DOSSIERS
Alle dossiers
Gepubliceerd op dinsdag 28 juli 2026
LS&R 2420
Rechtbank Midden-Nederland ||
3 jun 2026,
Rechtbank Midden-Nederland 3 jun 2026,, LS&R 2420; ECLI:NL:RBMNE:2026:3069 ([eisende partij] tegen [gedaagde partij]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/zorgverlener-mag-zorgovereenkomst-niet-opzeggen-client-hoeft-zorgwoning-niet-te-verlaten

Zorgverlener mag zorgovereenkomst niet opzeggen; cliënt hoeft zorgwoning niet te verlaten

Rb. Midden-Nederland 3 juni 2026, LS&R 2420; ECLI:NL:RBMNE:2026:3069 ([eisende partij] tegen [gedaagde partij]). In deze zaak tussen een zorgverlener en een cliënt staat de beëindiging van een zorgovereenkomst en de daaraan gekoppelde huur van een zorgwoning centraal. De zorgverlener vordert ontruiming van de woning en betaling van een huurachterstand van ruim zeven duizend euro. De kantonrechter kwalificeert de zorgovereenkomst niet als een geneeskundige behandelingsovereenkomst, maar als een gewone overeenkomst van opdracht. De begeleiding was gericht op onder meer gedragsregulering, sociale contacten, zelfstandigheid, persoonlijke verzorging en medicatiegebruik. Omdat de zorg- en huurovereenkomst aan elkaar waren gekoppeld en het zorgelement overheerste, zou een rechtsgeldige beëindiging van de zorgovereenkomst in beginsel ook tot beëindiging van het woonrecht kunnen leiden.

Hoewel de wettelijke opzeggingsregels op zichzelf ruimte boden om de overeenkomst op te zeggen, is de opzegging volgens de kantonrechter naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. De cliënt was sterk afhankelijk van de zorg en begeleiding. Daarom mocht de zorgverlener alleen opzeggen als daarvoor een voldoende zwaarwegende reden bestond en zij vooraf zorgvuldig had gehandeld. De gestelde overlast, bedreigingen, zorgweigering, betalingsachterstand en niet-bewoning vormden onvoldoende grond voor beëindiging. De gedragsproblemen deden zich gedurende een korte periode voor en hingen mede samen met de beperkingen waarvoor de cliënt juist begeleiding nodig had. Een professionele zorgverlener moet dergelijk gedrag tot op zekere hoogte kunnen opvangen. De zorgverlener had de cliënt bovendien niet formeel gewaarschuwd, onvoldoende vastgelegd dat zijn gedrag met hem was besproken en geen externe deskundige ingeschakeld toen het conflict escaleerde. Volgens de kantonrechter had zij meer moeten doen om de begeleiding voort te zetten en de cliënt te helpen zijn gedrag te reguleren. De cliënt mag daarom voorlopig in de zorgwoning blijven. Ook de vordering tot betaling van de huurachterstand wordt afgewezen, omdat mogelijk sprake is van een tegenvordering wegens gefactureerde maar niet verleende begeleiding. Daarover moet in een bodemprocedure nader worden geoordeeld.

3.22 De voorzieningenrechter komt tot de conclusie dat de opzegging door [eisende partij] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Daarom is het op dit moment niet aannemelijk dat de bodemrechter [gedaagde partij] in een bodemprocedure zou veroordelen om de woning te ontruimen. Dat betekent dat de voorzieningenrechter de vordering tot ontruiming en de daaraan gekoppelde dwangsom in dit kort geding afwijst.