6 aug 2026,
Menzis mocht zorgovereenkomst beëindigen wegens onjuiste verklaring over belastingverplichtingen
Rb. Gelderland 6 augustus 2026, LS&R 2488; ECLI:NL:RBGEL:2026:6315 (Zorg en Research tegen Menzis). Zorg en Research Enschede V.O.F. en haar twee vennoten zijn een kort geding gestart tegen Stichting Zorgkantoor Menzis over de beëindiging van hun zorgovereenkomst. Zorg en Research verleent op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) onder meer ambulante begeleiding aan cliënten met complexe psychiatrische of verslavingsproblematiek. Menzis beëindigde de zorgovereenkomst per 12 januari 2026, omdat volgens haar uit een fraudeonderzoek bleek dat Zorg en Research zorguren had gedeclareerd die niet daadwerkelijk waren geleverd. Daarbij zouden dezelfde zorgverleners op dezelfde momenten zorg hebben geregistreerd in Enschede en op een andere zorglocatie in Donderen. Menzis voerde later ook belastingschulden en tekortkomingen in de kwaliteit van zorg als gronden voor de beëindiging aan. Zorg en Research betwist de fraudeconclusies en stelt dat het onderzoek onrechtmatig en onzorgvuldig is uitgevoerd. Zij vordert onder meer voortzetting van de zorgovereenkomst, vergoeding van geleverde zorg en het achterwege laten van aangekondigde fraudemaatregelen, waaronder registratie in het Externe Verwijzingsregister (EVR).
De voorzieningenrechter oordeelt dat vooralsnog niet aannemelijk is geworden dat het fraudeonderzoek onrechtmatig of onzorgvuldig is uitgevoerd. Uit de onderzoeksstukken blijkt dat sprake is van overlappende zorgregistraties, maar of de fraudeconclusies van Menzis over de gedeclareerde zorg juist zijn, vergt nader feitenonderzoek waarvoor het kort geding zich niet leent. Wel staat vast dat Zorg en Research bij het ondertekenen van de bestuursverklaring in 2023 heeft verklaard aan al haar verplichtingen met betrekking tot de betaling van belastingen en sociale premies te hebben voldaan, terwijl zij belastingschulden had. Volgens de voorzieningenrechter rechtvaardigt een eventuele betalingsregeling niet dat zij deze verklaring heeft afgelegd. Bovendien heeft Zorg en Research tijdens de looptijd van de overeenkomst nieuwe belastingschulden laten ontstaan en niet aan haar betalingsverplichtingen voldaan. Daarmee was Menzis op grond van de zorgovereenkomst gerechtigd deze met onmiddellijke ingang te beëindigen. De voorzieningenrechter kwalificeert het bewust onjuist invullen van de bestuursverklaring voorlopig als fraude in de zin van de overeenkomst, waardoor ook de aangekondigde fraudemaatregelen niet onrechtmatig worden geacht. De vorderingen van Zorg en Research worden afgewezen. Ook de tegenvorderingen van Menzis worden afgewezen, omdat onvoldoende is onderbouwd dat Zorg en Research niet meewerkt aan de overdracht van haar cliënten en voor het gevorderde verbod op het bewegen van cliënten om via een persoonsgebonden budget zorg bij Zorg en Research af te nemen geen grondslag is gesteld.
5.11.
Volgens Zorg en Research volgt uit het rapport van 9 januari 2026 dat het gaat om zorguren voor een totaal gedeclareerd bedrag van (slechts) € 43.627,45, waarbij zij in haar berekening in productie 55 al een bedrag van € 29.546,90 heeft verklaard, zodat slechts een bedrag van € 14.080,55 resteert waar tot nu toe nog geen verklaring voor is gevonden. Daargelaten dat de betreffende productie een omvangrijk bestand betreft waarbij Zorg en Research per declaratie kennelijk heeft getracht een verklaring te geven, heeft te gelden dat op zichzelf ook een (nog) onverklaarbaar bedrag van € 14.080,55 aan ontvangen zorggelden in beginsel voldoende kan zijn om zorgfraude aan te nemen. Immers kan niet gezegd worden dat voor die conclusie een minimum bedrag dient te gelden. Menzis betwist verder in het algemeen de juistheid van deze daags voor de zitting door Zorg en Research ingediende productie. Deze productie 55 kan, mede gelet op die betwisting van Menzis, op zichzelf er niet toe leiden dat de conclusie moet zijn dat aannemelijk is dat in een bodemprocedure zal blijken dat de conclusie van Menzis ten aanzien van de fraude onjuist is.
5.12.
Daarbij helpt ook niet dat Zorg en Research de reden voor de overlap in uren steeds aanpast. De ene keer is de verklaring dat er telefonische zorg wordt verleend vanuit een andere zorglocatie en de andere keer dat een ander de gegevens in de cliëntrapportages op een bepaald tijdstip op naam van de betreffende zorgverlener heeft ingevuld, zodat die zorgverlener op diezelfde tijd ergens anders zorg heeft kunnen verlenen. Vervolgens is een verklaring gegeven dat er onderling geruild wordt en dat dit niet wordt bijgehouden en, tot slot, ter zitting nog, dat bijvoorbeeld vennoot [eiser 1] in de ochtend zorg in Enschede verleent en dat er iemand in Donderen in de middag voor haar waarneemt totdat ze van Enschede naar Donderen (ruim 1,5 uur reistijd) is gegaan om daar vervolgens een middag- en avonddienst te draaien. Deze laatste verklaring is op geen enkele wijze nader onderbouwd. Het indienen van whatsapp-berichten of bankafschrijvingen om aan te tonen dat de zorgverlener op een bepaald moment daadwerkelijk in Donderen dan wel Enschede is geweest, is onvoldoende om aannemelijk te maken dat het gehele fraudeonderzoek van Menzis niet kan kloppen. Op die manier wordt er slechts een enkele datum uit gehaald, terwijl Menzis gemotiveerd en met stukken onderbouwd heeft aangegeven dat het gaat om een veelheid aan data waarop sprake is van een overlap. Nader feitelijk onderzoek is nodig om meer duidelijkheid te krijgen over al die data en daarvoor moet een bodemprocedure worden gevolgd. De huidige procedure leent zich daar niet voor.
