27 jul 2026,
Zorginstelling aansprakelijk na onzorgvuldige beëindiging begeleiding en huisvesting
Rb. Noord-Holland 3 juni 2026, LS&R 2418; ECLI:NL:RBNHO:2026:6356 ([eiser] en [betrokkene 1] tegen De ZorgSpecialist). In deze zaak tussen een jongvolwassene met een licht verstandelijke beperking en De ZorgSpecialist staat de beëindiging van een begeleidings- en huurovereenkomst centraal. De cliënt heeft een VG6-zorgprofiel en is aangewezen op verblijf met intensieve begeleiding, verzorging en gedragsregulering. De rechtbank merkt de begeleidingsovereenkomst aan als een geneeskundige behandelingsovereenkomst. Een zorginstelling mag zo’n overeenkomst alleen wegens gewichtige redenen beëindigen en moet eerst alles doen wat redelijkerwijs mogelijk is om beëindiging te voorkomen.
De rechtbank oordeelt dat de ZorgSpecialist onvoldoende heeft onderbouwd dat zij de benodigde zorg niet kon bieden. Een aangekondigd onderzoek door een gedragsdeskundige ontbreekt en bij de cliënt waren nog geen definitief zorgplan, passende dagbesteding of psychomotorische therapie gerealiseerd. Ook kan De ZorgSpecialist de beëindiging niet rechtvaardigen met het verwijt dat de vader bij de aanmelding informatie zou hebben achtergehouden. Als professionele zorginstelling is zij zelf verantwoordelijk voor een zorgvuldig selectieproces. Zij had de ontvangen informatie aanvankelijk bovendien als volledig beoordeeld. De rechtbank wijst daarnaast op de schijn van belangenverstrengeling. Een bestuurder van De ZorgSpecialist was tevens moeder en mentor van een medebewoonster met wie de cliënt een relatie had. Zij had zich daarom aan de besluitvorming over de cliënt moeten onttrekken. De ZorgSpecialist is toerekenbaar tekortgeschoten en moet schadevergoeding betalen. De rechtbank kent onder meer vergoeding toe voor huur-, verhuis- en opslagkosten, immateriële schade en de extra zorg en begeleiding die de vader heeft verleend
5.23 De immateriële schadevergoeding wordt toegewezen tot een bedrag van € 2.000,-. Mede gelet op wat [betrokkene 1] zelf om de zitting heeft opgemerkt acht de rechtbank voldoende aannemelijk dat de handelwijze van De ZorgSpecialist veel impact op [betrokkene 1] heeft gehad en veel stress en verdriet heeft veroorzaakt. De aard en de ernst van de normschending brengen in dit geval met zich dat de nadelige gevolgen daarvan voor [betrokkene 1] zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon moet worden aangenomen.16