18 aug 2026,
Kopieer citeerwijze ||
landbouwer tegen de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
CBb: afwijzing eco-regeling onjuist, maar geen aanspraak op tarief goud
CBb 18 augustus 2026, LS&R 2448; ECLI:NL:CBB:2026:372 (landbouwer tegen de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur). Een landbouwer had voor 2023 betaling aangevraagd voor onder meer de eco-regeling van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid. In zijn Gecombineerde opgaven werd aanvankelijk berekend dat hij voor tarief goud in aanmerking kwam. De minister wees de extra betaling echter af, omdat voor de eco-activiteit stikstofbindende gewassen op de percelen 4, 23 en 70 geen waarde was toegekend. Deze percelen waren volgens de minister mede gebruikt om te voldoen aan GLMC 8. Op grond van artikel 31 lid 5 onder a Verordening (EU) 2021/2115 mogen betalingen uit de eco-regeling uitsluitend worden gedaan voor verbintenissen die verder gaan dan de toepasselijke conditionaliteiten. Tijdens de zitting liet de minister zijn standpunt voor de percelen 4 en 70 vallen, omdat deze percelen niet nodig waren om aan de 7%-grens van GLMC 8 te voldoen. Voor die percelen wordt daarom alsnog waarde toegekend, waardoor de landbouwer in aanmerking komt voor tarief zilver. Het geschil beperkte zich daarna tot perceel 23. Niet in geschil was dat dit perceel wel nodig was om de 7%-grens te halen en dat de eco-activiteit stikstofbindende gewassen op dit perceel daarom niet voor waardering in aanmerking kwam.
Het College oordeelt dat de landbouwer voor perceel 23 geen geslaagd beroep kan doen op het nationale rechtszekerheids-, vertrouwens- of evenredigheidsbeginsel. Hoewel de minister in zijn e-mail van 6 juni 2023 onduidelijk had gecommuniceerd over technische problemen, stond in de Gecombineerde opgave uitdrukkelijk dat geen waarde werd toegekend aan de eco-activiteit stikstofbindende gewassen voor zover een perceel nodig was om de 7%-grens van GLMC 8 te halen. Bovendien was gewaarschuwd dat de getoonde berekeningen nog zouden worden gecontroleerd en in sommige gevallen onjuist konden zijn. De landbouwer mocht daarom niet erop vertrouwen dat voor perceel 23 toch waarde zou worden toegekend en dat hij tarief goud zou ontvangen. Ook de aangekondigde coulance voor het ‘leerjaar’ 2023 helpt hem niet, omdat die zag op administratieve fouten en het achterwege laten van sancties, terwijl daarvan hier geen sprake is. Het College laat uitdrukkelijk in het midden of toepassing van een van deze nationale beginselen überhaupt zou kunnen leiden tot subsidieverlening in strijd met een duidelijke Unierechtelijke bepaling. Het beroep is niettemin gegrond vanwege het gewijzigde standpunt van de minister over de percelen 4 en 70. Het bestreden besluit wordt vernietigd en de minister moet binnen zes weken opnieuw op het bezwaar beslissen.
3.6
Hoewel de minister met de e-mail van 6 juni 2023 onduidelijk heeft gecommuniceerd, leidt dat er naar het oordeel van het College niet toe dat de landbouwer ervan mocht uitgaan dat de minister waarde zou toekennen voor de eco-activiteit ‘stikstofbindend gewas’ op perceel 23, en dat hij in aanmerking zou komen voor uitbetaling op het niveau van tarief goud. De waarschuwing in de Gecombineerde opgaven, hiervoor weergegeven onder 1.8, gaat specifiek over de situatie dat voor een perceel sprake is van samenhang tussen de
eco-activiteit ‘stikstofbindende gewassen’ en de invulling van de grens van 7% in het kader van GLMC 8. Op basis daarvan had voor de landbouwer duidelijk moeten zijn dat hij geen waarde toegekend zou krijgen voor deze eco-activiteit op perceel 23 in het geval hij dat perceel ook gebruikte om die grens van 7% te halen. Toch heeft de landbouwer ervoor gekozen het perceel in zijn aanmelding en aanvraag voor beide doeleinden te gebruiken. De landbouwer kon gelet op die omstandigheid niet afgaan op het feit dat in zijn Gecombineerde opgaven werd getoond dat waarde zou worden toegekend voor de eco-activiteit ‘stikstofbindende gewassen’ op perceel 23. Dit geldt te minder omdat, zoals hiervoor weergegeven onder 1.7, in de Gecombineerde opgaven steeds was vermeld dat nog gecontroleerd zou worden of de percelen die werden opgegeven voldeden aan de voorwaarden, en dat de getoonde berekeningen niet altijd klopten. De e-mail van de minister van 6 juni 2023 over technische problemen maakt ook niet dat de landbouwer daarna wel zonder meer kon uitgaan van de in de Gecombineerde opgave getoonde berekeningen. Er bestond namelijk geen aanleiding om aan te nemen dat de regels over samenhang tussen de eco-activiteit ‘stikstofbindende gewassen’ en de invulling van de grens van 7% in het kader van GLMC 8 waren veranderd. Als er bij de landbouwer onduidelijkheid bestond over de behaalde waarde of de samenhang tussen deze eco-activiteit en de grens van 7%, had het op zijn weg gelegen daarover navraag te doen bij RVO. Niet is gebleken dat de landbouwer dat heeft gedaan.
3.7
Zoals het College al eerder heeft overwogen, heeft de minister – onder meer in de door de landbouwer genoemde kamerbrief – veelvuldig gecommuniceerd dat het aanvraagjaar 2023 gezien moet worden als leerjaar waarbij voor administratieve fouten in het aanvraagproces geen sancties worden opgelegd (zie de uitspraken van 14 januari 2025, ECLI:NL:CBB:2025:8 en ECLI:NL:CBB:2025:9). De landbouwer doet een beroep op deze uitlatingen. In dit geval is echter geen sprake van een situatie die zou kunnen leiden tot het opleggen van een sanctie, zodat de toegezegde coulance niet op deze situatie van toepassing is. Dat met ingang van het aanvraagjaar 2025 de aanvraagprocedure is gewijzigd en dat de verplichting tot het aanhouden van 4% niet-productief areaal op bouwland is komen te vervallen, doet niet af aan de verplichtingen die in 2023 golden.