5.13.
Met deze stand van zaken kan nu niet worden geconcludeerd dat Menzis ten onrechte de zorgovereenkomst heeft beëindigd en fraudemaatregelen heeft getroffen.
De belastingschuld als grond voor beëindiging
5.14.
Daar komt nog het volgende bij. Zorg en Research betwist niet dat zij ten tijde van het invullen van de bestuursverklaring (24 juli 2023) een belastingschuld had noch dat er in de jaren daarna nieuwe schulden bij de Belastingdienst zijn ontstaan. Vast staat dat zij op de bestuursverklaring heeft aangevinkt dat zij heeft voldaan aan al haar verplichtingen met betrekking tot het betalen van belastingen of sociale premies. Zorg en Research stelt dat zij dit heeft aangevinkt en ook heeft mogen aanvinken omdat zij een betalingsregeling met de Belastingdienst had getroffen en daarmee voldeed aan haar verplichtingen. Zij verwijst in dit verband naar een brief van haar boekhouder aan de Belastingdienst van 2 januari 2023 waarin om een betalingsregeling wordt verzocht voor belastingschulden tot een bedrag van € 121.036. Menzis betwist dat het betreffende hokje kon worden aangevinkt als er een betalingsregeling voor belastingschulden is getroffen. Verder betwist zij dat Zorg en Research een betalingsregeling had. Volgens Menzis is die op enig moment door de Belastingdienst ingetrokken.
Wat er verder ook zij van de stelling van Zorg en Research dat zij ten tijde van het ondertekenen van de bestuursverklaring in de veronderstelling was dat zij een betalingsregeling had getroffen en/of dat haar uitstel van betaling was verleend, dit kan er in ieder geval niet toe leiden dat Zorg en Research mocht verklaren dat zij heeft voldaan aan al haar verplichtingen met betrekking tot het betalen van belastingen. Een zodanige uitleg van deze bepaling uit de bestuursverklaring komt de voorzieningenrechter vooralsnog niet als juist voor. De tekst van de verklaring is op zichzelf helder. Zorg en Research heeft ook niet toegelicht waarom zij ten tijde van de ondertekening van een andere dan de meest voor de hand liggende uitleg is uitgegaan. De stelling van Zorg en Research dat in de nieuwe bestuursverklaring bij het inkoopbeleid van 2027 is opgenomen dat het hebben van een betalingsregeling ook voldoet, maakt dit niet anders. Het gaat hier immers om het eerdere beleid dat van toepassing is. Uit niets blijkt dat het inkoopbeleid van 2027 een weergave vormt van een bestaande praktijk. Dat is ook niet gesteld door Zorg en Research.
5.15.
Daarnaast heeft te gelden dat in deel II van de overeenkomst in artikel 12 is opgenomen dat de zorgaanbieder gedurende de looptijd van de overeenkomst moet blijven voldoen aan wat de zorgaanbieder in de bestuursverklaring heeft verklaard. Dit betekent in dit geval dat Zorg en Research gedurende de looptijd van de zorgovereenkomst moet blijven voldoen aan al haar verplichtingen met betrekking tot het betalen van belastingen en sociale premies. Als onweersproken kan worden aangenomen dat er na ondertekening van de bestuursverklaring nieuwe schulden zijn ontstaan. Menzis heeft in dat verband meerdere producties overgelegd, afkomstig van de Belastingdienst, waaruit volgt dat belastingaanslagen uit 2024, 2025 en 2026 (ook) geheel of gedeeltelijk onbetaald zijn gebleven. Hoewel Zorg en Research betwist dat zij of haar accountant de brieven van de Belastingdienst over het toekennen van de betalingsregeling en het later weer intrekken van de betalingsregeling (producties 30 en 31 van Menzis) heeft ontvangen, doet dat niet af aan het feit dat Zorg en Research zich toch had moeten realiseren dat zij niet voldeed aan de betalingsregeling doordat zij niet aan haar nieuwe betalingsverplichtingen heeft voldaan. Zij stelt in dit verband nog dat Menzis via jaarrekeningen van Zorg en Research op de hoogte was van het bestaan van de belastingschuld maar dat vormt op zichzelf nog geen rechtvaardiging voor het onjuist invullen van de bestuursverklaring dan wel het niet in lijn met die bestuursverklaring (blijven) handelen. Zorg en Research heeft door de (nieuwe) belastingschulden niet (tijdig) te betalen en vervolgens ook niet actief te melden bij Menzisin ieder geval niet voldaan aan artikel 12 van deel II van de zorgovereenkomst, zodat Menzis op grond daarvan hoe dan ook gerechtigd is om de zorgovereenkomst met onmiddellijke ingang te beëindigen.