26 jun 2026,
Cliëntenraad moet handhavingsverzoek tegen zorginstelling aan bestuursrechter voorleggen
Rb. Den Haag 26 juni 2026, LS&R 2417; ECLI:NL:RBDHA:2026:17358 (de CR tegen de IGJ). In deze zaak tussen de Cliëntenraad Villa Expertcare en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd staat de voorgenomen sluiting van twee zorgvilla’s voor ernstig zieke en meervoudig beperkte kinderen centraal. Villa Expertcare is als tussenkomende partij aan de procedure deelgenomen. Villa Expertcare besloot begin 2026 de zorg op haar vier locaties te beëindigen. Later kondigde zij aan de zorg te willen concentreren in Rijswijk en Wezep en de locaties Vleuten en Waalre te sluiten. De cliëntenraad vreesde dat voor verschillende kinderen geen passende vervolgzorg beschikbaar zou zijn en vroeg de IGJ om Villa Expertcare een schriftelijke aanwijzing te geven. De sluiting moest volgens de cliëntenraad worden opgeschort totdat voor iedere cliënt een verantwoorde alternatieve zorgplek was geregeld. De IGJ was al een onderzoek gestart naar de kwaliteit, veiligheid en continuïteit van de zorg. Zij concludeerde dat de zorg grotendeels voldeed, maar kwetsbaar was, en dat snel verbetermaatregelen nodig waren. Villa Expertcare stelde daarop een plan van aanpak op en rapporteerde regelmatig aan de IGJ.
De voorzieningenrechter komt niet toe aan een inhoudelijke beoordeling. De cliëntenraad heeft bij de IGJ een bestuursrechtelijk handhavingsverzoek ingediend. Tegen een beslissing op dat verzoek kan hij naar de bestuursrechter. Ook wanneer de IGJ niet tijdig beslist, kan de cliëntenraad beroep instellen en de bestuursrechter om een voorlopige voorziening vragen. Via die procedure kan hij hetzelfde resultaat proberen te bereiken als in dit civiele kort geding. Omdat daarmee een snelle en met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang openstaat, verklaart de rechtbank de cliëntenraad niet-ontvankelijk
5.5 De IGJ heeft nog niet beslist op het verzoek van 3 juni 2026, zodat er op dit moment geen besluit in de zin van artikel 1:3 Awb voorhanden is. De stelling van de CR dat er om die reden voor hem geen (snelle) rechtsingang is bij de bestuursrechter, is onjuist. In artikel 6:2 Awb wordt het niet tijdig nemen van een besluit met een appellabel besluit in de zin van artikel 1:3 Awb gelijkgesteld. Tegen het niet tijdig beslissen op het verzoek kan de CR blijkens artikel 6:12 Awb in beroep gaan bij de bestuursrechter. Hangende het beroep kan de CR op grond van artikel 8:81 Awb de bestuursrechtelijke voorzieningenrechter verzoeken om één of meerdere voorlopige voorzieningen te treffen. In die procedure kan de CR dezelfde verzoeken indienen als hij in dit kort geding heeft gedaan. Ook bij de bestuursrechter kan, in spoedeisende gevallen, op zeer korte termijn een voorlopige voorziening worden gevraagd. De CR kan dus bij de bestuursrechter hetzelfde resultaat bereiken als het resultaat dat hij met deze procedure beoogt te bereiken. Daarmee staat vast dat voor de CR een met voldoende waarborgen omklede en snelle rechtsgang bij de bestuursrechter open staat.