Gepubliceerd op dinsdag 27 oktober 2026
LS&R 2481
Rechtbank Noord-Holland ||
8 okt 2026,
Rechtbank Noord-Holland 8 okt 2026,, LS&R 2481; ECLI:NL:RBNHO:2026:13680 (SECC en ECC-I tegen de minister), https://lsenr.nl/artikelen/aanwijzing-tot-staken-longcovidbehandeling-met-ongeregistreerd-lidocainemiddel-blijft-van-kracht

Aanwijzing tot staken longcovidbehandeling met ongeregistreerd lidocaïnemiddel blijft van kracht

Rb. Noord-Holland 8 oktober 2026, LS&R 2481; ECLI:NL:RBNHO:2026:13680 (SECC en ECC-I tegen de minister). Stichting Excellent Care Clinics (SECC) en Excellent Care Clinics International B.V. (ECC-I) verzoeken de voorzieningenrechter om schorsing van een aanwijzing van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport op grond van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz). De aanwijzing verplicht de zorgaanbieders om binnen drie maanden de behandeling van patiënten met een niet-geregistreerd lidocaïnebevattend geneesmiddel, of een ander niet-geregistreerd lidocaïnebevattend geneesmiddel, te staken, tenzij de behandeling wordt voortgezet binnen een klinische proef die voldoet aan de geldende wet- en regelgeving. De klinieken gebruiken het middel voor de behandeling van neuropathische pijn bij patiënten met long covid, waarbij patiënten zichzelf thuis onderhuidse injecties toedienen. Volgens de minister voldoet de aangeboden zorg niet aan de eisen van de artikelen 2 en 3 Wkkgz. De klinieken stellen dat hun patiënten aanzienlijk baat hebben bij de behandeling en dat het staken daarvan hun gezondheid en kwaliteit van leven ernstig kan aantasten. Stichting Long Covid Recovery, die als derde-partij aan de procedure deelneemt, onderschrijft deze bezwaren.

De voorzieningenrechter stelt vast dat ongeveer zeventig patiënten de behandeling ondergaan en daarbij aanzienlijke gezondheidsvoordelen ervaren, maar dat een wetenschappelijke basis voor de werkzaamheid van deze specifieke behandeling ontbreekt. Voor het gebruikte geneesmiddel is geen handelsvergunning verleend en het is niet door het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen beoordeeld op kwaliteit, veiligheid en werkzaamheid. Ook blijkt uit onderzoek van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd dat de voorlichting aan patiënten over onder meer de risico's en het niet-reguliere karakter van de behandeling tekortschiet. Verder hebben de klinieken onvoldoende onderbouwd waarom behandeling met geregistreerde lidocaïnebevattende geneesmiddelen voor de individuele patiënten geen adequaat alternatief is. Evenmin is voldoende gebleken dat zij voortgang boeken bij het opzetten van een klinische proef om een wetenschappelijke basis voor de behandeling te verkrijgen. De voorzieningenrechter geeft geen voorlopig rechtmatigheidsoordeel over de aanwijzing, maar beperkt zich tot een belangenafweging. Daarbij weegt het belang van de minister bij het toezicht op goede zorg en het waarborgen van de patiëntveiligheid zwaarder dan het belang van de klinieken en hun patiënten bij schorsing. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen, waardoor de aanwijzing niet wordt geschorst.

15.
Al het voorgaande leidt de voorzieningenrechter tot het volgende. Vast staat dat er op dit moment geen wetenschappelijke basis is voor de betreffende behandeling met het ongeregistreerde geneesmiddel, terwijl het verzoeksters onder voorwaarden is toegestaan hun patiënten met het geregistreerde geneesmiddel of een ander lidocaïnebevattend geregistreerd geneesmiddel te behandelen, welk alternatief door de minister ook is genoemd en door verzoeksters is niet onderbouwd waarom deze alternatieven voor elk van de individuele patiënten niet adequaat is en bovendien niet is gebleken dat verzoeksters vaart zetten achter het opzetten van een klinische proef, of anderszins activiteiten ontplooien om wetenschappelijk basis voor de behandeling te verkrijgen. Onder deze omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat het belang van de minister bestaande uit de veiligheid voor de volksgezondheid bij handhaving van het besluit, meer in het bijzonder het houden van toezicht op de naleving van de Wkkgz en daarmee goede zorg en de patiëntveiligheid, in dit geval zwaarder weegt dan het belang van verzoeksters en de betrokken patiënten bij een schorsing van het besluit.