30 jun 2026,
HvJ EU: misleidende voedselinformatie kan ook onder Richtlijn oneerlijke handelspraktijken vallen
HvJ EU 30 april 2026, RB 4038; LS&R 2406; ECLI:EU:C:2026:357 (Lidl tegen AGCM). In deze zaak tussen Lidl Italia en de Italiaanse mededingings- en consumentenautoriteit (AGCM) staat de vraag centraal of een handelaar voor een misleidende voedselinformatiepraktijk zowel kan worden aangesproken op grond van de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken (Richtlijn 2005/29/EG) als op grond van Verordening (EU) nr. 1169/2011 betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan consumenten. Het Hof oordeelt dat beide regelingen naast elkaar kunnen worden toegepast, omdat zij elkaar aanvullen en niet met elkaar in conflict zijn. Aanleiding voor het geschil vormt een bestuurlijke boete van € 1 miljoen die de AGCM aan Lidl Italia heeft opgelegd wegens de verkoop van verschillende pastaproducten. Op de verpakking werd de Italiaanse herkomst van de pasta benadrukt en vermeld dat de tarwe in Italië was gemalen, terwijl de gebruikte durumtarwe afkomstig was uit een mengsel van tarwe uit de EU en van buiten de EU. Volgens de AGCM kon de verpakking bij consumenten de indruk wekken dat ook de grondstof volledig van Italiaanse oorsprong was. Omdat de buitenlandse herkomst van de gebruikte tarwe niet op een vergelijkbare wijze onder de aandacht werd gebracht, achtte de AGCM de verstrekte informatie onvolledig en misleidend ten aanzien van een wezenlijk kenmerk van het product, namelijk de herkomst van de grondstof. Bij de vaststelling van de boete woog de AGCM mee dat miljoenen verpakkingen waren verkocht en dat de praktijk meerdere jaren had voortgeduurd. Lidl betoogt dat uitsluitend Verordening (EU) nr. 1169/2011 van toepassing is op voedselinformatie en dat daarom geen sanctie mocht worden opgelegd op grond van de nationale regels waarmee de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken is omgezet. De verwijzende rechter vraagt het Hof daarom of artikel 3, lid 4, van de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken eraan in de weg staat dat dezelfde gedraging onder beide regelingen wordt gesanctioneerd. Het Hof stelt voorop dat de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken een algemene regeling bevat voor oneerlijke handelspraktijken die rechtstreeks verband houden met de verkoop en promotie van producten aan consumenten. Misleidende handelspraktijken omvatten onder meer situaties waarin de gemiddelde consument door de presentatie van informatie wordt misleid over essentiële kenmerken van een product, zoals de samenstelling of geografische herkomst, en daardoor een aankoopbeslissing neemt die hij anders niet zou hebben genomen.
Verordening (EU) nr. 1169/2011 bevat volgens het Hof specifieke regels voor voedselinformatie. Deze verordening schrijft voor dat voedselinformatie juist, duidelijk en gemakkelijk te begrijpen moet zijn en consumenten niet mag misleiden over onder meer de aard, samenstelling, oorsprong of productiewijze van levensmiddelen. Die regels gelden niet alleen voor de informatie zelf, maar ook voor de wijze waarop levensmiddelen worden gepresenteerd, waaronder de verpakking. Daarmee regelt artikel 7 van de verordening specifieke aspecten van oneerlijke handelspraktijken in de voedingsmiddelensector. Vervolgens onderzoekt het Hof of sprake is van een conflict tussen beide regelingen in de zin van artikel 3, lid 4, van de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken. Van een dergelijk conflict is volgens het Hof slechts sprake wanneer de specifieke Unieregels verplichtingen opleggen die onverenigbaar zijn met de verplichtingen uit de richtlijn, zodat beide regelingen niet gelijktijdig kunnen worden toegepast. Een louter verschil in inhoud of reikwijdte is daarvoor onvoldoende. Dit sluit aan bij artikel 3, lid 3, van de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken, dat