8 jul 2026,
Bijzondere zorgplicht bij gebruik gewasbeschermingsmiddelen nabij omwonenden
Rb. Oost-Brabant 8 juli 2026, LS&R 2441; ECLI:NL:RBOBR:2026:5283 ([eisers] tegen [gedaagde]). Omwonenden van een landbouwperceel waarop in 2024 lelies werden geteeld, verzetten zich tegen het gebruik van verschillende gewasbeschermingsmiddelen. Zij vorderen onder meer een verklaring voor recht dat de eigenaar van het perceel onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld en aansprakelijk is voor hun schade, primair de vestiging van een erfdienstbaarheid waardoor gedurende twintig jaar bepaalde middelen of werkzame stoffen niet mogen worden gebruikt en subsidiair een overeenkomstig verbod. De rechtbank acht zich als burgerlijke restrechter bevoegd, omdat de bestuursrechtelijke route voor deze omwonenden geen rechtsbescherming biedt waarmee zij het gebruik van toegelaten gewasbeschermingsmiddelen in hun nabijheid kunnen laten verbieden. Het voorzorgsbeginsel van artikel 1 lid 4 Verordening (EG) 1107/2009 kan volgens de rechtbank niet als zelfstandige grondslag dienen voor de civielrechtelijke vorderingen tussen particulieren. Het beginsel kan wel als relevante omstandigheid worden betrokken bij de beoordeling of sprake is van strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheid van artikel 6:162 BW. De rechtbank beoordeelt de zaak daarom aan de hand van gevaarzetting en de schadevoorkomingsplicht en acht, mede op basis van RIVM-onderzoek, voldoende plausibel dat blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen gezondheidsrisico’s kan meebrengen. Daarbij wijst zij specifiek op onzekerheden en hiaten in de beoordeling van neurodegeneratieve effecten en van blootstelling aan combinaties van verschillende middelen.
Volgens de rechtbank rust daarom op de eigenaar een bijzondere zorgplicht, dan wel verhoogde zorgvuldigheidsnorm, tegenover omwonenden die in de directe nabijheid van de teeltlocatie wonen. De rechtbank oordeelt voorshands dat hij deze zorgplicht schendt en onrechtmatig handelt indien hij lelies gaat of laat telen met de in deze zaak genoemde gewasbeschermingsmiddelen in de voor die teelt noodzakelijke omvang, zonder de vereiste voorzorgs- en veiligheidsmaatregelen te treffen. Het belang van de omwonenden om gevrijwaard te blijven van potentiële ernstige gezondheidsschade weegt daarbij zwaarder dan het commerciële belang bij de lelieteelt. Welke maatregelen concreet nodig zijn, kan de rechtbank nog niet vaststellen. Zij is daarom voornemens een of meer deskundigen te benoemen die onder meer moeten adviseren over de actuele wetenschappelijke kennis over de gezondheidsrisico’s en over passende voorzorgsmaatregelen. De rechtbank heeft de gevorderde verklaring voor recht, aansprakelijkheid, erfdienstbaarheid en het subsidiaire verbod dus nog niet definitief toegewezen of afgewezen. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
4.24.
De omstandigheden die van belang zijn bij de beoordeling of sprake is van een schadevoorkomingsplicht zijn ontleend aan Hoge Raad 5 november 1965, ECLI:NL:HR:1965:AB7079 (Kelderluik). Deze Kelderluikfactoren zijn toegespitst op buitencontractuele gevaarzettingssituaties. De volgende omstandigheden zijn in deze zaak van belang:
de aard en omvang van de schade als gevolg van blootstelling aan gewasbestrijdingsmiddelen;
de bekendheid en voorzienbaarheid van deze schade;
de kans dat de schade zich daadwerkelijk verwezenlijkt;
de aard van de gedraging van [gedaagde] ;
de bezwaarlijkheid om (effectieve) voorzorgsmaatregelen te treffen;
de belangen die zijn gediend met de gedragingen van [gedaagde] .
4.25.
Het hiervoor al genoemde voorzorgsbeginsel komt er - kort gezegd - op neer dat de omstandigheid dat wetenschappelijke onzekerheid bestaat over het bestaan, de omvang en oorzaken van een risico dat zich pas over langere tijd zal (kunnen) verwezenlijken en/of de effectiviteit van de tegen dit risico te treffen voorzorgsmaatregelen, de potentiële veroorzaker van schade niet zonder meer ontslaat van haar verplichting om voorzorgsmaatregelen te treffen (zie bijvoorbeeld Hoge Raad 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2006).
4.26.
Het gaat bij onzekere risico’s dus veelal om gevaren waarvan wetenschappelijk onzeker is of ze bestaan en wanneer, waar en in welke exacte omvang dat gevaar zich zal verwezenlijken. De verplichting om zorg te dragen voor de belangen van een ander is niet gefundeerd op de aard en mate van (on)zekerheid over een risico, maar op de mogelijkheid van gevaar dat zich voordoet in een bepaald geval. Daarbij geldt op grond van vaste jurisprudentie dat bij een kleine kans op ernstige schade al een verplichting tot het treffen van voorzorgsmaatregelen kan bestaan (zie bijvoorbeeld Hoge Raad 17 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3290 en Hoge Raad 25 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT8782). Het creëren of in stand laten van een onzeker risicovolle situatie kan op basis van het ongeschreven recht onrechtmatig zijn. Het feit dat er in de wetenschap onzekerheid bestaat over het bestaan, de aard of ernst van een risico, sluit dan ook niet uit dat men naar maatstaven van maatschappelijke zorgvuldigheid dient te anticiperen op dat risico (een voorzorgverplichting). Over het bestaan van een risico is namelijk geen absolute of een verregaande mate van zekerheid noodzakelijk, voordat van een actor kan worden vereist dat hij voorzorgsmaatregelen neemt ter beheersing of ter afwending van een risico. Indien er op grond van de bestaande kennis en inzichten vermoedens zijn dat er een verband bestaat tussen een blootstelling en het mogelijke intreden van negatieve gezondheidseffecten, kan een verplichting tot handelen bestaan.
4.27.
De vraag is vervolgens welke mate van zekerheid over het bestaan van een risico vereist is, voordat een verplichting tot het nemen van voorzorgsmaatregelen kan ontstaan. De rechtbank hanteert hierbij de maatstaf van een (natuur)wetenschappelijk gefundeerd plausibel vermoeden over het bestaan van een gevaar, waarbij een plausibel vermoeden dient te worden begrepen als een (natuur)wetenschappelijk gefundeerde uitspraak over het bestaan van een risico die (natuur)wetenschappers dusdanig serieus nemen dat men het vermoeden rechtens niet mag negeren.