Gepubliceerd op donderdag 3 september 2026
LS&R 2458
Rechtbank Den Haag ||
22 jul 2026,
Rechtbank Den Haag 22 jul 2026,, LS&R 2458; ECLI:NL:RBDHA:2026:21091 (Curatoren tegen [gedaagde]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/contractuele-vrijwaring-verplicht-teler-tot-vergoeding-45-miljoen-teruggevorderde-gmo-subsidie

Contractuele vrijwaring verplicht teler tot vergoeding € 45 miljoen teruggevorderde GMO-subsidie’

Rb. Den Haag 22 juli 2026, LS&R 2458; ECLI:NL:RBDHA:2026:21091 (Curatoren tegen [gedaagde]). In deze zaak tussen de curatoren van Telerscoöperatie FresQ en [gedaagde], een voormalig lid van de coöperatie, staat de terugvordering van Europese landbouwsubsidies centraal. FresQ ontving als erkende producentenorganisatie subsidie voor haar operationele programma. Die erkenning werd later met terugwerkende kracht ingetrokken, omdat FresQ niet voldeed aan de Europese erkenningscriteria. RVO heeft daardoor een vordering op de failliete boedel van FresQ wegens ten onrechte ontvangen subsidies. Voor producentenorganisaties geldt onder meer dat zij daadwerkelijk de regie moeten voeren over de verkoop van de producten van hun leden. Na eerdere kritiek van de Europese Commissie had FresQ een plan opgesteld waarin de verkoopdochters meer zelfstandig zouden opereren. Ook het zogenoemde Red Star-segment, waarin [gedaagde] actief was, moest worden omgevormd van een eenmanssegment naar een meermanssegment.

Volgens de rechtbank heeft [gedaagde] echter in strijd met de GMO-regelgeving gehandeld. Hoewel op papier nieuwe telers tot het Red Star-segment waren toegetreden en FresQ Red Star de verkoop zou verzorgen, behield [gedaagde] feitelijk de regie over de afzet. De rechtbank oordeelt dat de nieuwe telers in hoge mate afhankelijk waren van [gedaagde] en dat van een onafhankelijk opererende verkoopdochter geen sprake was. Daarmee werd niet voldaan aan het voor subsidieverlening relevante erkenningscriterium dat FresQ de regie over de verkoop moest voeren. Tussen FresQ en [gedaagde] waren raam- en projectovereenkomsten gesloten waarin was bepaald dat leden de GMO-regelgeving moesten naleven. Een lid was bovendien gehouden FresQ te vrijwaren voor schade als gevolg van handelen of nalaten in strijd met die regelgeving. De curatoren beroepen zich op deze vrijwaringsclausules. De rechtbank beschouwt dit als een vordering tot nakoming van een contractuele verplichting en niet als een schadevergoedingsvordering uit wanprestatie. [gedaagde] kan zich niet met succes beroepen op de contractuele uitzondering voor schade die het gevolg is van opzet of grove nalatigheid van FresQ. De rechtbank acht daarbij van belang dat [gedaagde] zelf de inbreuk op de erkenningscriteria heeft veroorzaakt. Ook de redelijkheid en billijkheid staan eraan in de weg dat zij zich onder die omstandigheden op deze uitsluitingsgrond beroept. De curatoren kunnen daarom nakoming verlangen van de vrijwaringsverplichting voor alle schade die uit het handelen van [gedaagde] in strijd met de GMO-regelgeving voortvloeit. Ook het causaal verband staat volgens de rechtbank vast. Dat mogelijk ook bij een andere verkoopdochter van FresQ tekortkomingen bestonden, doet daar niet aan af. De schade is in ieder geval mede ontstaan doordat FresQ Red Star door toedoen van [gedaagde] niet aan de erkenningscriteria voldeed. Omdat sprake is van nakoming van een vrijwaring, is er bovendien geen ruimte voor een beroep op eigen schuld van FresQ of voor een verplichting om de schade proportioneel op andere betrokkenen te verhalen. De vrijwaring strekt niet tot het gehele faillissementstekort van ruim € 54 miljoen. Voor de overige schulden van de boedel is het causale verband onvoldoende onderbouwd. Wel moet [gedaagde] het nog niet terugbetaalde bedrag aan teruggevorderde subsidies vergoeden. Dat bedraagt € 45.113.602,94, vermeerderd met wettelijke rente. Ook een beroep op voordeelstoerekening, eigen schuld en matiging slaagt niet. De rechtbank veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 45.113.602,94 aan de curatoren, met wettelijke rente over € 35.855.331,59 vanaf 25 september 2013 en over € 9.258.271,35 vanaf 12 oktober 2015.

4.37. De Curatoren komt een vordering toe tot nakoming door [gedaagde] van de in artikel 3.4 opgenomen verplichting tot vrijwaring van FresQ voor alle schade als gevolg van het handelen in strijd met de GMO-Regelgeving. [gedaagde] kan zich niet beroepen op een contractuele uitsluitingsgrond.