bepaalt dat de richtlijn “onverminderd” blijft ten aanzien van Unierechtelijke en nationale regels over de gezondheids- en veiligheidsaspecten van producten. Het Hof oordeelt dat van een dergelijk conflict geen sprake is. Beide regelingen streven weliswaar een hoog niveau van consumentenbescherming na en verbieden misleidende informatie over productkenmerken, maar zij beschermen verschillende belangen. De Richtlijn oneerlijke handelspraktijken is primair gericht op de bescherming van de economische belangen van consumenten en het tegengaan van oneerlijke handelspraktijken die het economische gedrag van consumenten beïnvloeden. Verordening (EU) nr. 1169/2011 beoogt consumenten in staat te stellen weloverwogen en veilige keuzes te maken bij levensmiddelen en beschermt daarbij, naast economische belangen, ook belangen op het gebied van gezondheid en voedselveiligheid. De beschermingsstelsels vullen elkaar daarom aan en zien op verschillende aspecten van hetzelfde gedrag. Wel merkt het Hof op dat de samenloop van beide regelingen grenzen kent. Wanneer een voedselinformatiepraktijk volledig voldoet aan alle eisen van artikel 7 van Verordening (EU) nr. 1169/2011, kan die praktijk in beginsel niet alsnog op grond van de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken worden verboden. Daarmee wordt gewaarborgd dat beide regelingen op consistente wijze worden toegepast. Het Hof concludeert dat artikel 3, lid 4, van de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken zich er niet tegen verzet dat een handelaar wordt bestraft op grond van de nationale omzettingswetgeving van die richtlijn, ook wanneer dezelfde gedraging tevens valt onder het verbod op misleidende voedselinformatie van artikel 7 van Verordening (EU) nr. 1169/2011 en de nationale uitvoeringsregels daarvan. De derde prejudiciële vraag over de verenigbaarheid van de Italiaanse sanctieregeling met artikel 13 van de richtlijn verklaart het Hof niet-ontvankelijk, omdat de verwijzende rechter onvoldoende heeft gemotiveerd waarom beantwoording daarvan noodzakelijk was voor de beslechting van het hoofdgeding.
41. Hieruit volgt dat de systemen voor consumentenbescherming onder artikel 6, lid 1, van Richtlijn 2005/29 en artikel 7 van Verordening nr. 1169/2011 complementair zijn, in die zin dat zij bedoeld zijn om verschillende aspecten van één enkel gedrag dat in strijd is met het EU-recht te bestraffen. Deze bevinding wordt bovendien ondersteund door de algemene regel van artikel 3, lid 3, van Richtlijn 2005/29, op grond waarvan die richtlijn geen afbreuk doet aan EU- of nationale regels met betrekking tot de gezondheids- en veiligheidsaspecten van producten.
42. In die omstandigheden leidt de gelijktijdige toepassing van de verplichtingen die voortvloeien uit die twee beschermingsstelsels niet tot een situatie van divergentie die niet kan worden overbrugd en bijgevolg niet tot een conflict in de zin van artikel 3, lid 4, van Richtlijn 2005/29.
43. Niettemin moet worden benadrukt dat, om zowel de effectiviteit van artikel 7 van Verordening nr. 1169/2011 in samenhang met de regels van Richtlijn 2005/29 als de consistente toepassing van beide wetgevingen te garanderen, een praktijk voor voedselinformatie die voldoet aan alle eisen van dat artikel 7 in beginsel niet verboden mag worden op grond van Richtlijn 2005/29.
44. Gelet op het voorgaande luidt het antwoord op de eerste en tweede vraag dat artikel 3, lid 4, van Richtlijn 2005/29 aldus moet worden uitgelegd dat het de mogelijkheid niet uitsluit dat, op het gebied van levensmiddelen, het gedrag van een handelaar dat een misleidende handelspraktijk vormt in de zin van artikel 6, lid 1, van die richtlijn, kan worden bestraft op grond van de nationale wetgeving ter omzetting van die richtlijn, indien dat gedrag ook valt onder het verbod van artikel 7 van Verordening nr. 1169/2011 en van de nationale wetgeving ter uitvoering van die verordening.