26 mrt 2025
Rechtbank: Octrooi EP 248 van Novartis voor formulering van antilichaam omalizumab niet nieuw
Rb. Den Haag 26 maart 2025, IEF 22625, LSR 2285; ECLI:NL:RBDHA:2025:4895 (Celltrion tegen Novartis). Novartis heeft het antilichaam omalizumab ontwikkeld. Omalizumab wordt door Novartis op de markt gebracht als Xolair, onder andere in de vorm van een oplossing voor injectie (hierna: de Xolair formulering). Novartis is (gezamenlijk) houdster van Europees Octrooi EP 3 805 248 B1 (hierna: EP 248 of het octrooi) voor “Process for concentration of antibodies and therapeutic products thereof”, waarin de Xolair formulering is opgenomen. Celltrion heeft het product Omlyclo ontwikkeld, dat een biosimilar van omalizumab bevat. De formulering van Omlyclo (hierna: de Omlyclo formulering) is gebaseerd op de Xolair formulering. Celltrion vordert in conventie primair om het Nederlandse deel van EP 248 te vernietigen. Hiertoe voert zij onder andere aan dat het octrooi niet nawerkbaar is, een ongeoorloofde toegevoegde materie bevat, niet nieuw is en niet inventief is. In conventie voert Novartis hier verweer tegen. In reconventie vordert Novartis onder andere om voor recht te verklaren dat Omlyclo formulering inbreuk maakt op EP 248. In reconventie voert Celltrion verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, onder andere opnieuw omdat EP 248 niet nieuw is.
Celltrion betwist dat EP 248 nieuw is ten opzichte van WO 2004/091658 A1 (hierna: WO 658). Dit is een octrooiaanvrage die behoort tot de fictieve stand van de techniek. In de beoordeling hiervan gaat de rechtbank uit van een deskundige met vier of vijf jaar ervaring in het maken van formuleringen met antilichamen als vakpersoon. Centraal hierin staat de tabel op p. 67 van WO 658, met name de vermelding “Polysorbate: 0.01%-0.1%”. Niet in geschil is dat de tabel deelkenmerken 1 t/m 5 en 79 van conclusie 1 van EP 248 openbaart. Het geschil betreft deelkenmerk 6: 0,04% polysorbaat 20. Celltrion stelt dat het bereik 0.01%-0.1% ook 0,04% openbaart. Novartis meent echter dat het slechts een bereik is, en dus geen concrete openbaring van de 0,04%. De rechtbank oordeelt dat de vakpersoon zal begrijpen dat het in de tabel vermelde bereik betrekking heeft op polysorbaat 20 en dat het bereik van 0.01%-0.1% verwijst naar tien discrete waarden in stappen van 0.01%. Hieronder valt dan dus ook 0.04%. In eerdere studies is 0.04% daadwerkelijk toegepast. De vraag of de vakpersoon daadwerkelijk 0.04% zou kiezen, is relevant voor inventiviteit, maar niet voor nieuwheid. Voor nieuwheid is uitsluitend van belang of de waarde openbaar is.
Dit brengt mee dat conclusie 1 van EP 248 niet nieuw is in het licht van WO 658. Over de overige conclusies wordt niet geoordeeld, omdat Novartis zich hierop niet langer beroept. De rechtbank vernietigt het hele Nederlandse deel van EP 248. In de UK werd anders geoordeeld: hier kwam de rechter tot het oordeel dat EP 248 wel nieuw is ten opzichte van WO 658.
4.21. De vakpersoon leest in deze onderdelen van WO 658, in samenhang bezien, dat de effecten van polysorbaat 20 op de troebelheid (een resultaat van onder meer aggregatie) van het anti IgE-antilichaam is onderzocht. Hiertoe zijn agitatiestudies uitgevoerd met formuleringen bevattende 100 mg/ml antilichaam, 20 mM succinaat, 192 mM trehalose en drie verschillende concentraties polysorbaat 20 (0,01%, 0,02% en 0,05% – en één formulering zonder polysorbaat 20) bij pH 6. De resultaten zijn weergegeven in figuur 4. In die figuur zal de vakpersoon waarnemen dat de formuleringen zonder polysorbaat 20 (na 20 uur) verhoogde troebelheid vertonen en dat de formuleringen met 0.01%, 0.02% en 0.05% vergelijkbare, niet significant van elkaar verschillende, lage troebelheid vertonen. In de beschrijving van voorbeeld 4 is vervolgens vermeld dat de resultaten laten zien dat de troebelheid van oplossingen met het antilichaam E26 toeneemt met de agitatietijd. Geconcludeerd wordt dat de toevoeging van ten minste (‘at least’) 0.01% polysorbaat essentieel is voor het verminderen van de vorming van deeltjes onder stresscondities. Daarnaast is vermeld dat vergelijkbare resultaten zijn waargenomen voor geconcentreerde E25 formuleringen. De vakpersoon zal deze - algemeen geformuleerde - gevolgtrekkingen breder zien dan alleen betrekking hebbend op de specifiek genoemde E26 formuleringen met succinaat en trehalose of een enkele formulering met E25. Dat leidt hij niet alleen af uit de tekst, maar bijvoorbeeld ook uit de tabel op p. 67 van WO 658, waarin het bereik voor polysorbaat 20 in de verschillende formuleringen hetzelfde is.