4.38. Aangezien de vrijwaring op grond van artikel 3.4 een grotere reikwijdte heeft dan de andere vrijwaringen, namelijk vergoeding van alle schade die FresQ lijdt als gevolg van het handelen in strijd met de GMO-Regelgeving, bespreekt de rechtbank in het navolgende die elementen: het causaal verband tussen bedoeld handelen en de schade (iii) en de omvang van de schade (iv).

(iii) Causaal verband

4.39. Volgens [gedaagde] ontbreekt het causaal verband tussen haar handelen in strijd met de GMO-Regelgeving en de gevorderde schade. Daartoe stelt [gedaagde] dat FresQ, zelfs als de gedragingen van [gedaagde] worden weggedacht, nog steeds inbreuk zou hebben gemaakt op de erkenningscriteria. [gedaagde] wijst er in dit verband op dat uit het intrekkingsbesluit van het Productschap volgt dat een andere verkoopdochter van FresQ, FresQ Rainbow Growers, eveneens niet conform het Plan van Aanpak heeft gehandeld. Het CBb heeft in de uitspraak van 25 april 2017 deze intrekkingsgrond onbesproken gelaten, maar dit doet er niet aan af dat de gedragingen van FresQ Rainbow Growers de intrekking van de erkenning zelfstandig hadden kunnen dragen, aldus [gedaagde] . De schade zou dus ook zonder het handelen van [gedaagde] zijn ingetreden, zodat er geen causaal verband bestaat tussen de handelingen van [gedaagde] en de schade van FresQ. De rechtbank gaat hier niet in mee.

4.40. Het kan in het midden blijven of de situatie bij FresQ Rainbow Growers zelfstandig de intrekking van de erkenning van FresQ had kunnen dragen. Nu de schade in ieder geval het gevolg is van de omstandigheid dat FresQ Red Star door toedoen van [gedaagde] niet aan de erkenningscriteria voldeed, is het causaal verband tussen het handelen van [gedaagde] en de schade van de boedel gegeven. Voor zover [gedaagde] met hun stellingen betogen dat van de Curatoren verlangd kan worden dat ook (de leden van het segment van) FresQ Rainbow Growers aansprakelijk worden gesteld, verwerpt de rechtbank dit betoog. Nu het gaat om nakoming van een vrijwaring zijn de artikelen 6:95 BW en verder niet van toepassing en is dus ook geen plaats voor een beroep op vermeende eigen schuld op grond van artikel 6:101 BW. De Curatoren zijn dus niet gehouden om een proportioneel gedeelte van de schade op FresQ Rainbow Growers te verhalen, maar kunnen er voor kiezen om alleen nakoming van de vrijwaring door [gedaagde] te vorderen.

4.41. Het causaal verband tussen het handelen van [gedaagde] en de schade ter grootte van de teruggevorderde subsidie staat gelet op het bovenstaande vast. De Curatoren vorderen echter betaling van het gehele boedeltekort in het faillissement. De Curatoren hebben de overige schulden uit de boedel en de kosten van het faillissement echter niet gespecificeerd, en niet toegelicht waarom het onbetaald blijven van deze posten het gevolg is van het handelen van [gedaagde] . Het causaal verband komt dus alleen vast te staan ten aanzien van de schade in de vorm van de teruggevorderde subsidies. De rechtbank gaat in het navolgende in op de omvang van deze schade (iv).

(iv) Omvang schade

4.42. Het bedrag waarvoor [gedaagde] de boedel dient te vrijwaren is de schade in de vorm van de vordering die aan RVO moet worden voldaan uit de boedel van FresQ. Het bedrag dat RVO (thans nog) van de boedel vordert is € 45.113.602,94, te vermeerderen met de wettelijke rente over het gedeelte van € 35.855.331,59 vanaf 25 september 2013 en te vermeerderen met de wettelijke rente over het gedeelte van € 9.258.271,35 vanaf 12 oktober 2015.

4.43. [gedaagde] heeft de hoogte van de schade weersproken. Daartoe stelt zij dat in elk geval een gedeelte van de teruggevorderde subsidie tot waardevermeerdering van FresQ heeft geleid. Een gedeelte van de subsidies werd immers besteed aan faciliteiten, zijnde roerende en onroerende zaken op locaties van een lid of leden, die na afloop van een operationeel programma vervreemd konden worden door FresQ. [gedaagde] heeft echter niet inzichtelijk gemaakt om welke faciliteiten het dan gaat, wat de restwaarde daarvan was, en hoe een en ander zicht verhoudt tot het faillissement van FresQ. De rechtbank kan dus ook niet vaststellen dat FresQ enig voordeel heeft genoten, en zal daarom aan deze stelling van [gedaagde] voorbijgaan.

4.44. [gedaagde] heeft zich nog beroepen op eigen schuld (artikel 6:101 BW) en op matiging van de schade (6:109 BW). Die verweren gaan niet op, nu de vordering van de Curatoren een vordering tot nakoming van een vrijwaring betreft en geen vordering op grond van wanprestatie.