Gepubliceerd op vrijdag 21 augustus 2026
LS&R 2444
Rechtbank Den Haag ||
6 aug 2026,
Rechtbank Den Haag 6 aug 2026,, LS&R 2444; ECLI:NL:RBDHA:2026:22077 (LIMM tegen de Staat), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/ilt-hoeft-voor-marktintroductie-geen-oordeel-te-geven-over-markeringsplicht-bekers

ILT hoeft vóór marktintroductie geen oordeel te geven over markeringsplicht bekers

Rb. Den Haag 6 augustus 2026, LS&R 2444; ECLI:NL:RBDHA:2026:22077 (LIMM tegen de Staat). LIMM B.V. wil bekers voor eenmalig gebruik verkopen die volgens haar plasticvrij zijn en daarom niet zijn voorzien van de markering uit artikel 15e Besluit beheer verpakkingen (Bbv). Zij vroeg de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) vooraf duidelijkheid over de vraag of de in de bekers gebruikte lijm en inkt maken dat de bekers toch onder deze markeringsplicht vallen. De ILT liet weten geen rol te hebben bij het vooraf testen van producten op de aanwezigheid van plastic en pas na het daadwerkelijk op de markt brengen te kunnen beoordelen of de bekers terecht zonder markering worden verkocht. LIMM diende daarop een handhavingsverzoek in, maar dat werd afgewezen omdat de bekers nog niet op de markt waren aangeboden. Ook een verzoek om voorlopige voorziening bij de bestuursrechter werd afgewezen. In dit civiele kort geding vordert LIMM vervolgens dat de ILT schriftelijk en gemotiveerd kenbaar maakt of de bekers onder artikel 15e Bbv vallen. De voorzieningenrechter acht LIMM ontvankelijk en neemt spoedeisend belang aan. De civiele procedure betreft namelijk een andere rechtsvraag dan de bestuursrechtelijke procedure: niet of de staatssecretaris moest handhaven, maar of de ILT verplicht is vóór het op de markt brengen van de bekers een inhoudelijk standpunt over de markeringsplicht te geven.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de ILT niet onrechtmatig handelt door dat voorafgaande standpunt te weigeren. De ILT is toezichthouder op de naleving van artikel 15e Bbv en het behoort niet tot haar taak om vóór marktintroductie te testen of te beoordelen of een product plasticvrij is. Dat LIMM daardoor commerciële en juridische onzekerheid ervaart, maakt dit nalaten niet onrechtmatig. Ook haar beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet. De ILT had in een ander geval eenmaal telefonisch aangegeven dat het erop leek dat een beker geen plastic bevatte, maar dit was volgens de Staat een fout; het gelijkheidsbeginsel verplicht de ILT niet om zo'n fout te herhalen. De rechter oordeelt daarom voorlopig dat de ILT niet onrechtmatig handelt en wijst de vordering af. LIMM wordt veroordeeld in de proceskosten van € 2.101. De voorzieningenrechter geeft zelf geen oordeel over de vraag of de bekers plastic bevatten of daadwerkelijk onder de markeringsplicht van artikel 15e Bbv vallen. Evenmin wordt beslist over een eventueel toekomstig toezicht- of handhavingstraject nadat de bekers op de markt zijn gebracht.

Onrechtmatige daad

4.5.

De voorzieningenrechter begrijpt dat LIMM vindt dat het nalaten van de ILT om een standpunt in te nemen over de bekers in strijd is met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. De voorzieningenrechter volgt LIMM hierin niet. Daartoe overweegt hij als volgt.

4.6.

Zoals volgt uit hetgeen hierboven is overwogen, ziet de voorzieningenrechter dat LIMM belang heeft bij een standpunt van de ILT over vraag of de bekers moeten worden voorzien van een markering als bedoeld in artikel 15e van het Bbv voordat zij ze op de markt brengt. Maar de omstandigheid dat het nalaten om een standpunt in te nemen (grote) gevolgen kan hebben voor LIMM, betekent op zichzelf niet dat sprake is van onrechtmatigheid aan de zijde van de ILT.

4.7.

Zoals LIMM erkent, is de ILT toezichthouder. Zij is belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde in artikel 15e van het Bbv. Het behoort niet tot de taken van de ILT om te testen of een product plasticvrij is voordat het op de markt wordt gebracht. De Staat heeft erop gewezen dat het innemen van een inhoudelijk standpunt in deze situatie een precedent schept en dat de ILT er niet op is toegerust en niet de capaciteit heeft om producten te controleren voordat deze op de markt worden gebracht.

4.8.

De voorzieningenrechter wijst in dit verband op de brief van de staatssecretaris van 19 december 2025. In deze brief 4 heeft de staatssecretaris aan de Tweede Kamer laten weten dat is onderzocht hoe tegemoet kon worden gekomen aan het door het bedrijfsleven ervaren knelpunt dat er in Nederland geen organisatie of instantie is waar bedrijven en organisaties kunnen laten testen of certificeren of hun product plasticvrij is. De staatssecretaris heeft daarover vermeld:

‘Ik wil vooropstellen dat de ILT niet de aangewezen partij is om te testen of certificeren of een product plasticvrij is. Uit gesprekken die gevoerd zijn met onder andere bedrijven, brancheorganisaties en andere lidstaten, rijst bovendien het beeld op dat men het meest gebaat zou zijn bij een testprotocol op Europees niveau. Het risico bestaat dat als Nederland eigenstandig een testprotocol vaststelt, het bedrijfsleven verschillende interpretaties zal ervaren in verschillende lidstaten. Ik ben daarom voornemens om dit verzoek neer te leggen bij de Europese Commissie als inbreng voor de evaluatie van de SUP Richtlijn die de Commissie uiterlijk juli 2027 afrondt.’