DOSSIERS
Alle dossiers
Gepubliceerd op maandag 23 februari 2026
LS&R 2350
College van Beroep voor het Bedrijfsleven ||
10 feb 2026
College van Beroep voor het Bedrijfsleven 10 feb 2026, LS&R 2350; ECLI:NL:CBB:2026:48 (Maatschap [naam], te [woonplaats] tegen de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur), https://lsenr.nl/artikelen/last-onder-dwangsom-wegens-aardappelteelt-in-verbodsgebied-geen-boos-opzet-vereist-en-geen-schending-van-het-evenredigheidsbeginsel

Last onder dwangsom wegens aardappelteelt in verbodsgebied: geen boos opzet vereist en geen schending van het evenredigheidsbeginsel

Cbb 10 februari 2026, LS&R 2350; ECLI:NL:CBB:2026:48 (Maatschap [naam], te [woonplaats] tegen de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur). In deze zaak had Maatschap [naam], een akkerbouwbedrijf, beroep ingesteld tegen besluiten van de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur. Op 9 juni 2023 constateerde een toezichthouder van de NAK dat op twee percelen aardappelen werden geteeld terwijl deze percelen binnen een gebied vielen waarvoor een aardappelteeltverbod geldt (bijlage 8 van de Regeling plantgezondheid). De minister legde vervolgens op 22 juni 2023 een last onder dwangsom op om de teelt vóór 5 juli 2023 te beëindigen, met een dwangsom van € 500 per perceel per controle (maximaal € 1.500 per perceel). Hercontroles toonden echter aan dat de aardappelen bleven groeien. De minister vorderde daarom op 15 augustus 2023 twee dwangsommen van ieder € 1.000 en verklaarde bij besluit van 19 september 2023 het bezwaar van de maatschap tegen het dwangsombesluit ongegrond. Tegen deze besluiten stelde de maatschap beroep in bij het College. De maatschap voerde aan dat zij in de veronderstelling verkeerde de regels na te leven en niet wist dat de percelen binnen het verbodsgebied lagen, mede omdat een NAK-onderzoek geen waarschuwing daarover had gegeven; voorts stelde zij dat vernietiging van de pootaardappelen onevenredig was en dat minder ingrijpende maatregelen mogelijk waren.

Het College van Beroep oordeelt dat de minister terecht heeft vastgesteld dat de maatschap heeft gehandeld in strijd met artikel 37 van de Regeling plantgezondheid door aardappelen te telen in een gebied waarvoor een teeltverbod geldt, en dat hiervoor geen opzet vereist is. De kennis van telers over zulke voorschriften wordt geacht aanwezig te zijn, waardoor de minister bevoegd was tot handhaving via de last onder dwangsom. Het College vindt de maatregel geschikt en noodzakelijk om verspreiding van schadelijke aaltjes (aardappelmoeheid) te voorkomen en oordeelt dat het door de maatschap voorgestelde alternatief geen aanvaardbaar minder ingrijpend middel is; de schade die de vroegtijdige vernietiging van het gewas veroorzaakte maakt de maatregel niet onevenwichtig. Over de invorderingsbesluiten geeft het College geen inhoudelijk oordeel omdat de maatschap daarover onvoldoende gemotiveerd heeft aangevoerd waarom die besluiten onjuist zouden zijn. Het beroep van de maatschap wordt daarom ongegrond verklaard en de minister hoefde geen proceskosten te vergoeden.​

4.3: “Het dwangsombesluit is in dit geval een geschikt middel om te waarborgen dat de overtreding van het aardappelteeltverbod wordt beëindigd. Het betoog van Maatschap [naam] dat de overtreding ook op minder belastende wijze had kunnen worden beëindigd, volgt het College niet. Op de zitting heeft de minister uitgelegd waarom de minister niet heeft toegestaan dat de aardappelen nog wat langer, gedurende de beoogde teeltperiode, in de grond konden blijven. Hij heeft toegelicht dat de wortelgroei van aardappels de ontwikkeling van aaltjes stimuleert. Hoe eerder de aardappels uit de grond worden verwijderd, hoe eerder de ontwikkeling van aaltjes stopt. De door Maatschap [naam] voorgestelde optie is daarmee ook naar het oordeel van het College geen aanvaardbaar alternatief. De enkele omstandigheid dat Maatschap [naam] schade heeft geleden door de pootaardappelen voortijdig te rooien, maakt het dwangsombesluit niet onevenwichtig. Het dwangsombesluit is dan ook niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel.”