tot betaling van € 19.938 aan proceskosten.

Handelen van [gedaagde] in strijd met artikelen 3 en 14 van de distributieovereenkomst?

4.12.

Artikel 3 houdt in dat [gedaagde] geen andere distributeur naast OTCM zal aanstellen en dat zij informatieverzoeken over haar producten aan OTCM zal doorleiden. Artikel 14 ziet op een geheimhoudingsverplichting ten aanzien van bedrijfsgevoelige informatie zoals bijvoorbeeld gehanteerde winstmarges, (inkoop)prijzen of gehanteerde werkwijzen. De enkele omstandigheid dat [gedaagde] tijdens de opzegtermijn van drie maanden afnemers heeft ingelicht over het aanstaande einde van de samenwerking met OTCM is niet in strijd met de artikelen 3 en 14 van de distributieovereenkomst.

4.13.

Dat [gedaagde] de verkoop van de restvoorraad van OTCM nog binnen de looptijd van de samenwerkingsovereenkomst is gaan frustreren en zelf aan afnemers van OTCM is gaan leveren of afnemers ertoe heeft bewogen al niet meer van OTCM af te nemen, waardoor OTCM met onnodig veel restvoorraad is blijven zitten en het haar onmogelijk werd gemaakt haar voorraad nog te verkopen, is door [gedaagde] betwist maar vervolgens niet door OTCM van nadere, concrete adstructie en onderbouwing voorzien. Voor nader onderzoek naar de juistheid van de stellingen van OTCM is daarom geen plaats. Hetzelfde geldt voor de door OTCM geuite beschuldiging dat [gedaagde] enerzijds weigerde de voorraad van OTCM terug te nemen terwijl zij wel identieke producten is gaan produceren die zij begin 2025 vervolgens zelf aan de voormalige klanten van OTCM is gaan leveren. Ook deze beschuldigingen aan het adres van [gedaagde] heeft OTCM tegenover de gemotiveerde betwisting van [gedaagde] vervolgens onvoldoende geconcretiseerd en onderbouwd.